Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4276

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
200904723/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2009, kenmerk 2009-27282, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Naarden bij besluit van 10 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904723/1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats],

2. [appellante sub 2A], gevestigd te [plaats], en [appellant sub 2B], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de stichting Stichting de Limiten en Valkeveen, gevestigd te Naarden, en [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2009, kenmerk 2009-27282, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Naarden bij besluit van 10 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2009, [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2009, en de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2009, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de raad en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Speelpark Oud Valkeveen B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2010, waar [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], vertegenwoordigd door [appellant sub 1B], [appellant sub 3], [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B], vertegenwoordigd door [appellant sub 2B], de Stichting, vertegenwoordigd door haar voorzitter, [appellant sub 4A], en haar [penningmeester] en [appellant sub 4A] en anderen, bij monde van [appellant sub 4A] en [penningmeester], allen bijgestaan door mr. A.H. Jonkhoff, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door R. Mooij, werkzaam bij de gemeente, daar gehoord.

Buiten bezwaren van partijen hebben [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] ter zitting nog nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Speelpark Oud Valkeveen en het college hebben in hun schriftelijke uiteenzetting onderscheidenlijk verweerschrift betwist dat de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit omtrent goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" wat betreft het perceel Oud Huizerweg 2a, waartegen hun beroep onder meer is gericht.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel belang, eigen persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.1.2. [appellant sub 4A] en anderen vrezen voor een verslechtering van hun woon- en leefklimaat. Zij hebben in dit verband gesteld dat de realisering van bebouwing ter plaatse een toename van geluidhinder en parkeeroverlast met zich brengt op de Valkeveenselaan.

[appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4C], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] wonen aan de Valkeveenselaan op een afstand van ongeveer 500 meter of minder van de gronden aan de Oud Huizerweg 2a. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan niet worden uitgesloten dat het plan in zoverre voor hen geen nadelige effecten met zich zal kunnen brengen, zeker niet wat betreft parkeren. Hieruit volgt dat zij een rechtstreeks betrokken belang bij het plandeel hebben en kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

[8 appellanten] wonen op minimaal 740 meter afstand van de voornoemde gronden. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die ter plaatse mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om nog te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Voorts hebben zij geen feiten en omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De conclusie is dat [8 appellanten] geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) geen beroep kunnen instellen.

Het beroep van [appellant sub 4A] en anderen, voor zover ingediend door [8 appellanten], is niet-ontvankelijk, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" wat betreft het perceel Oud Huizerweg 2a.

2.1.3. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstellingen en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.1.4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de statuten van de Stichting heeft zij ten doel het behoud en herstel van de unieke leefomgeving van het gebied ten oosten van Naarden-vestiging, in het noorden begrensd door het Gooimeer, in het oosten en zuiden begrensd door de "rode contouren" van de gemeente Huizen en de Tafelbergheide, en in het westen begrensd door de autosnelweg A1, een en ander in de ruimste zin des woords. De Stichting tracht haar doel blijkens het tweede lid van dit artikel onder meer te verwezenlijken door:

a. het fungeren als gesprekspartner van (semi-)overheden en samenwerkingsverbanden;

b. het nemen van maatregelen om het hoofd te bieden aan lokale milieuproblemen zoals bijvoorbeeld verkeers- en geluidsoverlast;

c. het bevorderen dat van overheidswege de noodzakelijke maatregelen worden getroffen ter veiligstelling van de landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden, alsmede de handhaving en verbetering van deze gebieden;

d. er op toezien dat in het kader van de ruimtelijke plannen of maatregelen het belang van het behoud en de ontwikkeling van een duurzame leefomgeving voldoende wordt onderkend en op evenwichtige wijze wordt gehonoreerd;

e. er op toezien dat in het kader van de ruimtelijke plannen of maatregelen het belang van het behoud en ter veiligstelling van de landschappelijke, cultuurhistorische- en natuurwaarden verdere versnippering, verkaveling en verstening wordt tegengegaan alsmede indien mogelijk verbetering van deze doelstelling;

f. het toepassen van alle wettige middelen, die voor het doel van de Stichting bevorderlijk zijn.

Verder is gebleken dat de feitelijke werkzaamheden van de Stichting voornamelijk bestaan uit het voeren van overleg met het gemeentebestuur en met andere belangenorganisaties alsmede het geven van commentaar op ruimtelijke plannen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de Stichting krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt, zodat de Stichting, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.2. Het college en het Speelpark Oud Valkeveen hebben verder aangevoerd dat het beroep van de Stichting voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" wat betreft het perceel Oud Huizerweg 2a, niet zijn grondslag vindt in een ingebrachte zienswijze.

2.2.1. Het beroep van de Stichting voor zover gericht tegen het besluit omtrent goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" voor het perceel Oud Huizerweg 2a, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Voorts steunt het beroep van [appellant sub 4C] wat betreft dit plandeel niet op bij het college ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Awb kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, en zoals hierna in 2.13.1 is weergegeven is goedkeuring verleend aan dit plandeel, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze en tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenkingen heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze en bedenkingen naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Derhalve is het beroep van de Stichting en [appellant sub 4C] voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" voor het perceel Oud Huizerweg 2a niet-ontvankelijk.

2.3. Voor zover het college en het Speelpark Oud Valkeveen hebben aangevoerd dat het beroep van de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen, voor zover ingediend door Klankbordgroep De Limit en Valkeveen,

niet-ontvankelijk is, overweegt de Afdeling dat in het beroepschrift van de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen is vermeld dat de naam klankbordgroep De Limit en Valkeveen geen zelfstandige betekenis heeft, maar slechts een verzamelnaam is van de groep bewoners aan de Valkeveenselaan die beroep hebben ingesteld. Gelet hierop komt aan de vermelding van de klankbordgroep in het beroepschrift geen zelfstandige betekenis toe en behoeft de ontvankelijkheid van deze groep geen bespreking.

2.4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 4A] en anderen, voor zover ontvankelijk, geen belang meer hebben bij een uitspraak op het beroep gericht tegen het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" wat betreft het perceel Oud Huizerweg 2a. Daarbij wijst het college er in zijn verweerschrift op dat de verleende bouwvergunning voor de herbouw van het restaurant met bedrijfswoning ter plaatse onherroepelijk is geworden.

2.4.1. Anders dan het college heeft gesteld bestaat in de door hem genoemde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] niet langer belang hebben bij een uitspraak omtrent het door hen ingestelde beroep op dit punt, aangezien het plan zich in zoverre leent voor herhaalde toepassing.

Toetsingskader

2.5. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.6. Het thans aan de orde zijnde plan is opgesteld ter voldoening aan artikel 30 van de WRO naar aanleiding van het besluit van het college van 8 november 2005 over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied", alsmede de daarmee verband houdende uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006, nr. 200510090/1. Dit betekent dat voor het college in beginsel geen grond bestaat aan het plan goedkeuring te onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening indien en voor zover de raad bij de vaststelling van het plan het voormelde besluit van 8 november 2005 en de uitspraak van de Afdeling in acht heeft genomen. Dit zou anders kunnen zijn indien en voor zover de feiten en omstandigheden sedert het besluit en de uitspraak van de Afdeling zodanig zijn gewijzigd dat daaraan geen betekenis meer kan worden toegekend.

2.7. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad een amendement aangenomen met de strekking dat de door het college van burgemeester en wethouders voorgestelde planologische wijzigingen, anders dan ter voldoening aan voornoemde verplichting ingevolge artikel 30 van de WRO, niet in het plan zijn meegenomen. Daartoe heeft de raad overwogen dat de door het college van burgemeester en wethouders voorgestelde wijzigingen hebben geleid tot een lastige discussie, nu een gebiedsvisie voor het buitengebied ontbreekt.

Het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B]

2.8. [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] wensen dat een bedrijfsbestemming met de aanduidingen "siertuin" en "opslag zand" wordt toegekend aan de gronden gelegen tussen de Rijksweg A-1 en de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" op het perceel [locatie].

2.8.1. De Afdeling stelt voorop dat de gronden, blijkens de begrenzing op de plankaart, niet binnen het plangebied van de herziening zijn gelegen. Het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] moet derhalve worden geacht te zijn gericht tegen de vaststelling van de plangrens. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht of anderszins in strijd is met het recht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat er sprake is van een dusdanige ruimtelijke samenhang dat de gronden van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] die buiten de planherziening zijn gehouden, wel bij de planherziening hadden moeten worden betrokken. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de Afdeling het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden in een open landschap" wat betreft de voornoemde gronden opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied" reeds ongegrond heeft verklaard in haar uitspraak van 22 november 2006, faalt het beroep in zoverre. Dat hun gronden wel in het ontwerpplan waren opgenomen en daaraan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "opslag zand" was toegekend en dat op hun zienswijze om naast voornoemde aanduiding de aanduiding "siertuin" toe te kennen instemmend is gereageerd door het college van burgemeester en wethouders, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De raad kan hiervan bij de vaststelling van het plan afwijken, hetgeen door middel van het in 2.7. genoemde amendement is gebeurd.

2.8.2. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] op dit punt hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college tot de slotsom had moeten komen dat het betreffende onderdeel van de plangrens in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9. [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] kunnen zich voorts niet verenigen met de aanvullende bestemming "Beschermingszone waterkering", welke door middel van een lijn op de plankaart door het perceel [locatie] is getrokken. Zij stellen hierdoor te worden beperkt in hun bouwmogelijkheden.

2.9.1. In artikel 35, lid A, sub 1, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" waren, voor zover hier van belang, ter beschrijving van de zone rond de waterkering langs de Naardertrekvaart minimale aan te houden afstanden opgenomen. In de toelichting van het onderhavige plan is vermeld dat hiertoe voor kleinere dijken was besloten, omdat zones op een kaart van 1:10000 nauwelijks zichtbaar zijn. Daarmee werd echter niet voldaan aan de integrale keur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Om deze reden heeft het college in zijn besluit van 8 november 2005 ambtshalve goedkeuring onthouden aan artikel 35, lid A, sub 1, van de planvoorschriften. In het kader van de onderhavige herziening heeft de raad aanleiding gezien om de desbetreffende zones alsnog op de plankaart weer te geven en de minima in voornoemd planvoorschrift te schrappen. Voorts heeft hij de term "vrijwaringszone" in dat artikel vervangen door de, bij het Hoogheemraadschap meer gangbare, term "beschermingszone". Het thans voorliggende plan neemt hiermee het besluit van het college van 8 november 2005 in acht. Niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden na dit besluit zodanig zijn gewijzigd dat desondanks aanleiding bestaat voor een ander oordeel. Daarbij is van belang dat, anders dan [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben betoogd, vaststaat dat de bebouwingsbepalingen met het onderhavige plan niet zijn gewijzigd.

2.9.2. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] is ook in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B]

2.10. [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] voeren aan dat ten onrechte geen bedrijfsbestemming is toegekend aan het gedeelte van het perceel [locatie 2] waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" een agrarische bestemming is toegekend. Zij betogen dat een bedrijfsbestemming noodzakelijk is ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering. Ook wijzen zij op twee vergelijkbare percelen langs de Rijksweg waar wél meer bedrijvigheid is toegestaan.

2.10.1. In de uitspraak van 22 november 2006 heeft de Afdeling ten aanzien van het op [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] betrekking hebbende plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden in een open landschap" van het bestemmingsplan "Buitengebied" geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Aan dit oordeel ligt de volgende overweging ten grondslag:

"Ten aanzien van de door appellant gewenste bedrijfsbestemming op het betrokken perceel heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met het beleid van de gemeenteraad om ter waarborging van het open landschap en de aanwezige doorzichten nieuwe bedrijvigheid te weren uit het landelijk gebied. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in afwijking van het beleid had dienen in te stemmen met de toekenning van een bedrijfsbestemming ter plaatse van het betrokken perceel, dat grotendeels wordt aangewend ten behoeve van grasland, is geen sprake. In dit kader heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het betrokken perceel, gelet op de ligging, de omvang dan wel in aanmerking genomen de overige door appellant aangevoerde omstandigheden, niet meer aan te wenden zou zijn ten behoeve van een agrarische functie."

Hieruit volgt dat de Afdeling in haar uitspraak van 22 november 2006 reeds heeft geoordeeld dat het niet voorzien in een bedrijfsbestemming niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop en op hetgeen in 2.7. is overwogen is het perceel [locatie 2] niet in de herziening betrokken. Derhalve moet het beroep worden geacht te zijn gericht tegen de vaststelling van de plangrens. Zoals ook hiervoor in 2.8.1 is overwogen komt de raad, gelet op de systematiek van de WRO in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht of anderszins in strijd is met het recht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat er sprake is van een dusdanige samenhang dat de gronden van [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] die buiten de planherziening zijn gehouden, wel bij de planherziening hadden moeten worden betrokken. Het ter zitting aangevoerde dat de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006 onjuist is, zodat het college die uitspraak niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen, noopt niet tot een ander oordeel, nu de rechtmatigheid van de eerdere uitspraak in de onderhavige procedure als een gegeven moet worden beschouwd.

2.10.2. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planbegrenzing in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.11. [appellant sub 3] betoogt dat de omschrijving van het begrip "bijzondere paardenhouderij" ten onrechte niet gewijzigd is ten opzichte van de omschrijving hiervan opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied", nu de omschrijving meer toestaat dan wenselijk is.

2.11.1. De beroepsgrond van [appellant sub 3] ziet niet op een onderdeel van het bestemmingsplan "Buitengebied" waaraan bij besluit van 8 november 2005 dan wel bij uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006 goedkeuring is onthouden. Gelet hierop alsmede gezien de strekking van het plan zoals verwoord in 2.7. heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien de begripsomschrijving voor bijzondere paardenhouderij bij de voorliggende herziening aan te passen.

2.11.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen, voor zover ontvankelijk

2.12. De Stichting en [appellant sub 4A] en anderen betogen dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan artikel 1, lid 23, van de planvoorschriften, terwijl dit artikel 1, lid 24, had moeten zijn.

2.12.1. In het bestreden besluit is vermeld dat het college van burgemeester en wethouders te kennen heeft gegeven dat per abuis een begripsbepaling is opgenomen voor een "bouwwerk, geen gebouw zijnde". Deze omschrijving is alleen van toepassing voor het begrip "bouwwerk". Verder is daarin vermeld dat kan worden ingestemd met het verzoek van het college van burgemeester en wethouders om goedkeuring te onthouden aan deze begripsbepaling. In het dictum is vervolgens goedkeuring onthouden aan artikel 1, lid 23, van de planvoorschriften.

2.12.2. De omschrijving van het begrip "bouwwerk" is opgenomen in artikel 1, lid 23, van de planvoorschriften en de omschrijving van het begrip "bouwwerk, geen gebouw zijnde" in artikel 1, lid 24, van de planvoorschriften. Het college heeft ter zitting verklaard dat hij heeft beoogd goedkeuring te verlenen aan artikel 1, lid 23, en goedkeuring te onthouden aan artikel 1, lid 24, van de planvoorschriften.

2.12.3. De Afdeling stelt vast dat de onthouding van goedkeuring aan artikel 1, lid 23, en de goedkeuring aan artikel 1, lid 24, op een vergissing van het college berust.

2.12.4. Ten aanzien van artikel 1, lid 23, van de planvoorschriften is niet gebleken van daartegen bij het college gerichte bedenkingen noch anderszins van belangen die zich verzetten tegen goedkeuring van dit planonderdeel zoals het college heeft beoogd. De conclusie is dat hetgeen de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan artikel 1, lid 23, van de planvoorschriften dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet voorts aanleiding alsnog goedkeuring te verlenen aan artikel 1, lid 23, van de planvoorschriften.

2.12.5. Met het standpunt van het college dat het heeft beoogd goedkeuring te onthouden aan artikel 1, lid 24, van de planvoorschriften, is het college in zoverre tegemoet gekomen aan het beroep van de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen. Nu in het dictum van het bestreden besluit dit echter niet is opgenomen moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de goedkeuring van artikel 1, lid 24, van de planvoorschriften dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Nu is verzocht goedkeuring te onthouden aan dit planonderdeel, zal de Afdeling goedkeuring onthouden aan artikel 1, lid 24, van de planvoorschriften.

2.13. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] stellen zich op het standpunt dat onduidelijk is of goedkeuring is onthouden dan wel verleend aan het op de plankaart met rood omlijnde plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" voor het perceel Oud Huizerweg 2a.

2.13.1. De gronden aan de Oud Huizerweg 2 zijn buiten de herziening gelaten. In de herziening is aan de gronden aan de Oud Huizerweg 2a de bestemming "Horecadoeleinden" toegekend. Om de gronden is een rode lijn getrokken. Blijkens de legenda houdt dit de grens van de herziening in. Voor zover [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] hebben aangevoerd dat verwarring kan ontstaan nu het college blijkens het dictum goedkeuring heeft onthouden aan rood omlijnde delen op de plankaart, overweegt de Afdeling dat het college die delen waaraan het goedkeuring heeft willen onthouden op de plankaart met een rode arcering in combinatie met de tekst goedkeuring onthouden door GS 19-05-2009 heeft aangeduid en voornoemde tekst niet is opgenomen bij de in geding zijnde gronden, zodat duidelijk is dat het college hieraan goedkeuring heeft verleend.

2.14. Voorts voeren [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] aan dat ten onrechte de bestemming "Horecadoeleinden" is toegekend aan het perceel Oud Huizerweg 2a met daarop een restaurant met bedrijfswoning. Zij stellen dat die bestemming leidt tot een toename van de bebouwingsmogelijkheden op de omliggende als "Doeleinden van sport en recreatie" bestemde gronden met daarop een speelpark, hetgeen zij onwenselijk achten. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] vrezen voor een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk, geluidhinder en de toestroom van recreanten in het gebied. Naar deze aspecten is onvoldoende onderzoek verricht, aldus [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E].

2.14.1. Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied" was aan het perceel Oud Huizerweg 2 en 2a de bestemming "Doeleinden van sport en recreatie" met de aanduidingen "II" en "gebouwen" toegekend. Het plan voorzag ter plaatse in vijf bouwvlakken, waaronder één ter plaatse van het perceel Oud Huizerweg 2a.

Ingevolge artikel 19, lid A, onder 2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn de op de kaart voor "Doeleinden van sport en recreatie" aangewezen gronden bestemd voor een speelpark, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "II".

Ingevolge dat lid, onder 6, zijn de op de kaart voor "Doeleinden van sport en recreatie" aangewezen gronden tevens bestemd voor de daarbij behorende gebouwen, voor zover ten dienste van het speelpark, ten behoeve van:

a. horecadoeleinden, dienstverlening, speelvoorzieningen en detailhandel;

b. een bedrijfswoning.

Ingevolge lid B, gelden, voor zover hier van belang, voor het bouwen van de in lid A sub 6 onder a genoemde gebouwen de volgende bepalingen

a. per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één speelpark worden gebouwd;

b. de gebouwen zullen uitsluitend worden gebouwd binnen het gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding "gebouwen";

c. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 2500 m² bedragen;

2.14.2. In de uitspraak van 22 november 2006 heeft de Afdeling goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Doeleinden van sport en recreatie" voor het perceel Oud-Huizerweg 2a. Aan deze onthouding van goedkeuring ligt de volgende overweging ten grondslag:

"Voor zover appellante stelt dat de bedrijfswoning op het betrokken perceel ten onrechte is meegenomen bij de bepaling van de maximale bebouwingsoppervlakte, overweegt de Afdeling als volgt. Wat betreft de maximale bebouwingsoppervlakte is aangesloten bij de bestaande situatie. Niet in geschil is dat de bestaande bebouwing op de percelen Huizerweg 2 en 2a is gelegen binnen de voor de percelen opgenomen bouwvlakken. Daargelaten de vraag of het feitelijke gebruik van de woning op het perceel Huizerweg 2a in overeenstemming is met het plan en het derhalve mogelijk moet worden geacht dat voor een mogelijke uitbreiding van de woning een bouwvergunning kan worden verleend, staan de planvoorschriften er niet aan in de weg dat door de eigenaar van de bedrijfswoning door het indienen van een bouwaanvraag aanspraak op bouwrechten zou kunnen worden gemaakt voor uitbreiding van de bedrijfswoning. De omvang van het betrokken bouwvlak maakt dit niet onmogelijk. Daarmee zou de eigenaar van de gronden ter plaatse van het speelpark de mogelijkheid voor uitbreiding kunnen verliezen. Ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad en verweerder deze mogelijke gevolgen niet onder ogen hebben gezien."

2.14.3. De Afdeling stelt vast dat de hierboven aangehaalde uitspraak strekte tot onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Doeleinden van sport en recreatie" en de aanduiding "speelpark" ter plaatse van de bedrijfswoning op het perceel 2a. Door in de herziening aan voornoemde gronden de bestemming "Horecadoeleinden" met bouwvlak op te nemen, wordt de bebouwing ter plaatse niet meegerekend bij het bepalen of de maximale toegestane bebouwingsoppervlakte wat betreft het speelpark aan de Oud Huizerweg 2 is bereikt. De eigenaar van de gebouwen ter plaatse van het speelpark aan de Oud Huizerweg 2 is derhalve wat betreft de mogelijkheid voor uitbreiding niet afhankelijk van de eigenaar van de bebouwing aan de Oud Huizerweg 2a. In zoverre heeft de raad de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2006 in acht genomen.

Vast is komen te staan dat het plandeel bedrijfsgebouwen alsmede een bedrijfswoning van 450 m² mogelijk maakt. Voor de omliggende gronden aan de Oud Huizerweg 2 geldt de regeling uit het plan "Buitengebied", zijnde de bestemming "Doeleinden van sport en recreatie" met een maximaal bebouwingsoppervlak van 2500 m². Ter zitting is onweersproken gesteld dat wat betreft de gronden aan de Oud Huizerweg 2 het gestelde maximum bebouwingsoppervlak niet is bereikt en dat de bouwvlakken derhalve nog ruimte bieden voor uitbreiding. Aldus resulteert het plan er op dit punt in dat aanzienlijk meer bebouwing aan de Oud Huizerweg 2 en 2a kan ontstaan dan onder het voorgaande plan, temeer nu het perceel aan Oud Huizerweg 2a niet langer onder het voornoemde maximum bebouwingsoppervlak valt. Niet onaannemelijk is dat [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] hiervan nadelige gevolgen kunnen ondervinden, nog daargelaten de wijziging in gebruik die mogelijk wordt gemaakt. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in hetgeen [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] in de zienswijze hebben aangevoerd aanleiding had moeten zien om te onderzoeken of in dit geval sprake is van feiten of omstandigheden die aanleiding geven ook de omliggende gronden in de herziening te betrekken. Nu is vast komen te staan dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden, heeft het college door in zoverre goedkeuring te verlenen aan het plan miskend dat het plan op dit punt onzorgvuldig is voorbereid.

2.14.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" voor het perceel Oud Huizerweg 2a is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan dit plandeel. Wat betreft het verzoek ter zitting van het college om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand te laten, gelet op het feit dat inmiddels met vrijstelling bouwvergunning ter plaatse is verleend, overweegt de Afdeling dat de aard van het gebrek zich hier niet voor leent.

2.14.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" voor het perceel Oud Huizerweg 2a. Gelet hierop behoeven de overige gronden van [appellant sub 4A], [appellant sub 4B], [appellant sub 4D] en [appellant sub 4E] met betrekking tot dit plandeel geen bespreking meer.

2.15. Het college dient ten aanzien van de Stichting en [appellant sub 4A] en anderen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] , [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting de Limiten en Valkeveen en [appellant sub 4A] en anderen, voor zover ingediend door de stichting Stichting de Limiten en Valkeveen, [8 appellanten] en , [appellant sub 4C] wat betreft het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" voor het perceel Oud Huizerweg 2a, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de stichting Stichting de Limiten en Valkeveen en [appellant sub 4A] en anderen, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 19 mei 2009, kenmerk 2009-27282, voor zover daarbij

a. goedkeuring is onthouden aan artikel 1, lid 23, van de planvoorschriften;

b. goedkeuring is verleend aan:

- artikel 1, lid 24, van de planvoorschriften;

- het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden" wat betreft het perceel Oud Huizerweg 2a;

IV. verleent goedkeuring aan het onder III.a. vermelde planvoorschrift;

V. onthoudt goedkeuring aan het onder III.b. vermelde planvoorschrift en plandeel;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat is vernietigd;

VII. verklaart de beroepen van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de stichting Stichting de Limiten en Valkeveen en [appellant sub 4A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 349,55 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro en vijfenvijftig cent), waarvan € 322 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan de stichting Stichting de Limiten en Valkeveen en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht voldoet ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat

w.g. Van Sloten w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

466-646.