Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201002889/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2008 heeft de centrale examencommissie geneeskunde van de Universiteit Leiden het verzoek om herziening van de eindbeoordeling van het coassistentschap Oogheelkunde afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201002889/1/H2.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 februari 2010 in zaak nr. 09/5770 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2008 heeft de centrale examencommissie geneeskunde van de Universiteit Leiden het verzoek om herziening van de eindbeoordeling van het coassistentschap Oogheelkunde afgewezen.

Bij besluit van 21 januari 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2010, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. M.C. Heijnneman, advocaat te Goes, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. de Wit, B. Nagtegeller en dr. A.J. Beaufort, allen in dienst van de Universiteit Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7.13, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.

Ingevolge artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, kan een betrokkene beroep instellen bij het college van beroep voor de examens tegen beslissingen van examencommissies en examinatoren.

Ingevolge het tweede lid kan het beroep, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.

Ingevolge artikel 4.1, vierde lid, van de Onderwijs- en examenregeling geneeskunde 2007-2008 (hierna: de OER) vindt in elk coassistentschap één eindbeoordeling plaats. Deze eindbeoordeling heeft een summatief karakter en is gebaseerd op de beoordelingsmomenten tijdens het coassistentschap.

2.2. Op 13 juni 2008 is het coassistentschap Oogheelkunde van [appellante] beoordeeld door [persoon A]. Vervolgens is het coassistentschap verlengd. Op 4 juli 2008 heeft een tweede beoordeling plaatsgevonden door [persoon B]. Deze heeft [appellante] als beoordeling op alle beoordelingspunten een onvoldoende gegeven voor het coassistentschap.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht tot de beslissing is gekomen dat de centrale examencommissie geneeskunde niet in strijd met het recht heeft gehandeld en dat de beslissing zorgvuldig is voorbereid en voldoende gemotiveerd. Daartoe voert [appellante] aan dat in strijd met artikel 4.1, vierde lid, van de OER twee eindbeoordelingen hebben plaatsgevonden, nu volgens het coassistentenhandboek Oogheelkunde geen tussenbeoordeling plaatsvindt. De beoordeling van 13 juni 2008 kan niet worden aangemerkt als tussenbeoordeling en dient te worden aangemerkt als enige eindbeoordeling.

2.3.1. Volgens het coassistentenhandboek vindt bij een aantal coassistentschappen ten minste één tussenbeoordeling plaats en vinden bij het coassistentschap Interne Geneeskunde ten minste twee tussenbeoordelingen plaats. Daarbij is opgemerkt dat het is toegestaan vaker een tussenbeoordeling te geven. Met betrekking tot onder meer het coassistentschap Oogheelkunde is daarin vermeld dat, gelet op de korte duur van dit coassistentschap, geen tussenbeoordeling hoeft plaats te vinden.

Dat volgens het coassistentenhandboek geen tussentijdse beoordeling van een coassistentschap Oogheelkunde hoeft plaats te vinden, betekent niet dat een tussenbeoordeling niet onder omstandigheden kan plaatsvinden. Een tussenbeoordeling is dan ook niet in strijd met het coassistentenhandboek dan wel artikel 4.1, vierde lid, van de OER.

2.3.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de beoordeling van [persoon A] ook inhoudelijk niet kan worden aangemerkt als eindbeoordeling. Naar aanleiding van de beoordeling door [persoon A] is het coassistentschap met twee weken verlengd om [appellante] de mogelijkheid te bieden het coassistentschap alsnog met een positieve beoordeling af te sluiten. Met die verlenging is gegeven dat de beoordeling door [persoon A] geen eindbeoordeling was. [appellante] heeft aan deze verlenging meegewerkt en was er aldus mee bekend dat nog geen eindbeoordeling had plaatsgevonden.

Aan [appellante] kan worden toegegeven dat het door [persoon A] ingevulde beoordelingsformulier niet aanstonds inzichtelijk maakt op welke punten zij niet voldeed aan de eisen die aan de coassistent Oogheelkunde worden gesteld. Dit betekent evenwel niet dat de verlenging van het coassistentschap zodanig onzorgvuldig is geweest jegens [appellante], dat de centrale examencommissie geneeskunde de door [persoon B] opgemaakte eindbeoordeling had moeten herzien. Evenmin bestaat in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd grond voor het oordeel dat de eindbeoordeling, gelezen in samenhang met de brief van 11 juli 2008 van [persoon B], onvoldoende is gemotiveerd of onzorgvuldig is voorbereid.

2.3.3. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college terecht tot het oordeel is gekomen dat de centrale examencommissie geneeskunde niet in strijd met het recht heeft gehandeld door het verzoek om herziening van de eindbeoordeling van het coassistentschap Oogheelkunde af te wijzen.

2.4. Gelet hierop heeft de rechtbank evenzeer terecht overwogen dat geen grond bestaat voor schadevergoeding.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

362.