Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201000022/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad bij besluit van 26 maart 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Nieuw Volendam".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201000022/1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad bij besluit van 26 maart 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Nieuw Volendam".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, is verschenen. Voorts is daar de raad, vertegenwoordigd door C. Wals, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de naoorlogse wijken van Volendam en omvat voornamelijk woongebied. Het plan is grotendeels consoliderend van aard.

2.3. Het beroep van [appellant] richt zich tegen de goedkeuring van het plan, voor zover dit plan niet toestaat een derde woonlaag op de woningen aan de G.A. Brederodestraat te realiseren. [appellant] stelt dat de raad de verwachting heeft gewekt dat deze derde woonlaag toegestaan zou worden indien kon worden onderbouwd dat daardoor geen andere belangen zouden worden geschaad. Nu hij hiertoe onderzoek naar schaduwhinder en planschade heeft laten uitvoeren en daaruit blijkt dat slechts bagatelschade zal ontstaan en dat andere belangen nauwelijks zullen worden geschaad, acht hij het besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Ook is naar zijn stelling zijn belang bij het kunnen realiseren van een dakopbouw onvoldoende in de besluitvorming betrokken.

[appellant] verzoekt daarnaast om vergoeding van de gemaakte onderzoekskosten in het geval dat het beroep ongegrond wordt verklaard.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat het raadsbesluit past binnen de beleidsvrijheid die de raad heeft en dat de raad na afweging van de diverse belangen terecht heeft gekozen voor het niet toestaan van de gevraagde uitbreidingsmogelijkheid, gelet op het voor het gebied geldende beleid als vermeld in de memo 'Architectonische- en Stedenbouwkundige Eindsituatie'.

Het college bestrijdt dat de raad een gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt waaraan [appellant] rechten kan ontlenen, nu in de raadsvergadering - het zogenoemde raadsplein - van 17 april 2008 slechts geconcludeerd is dat voor de besluitvorming omtrent het wel of niet toestaan van een derde bouwlaag nagegaan diende te worden of er sprake zou zijn van schaduwhinder dan wel planschade. Daartoe is, aldus het college, met de bewoners van de G.A. Brederodestraat afgesproken dat zij als verzoekers de gevraagde onderzoeken zouden (laten) uitvoeren, waarna de raad de conclusies hiervan zou betrekken bij de belangenafweging.

De raad heeft mede op grond van zowel de onderzoeken in opdracht van de bewoners van de G.A. Brederodestraat als van de in zijn opdracht uitgevoerde contra-expertise besloten aan haar beleid vast te houden en een derde bouwlaag niet toe te staan. Hierdoor heeft de raad naar de mening van het college voldoende blijk gegeven van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij, alle relevante aspecten en onderzoeken in aanmerking nemend, het algemeen belang (de architectonische- en stedenbouwkundige eindsituatie) zwaarder heeft gewogen dan het individuele belang van de bewoners van de G.A. Brederodestraat.

2.5. Het gemeentelijke beleid als neergelegd in de memo 'Architectonische- en Stedenbouwkundige Eindsituatie' op basis waarvan de woningen aan de G.A. Brederodestraat tot stand zijn gekomen, staat een derde bouwlaag op deze woningen niet toe. De raad kan evenwel bewoners de mogelijkheid bieden hem ervan te overtuigen dat er in een concreet geval redenen zijn van het beleid af te wijken. De raad heeft echter bij de vaststelling van een bestemmingsplan de taak alle in het geding zijnde belangen af te wegen en die afweging kan er toe leiden dat de raad besluit vast te houden aan zijn beleid.

Uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd en de raad ter zitting heeft toegelicht is niet gebleken dat [appellant] aan de discussie in de raad het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat in het plan de mogelijkheid van een extra verdieping zou worden opgenomen, indien uit nader onderzoek zou blijken dat er geen noemenswaardige schaduwhinder zou optreden voor de tegenovergelegen woningen en dat geen noemenswaardige planschade zou ontstaan. Gebleken is dat, anders dan [appellant] stelt, de raad zijn uitgangspunt dat voor dit gebied sprake is van een 'Architectonische- en Stedenbouwkundige Eindsituatie' toen niet heeft verlaten, maar enkel heeft voorgesteld een bezonningsstudie en een onderzoek naar planschade uit te laten voeren teneinde de in het geding zijnde belangen - te weten het algemene stedenbouwkundige belang, het belang van [appellant] en het belang van de omwonenden, van wie bekend was dat zij grote bezwaren hebben tegen een extra dakopbouw op de in geding zijnde woningen - zorgvuldig te kunnen afwegen. Nu de raad op grond van de genoemde onderzoeken en een in opdracht van hemzelf uitgevoerde contra-expertise heeft besloten om in het plan geen derde bouwlaag toe te staan voor de G.A. Brederodestraat, is dat besluit niet in strijd met het vertrouwensbeginsel. Voorts behoefde het college de keuze van de raad niet onredelijk te achten, mede gelet op de beleidsvrijheid die de raad heeft bij het toekennen van bestemmingen en het vaststellen van planregels alsmede gelet op mogelijke precedentwerking, daar het plangebied een groot deel van Volendam beslaat. Daarbij is in aanmerking genomen dat bij [appellant] bekend was dat de bouw van een extra verdieping tot een ingrijpende wijziging van de vormgeving en bouwmassa van de woningen en van het straatbeeld zou leiden en dat inwilliging van zijn verzoek voor de raad het gevolg zou hebben dat het bestaande toetsingskader voor deze en andere woningen in het gebied zou komen te vervallen, waardoor nieuwe verzoeken voor een derde verdieping ad hoc beoordeeld zouden moeten worden. Het college heeft in navolging van de raad aan dit algemene belang doorslaggevende betekenis kunnen geven. Ook heeft het college het belang van [appellant] voldoende in de besluitvorming betrokken.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6.1. Het verzoek van [appellant] om vergoeding van de gemaakte onderzoekskosten komt niet voor inwilliging in aanmerking, nu vergoeding van kosten alleen mogelijk is indien het beroep gegrond wordt verklaard.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Nolles

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

291-667.