Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201005088/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college aan [verzoekster A] lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van een paardenhouderij met camping op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201005088/2/M2.

Datum uitspraak: 13 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster A], gevestigd te [plaats], [verzoeker B] en [verzoekster C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college aan [verzoekster A] lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van een paardenhouderij met camping op het perceel [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en [verzoeker] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 augustus 2010, waar het college, vertegenwoordigd door J.A.F.M. van Vorstenbosch, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij uitspraak van 28 juni 2010 (zaaknr. 201005088/1) heeft de voorzitter het eerdere verzoek van [verzoeker] om het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de last onder dwangsom die is gebaseerd op overtreding van de Wet milieubeheer, afgewezen.

2.1.1. [verzoeker] stelt dat de voorzitter de door hem bij brief van 11 juni 2010 ingediende nadere stukken ten onrechte niet bij de beoordeling van het eerder ingediende verzoek heeft betrokken.

2.1.2. De voorzitter stelt vast dat de door [verzoeker] genoemde stukken zijn opgenomen in het dossier van zaaknr. 201005088/1. De voorzitter ziet in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat deze stukken niet bij de beoordeling van het eerdere verzoek zijn betrokken.

2.2. De in geding zijnde last onder dwangsom houdt in dat het gebruik van het perceel als camping wordt gestaakt en gestaakt wordt gehouden. Volgens het college is voor de exploitatie van een camping geen milieuvergunning verleend, zodat wordt gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Dit standpunt wordt bevestigd door de voorzitter in de eerdergenoemde uitspraak van 28 juni 2010.

2.2.1. [verzoeker] stelt dat de voorzitter ten onrechte heeft geoordeeld dat in strijd is gehandeld met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. De uitspraak is volgens hem niet gebaseerd op alle relevante feiten. In dit kader voert hij aan dat in juli 2007 een melding op grond van artikel 8.19 Wet milieubeheer is ingediend, waarin de in geding zijnde activiteiten worden beschreven.

2.2.2. [verzoekster A] heeft in juli 2007 een melding ingediend, waarin is vermeld dat binnen de inrichting een recreatie-, logies- en ontbijtruimte zal worden gerealiseerd. Het college heeft bij aangetekende brief van 27 augustus 2007 gereageerd op de melding. In de brief wordt ingegaan op de onvolledigheid van de gedane melding en wordt een termijn geboden om de melding aan te vullen. Op deze brief heeft het college geen reactie ontvangen. Het college heeft geen besluit genomen waarbij de door [verzoekster A] ingediende melding is geaccepteerd, zodat aan deze melding geen betekenis toekomt. De stelling van [verzoeker] dat [verzoekster A] niet in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft gehandeld is derhalve onjuist, zodat het college ter zake handhavend kon optreden. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2010

407.