Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
200910307/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Bornholm en Vrijschot" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200910307/1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Bornholm en Vrijschot" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2010, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door C.J. Dam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan bevat de juridisch-planologische regeling voor de wijken Bornholm, Houtwijkerveld en Vrijschot Noord van Hoofddorp en is overwegend conserverend van aard.

2.2. Het beroep van [appellant] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het noordoostelijk deel van zijn perceel aan de [locatie].

[appellant] betoogt dat dat gedeelte van het perceel ten onrechte niet geheel is bestemd als "Wonen" en daardoor niet geheel kan worden benut voor het bebouwen met een aan- of uitbouw. Hij acht dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij betwist dat de ruimtelijke visie voor de IJweg op zijn perceel van toepassing is. Ook stelt hij dat de raad zijn ruimtelijke visie voor de IJweg niet eenduidig toepast en dat dit in zijn geval tot rechtsongelijkheid leidt. Hij acht het vertrouwensbeginsel geschonden nu een ambtenaar van de gemeente hem vóór aankoop van zijn woning desgevraagd heeft meegedeeld dat niets het bouwen in de noordoostelijke zijtuin in de weg staat.

2.3. De raad heeft bij de planvaststelling het plandeel voor het perceel [locatie] gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan en de gronden aan de noordoostelijke gevel van de woning voor een strook van 2 meter vanaf de erfgrens bestemd als "Tuin" en het overige deel tot aan de noordoostelijke gevel bestemd als "Wonen".

Bij het toekennen van de bestemming "Tuin" voor dat gedeelte van het perceel heeft de raad aangesloten bij de uitgangspunten van de IJwegvisie. De IJwegvisie is in het kader van de vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO met gebruikmaking waarvan de bouw van onder meer de woning op dit perceel, aan een doodlopende zijweg van de IJweg, mogelijk is gemaakt, eveneens gehanteerd. Bij die vrijstelling is als uitgangspunt genomen, aldus de raad, dat de strook grond aan het openbaar gebied overeenkomstig de IJwegvisie niet bebouwd mag worden om de zichtlijn vanaf de IJweg op alle woningen in de rij te handhaven. Nu de gronden aan de noordoostzijde van de woning zijn gericht op de hoofdontsluiting naar de IJweg en de woning bovendien in het verlengde ligt van de voorgevels van de achterliggende woningen aan de hoofdontsluitingsweg, waarvan de gronden in verband met de ligging van de voorgevel zijn bestemd als "Tuin", acht de raad de bestemming "Tuin" ook aangewezen voor de gronden aan de noordoostzijde van de woning [locatie].

Het in de zienswijze gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de raad verworpen omdat naar zijn mening geen sprake is van een identieke situatie, nu het in één geval gaat om een strook grond langs een waterpartij en in een ander geval om een talud.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de toegekende bestemming "Tuin" voor dit deel van het perceel de weerslag is van de bouwvergunning en de vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO met gebruikmaking waarvan het perceel destijds is bebouwd en dat in zoverre de bestaande situatie als zodanig in het plan is bestemd.

De IJwegvisie is op 6 maart 1995 door de raad vastgesteld. Een belangrijk uitgangspunt van deze visie is dat er in stedenbouwkundig opzicht meer samenhang dient te ontstaan in de bebouwing langs de IJweg zonder het karakter van deze weg geweld aan te doen.

Deze visie is in 2006 opnieuw door de raad vastgesteld en uitgewerkt en geldt voor de IJweg en een aangrenzende zone van ongeveer 100 meter aan weerszijden van de weg. Binnen deze zone bevindt zich een groenstrook met monumentale boerderijen aan de IJweg-oostzijde ten zuiden van de Grote Belt, die alle zijn gelegen op ruime percelen met veel groen, omzoomd door hoge bomen, waarbij de boerderijen op ruime afstand van de weg liggen en een voortuin in Engelse landschapstijl hebben. Met name het monumentale karakter van de gebouwen en de stedenbouwkundige situering temidden van landschapstuinen dienen, aldus de IJwegvisie, behouden te blijven. Het behoud en waar mogelijk versterken van het oorspronkelijke karakter van de IJweg met beplanting en bebouwing in de aangrenzende zones, overeenkomstig de IJwegvisie, is volgens de plantoelichting leidraad voor dit plan. Dit komt onder meer tot uiting in het herstellen en versterken van bouwkundige elementen en het landschappelijk inpassen van nieuwe bouwinitiatieven.

2.5. Het betoog van [appellant] dat de raad bij de vaststelling van het plandeel voor zijn perceel ten onrechte de IJweg visie heeft toegepast, faalt. Op grond van de verbeelding en de toelichting ter zitting is vast komen te staan dat het perceel binnen een strook van 100 meter van de IJweg ligt ten zuiden van de Grote Belt.

Voorts is het standpunt van de raad dat een vergroting van het plandeel "Wonen" voor dit perceel een verdichting van de bebouwing tot gevolg heeft die in strijd is met deze IJweg visie, niet onredelijk. Daarbij is in aanmerking genomen dat de raad terecht stelt dat dit deel van het perceel is gericht op de hoofdontsluiting naar de IJweg en dat bij volledige bebouwing van dit deel van het perceel - vóór de voorgevels van de achterliggende woningen - de zichtlijn vanaf de IJweg op de achter de woning van [appellant] gelegen woningen zal worden doorbroken.

2.6. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad deze gebiedsvisie binnen 100 meter van de IJweg niet eenduidig heeft toegepast.

Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met de percelen Lovenholm 18, 20 en 26 en Bredholm 66, boerderij Bornholm, boerderij Maria's lust en de woningen aan de IJweg 1110, 1114 en 1116 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat de percelen aan Lovenholm en Bredholm buiten de 100 meter strook blijven van de IJweg, zodat ten aanzien van deze woningen de IJwegvisie niet van toepassing is. De beide boerderijen vallen weliswaar onder de IJwegvisie maar ter zitting is komen vast te staan dat uitbreiding van de bebouwing tot aan de openbare weg - mede gelet op de in het plan opgenomen bouwvoorschriften voor bouwen buiten het bouwvlak - niet mogelijk is. Voorts staan de boerderijen niet haaks op de voorgevelrooilijnen van achterliggende woningen. De woningen aan de IJweg 1110, 1114 en 1116 - die even boven de Kleine Belt liggen - hebben net als [appellant] thans heeft een strook met bestemming "Tuin" tussen het bestemmingsvlak "Wonen" en de IJweg. Reeds om die reden kan een aan- of uitbouw niet tot aan de IJweg worden gebouwd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen van de door [appellant] genoemde situaties overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

2.7. Over het betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een ambtenaar, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.8. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel aan de [locatie] te [plaats] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Nolles

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

291-659.