Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
200909076/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 2] bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van twee botenloodsen op het perceel [locatie] te Krommenie (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909076/1/H1

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 oktober 2009

in zaak nr. 09-2422 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 2] bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van twee botenloodsen op het perceel [locatie] te Krommenie (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft het college dit besluit herroepen en geconstateerd dat de gevraagde bouwvergunning van rechtswege is ontstaan.

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 30 januari 2008 gemaakte bezwaar ongegrond, en het door [belanghebbende] tegen het besluit van 20 oktober 2008 gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Tevens heeft het de besluiten van 30 januari en 20 oktober 2008 ingetrokken.

Bij uitspraak van 16 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 31 maart 2008 (lees: 31 maart 2009) vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P. Koenhen en W. Zant, werkzaam bij de gemeente, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. H. Elmas, advocaat te Zaanstad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van twee loodsen op het perceel, welke volgens het aanvraagformulier voor de bouwvergunning moeten dienen voor de opslag van kano's. De aanvraag om bouwvergunning voor het bouwplan is op 20 november 2007 bij het college ingediend.

2.2. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in overeenstemming is met het ten tijde van de aanvraag nog geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak der gemeente Krommenie" en dat het college derhalve gehouden was voor het bouwplan bouwvergunning te verlenen.

Het college betoogt dat het, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bij de beoordeling van de vraag of ten behoeve van het bouwplan vrijstelling van het bestemmingsplan kon worden verleend, het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. Het voert daartoe aan dat het het bouwplan bij het besluit op bezwaar terecht aan het op 29 november 2007 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan "Krommeniedijk" heeft getoetst, alsmede dat het in dat besluit tevens op juiste gronden heeft gemotiveerd waarom vrijstelling voor het bouwplan krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet mogelijk is.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 maart 2005, in zaak nr. 200406332/1), dient bij het nemen van een besluit op bezwaar in beginsel het recht te worden toegepast, zoals dat op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag een college het ten tijde van een aanvraag om bouwvergunning nog wel, maar ten tijde van het besluit daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging daarvan in bezwaar, niet meer geldende bestemmingsplan toepassen, indien het desbetreffende bouwplan ten tijde van de aanvraag in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en op dat moment geen voorbereidingsbesluit van kracht was, dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was.

2.2.2. Het bestemmingsplan "Krommeniedijk" was, nu geen verzoek om voorlopige voorziening was ingediend tegen het besluit tot goedkeuring van het plan, ten tijde van het besluit op bezwaar van 31 maart 2009 in werking getreden en was het toen geldende recht. Dat de Afdeling in de uitspraak van 2 september 2009 (in zaaknr. 200805625/1) de goedkeuring van dit bestemmingsplan heeft vernietigd, voor zover dit betrof het plandeel waarop het bouwplan is voorzien, doet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan de vaststelling dat het bestemmingsplan ten tijde van het besluit op bezwaar gelding had, niet af. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in de uitspraken van 21 december 1999 (in zaak nr. H01.99.0245, AB 2000, 78) en van 22 december 2004 (in zaak nr. 200308026/1) zijn de rechtsgevolgen van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan niet door vernietiging van een goedkeuringsbesluit van dat bestemmingsplan met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt.

Voor toepassing van de onder 2.2.1. besproken uitzondering is geen aanleiding, nu het bouwplan, anders dan [appellant sub 2] betoogt, niet in overeenstemming is met het ten tijde van de aanvraag nog geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak der gemeente Krommenie". Ingevolge artikel VIII van de voorschriften van dit bestemmingsplan mogen op de gronden met de bestemming "Watersportterrein" zoals hier aan de orde, nadat dit voor deze gronden in een uitbreidingsplan in onderdelen is geregeld, uitsluitend gebouwen ten dienste van de watersport met daarbij behorende bijgebouwen worden gebouwd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de "Aanvullende bestemmingsplanvoorschriften" uit 1985 niet kunnen worden aangemerkt als het ingevolge het bestemmingsplan vereiste uitbreidingsplan in onderdelen. Deze aanvullende voorschriften betreffen een zogenoemd parapluplan dat diende om verschillende verouderde bestemmingsplannen te actualiseren op het gebied van woon- en erfbebouwing, terreinafscheidingen en gebruiksbepalingen. Nu geen uitbreidingsplan in onderdelen tot stand is gekomen, gold onder de werking van het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak der gemeente Krommenie", voor de gronden waarop de bestemming "Watersportterrein" rustte, dat ter plaatse geen bouwmogelijkheden bestonden.

2.2.3. Het betoog van [appellant sub 2] dat het "Uitbreidingsplan in hoofdzaak der gemeente Krommenie" van toepassing is, faalt. Het betoog van het college dat het het juiste toetsingskader heeft gehanteerd, is terecht voorgedragen, maar leidt gelet op het hierna volgende niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd en evenmin in de belangenafweging heeft betrokken dat het verscheidene bouwvergunningen heeft verleend voor bouwwerken in het gebied, waarvoor hetzelfde planologisch regime gold en waarbij zich ten tijde van de vergunningverlening eveneens strijd met de toen geldende bestemming "Watersportterrein" voordeed.

2.3.1. [appellant sub 2] heeft met de door hem in het geding gebrachte stukken aannemelijk gemaakt dat het college in het verleden medewerking heeft verleend aan het oprichten van vele bouwwerken ter plaatse, hoewel voor het betrokken plangebied geen bouwmogelijkheden bestonden. Daarentegen is de bouwvergunning voor het oprichten van twee botenloodsen van [appellant sub 2] geweigerd.

Het college heeft dit aspect niet in het besluit op bezwaar betrokken en is er ook ter zitting niet in geslaagd een afdoende verklaring te geven voor het feit dat in het verleden in strijd met de bestemming "Watersportterrein" ter plaatse vele bouwwerken zijn toegestaan, maar geen medewerking kon worden verleend aan het bouwplan voor de botenloodsen van [appellant sub 2]. Daarbij is van belang dat dit bouwplan meer in overeenstemming is met de bestemming "Watersportterrein" dan andere toegestane bouwwerken, zoals veestallen, woningen en garages. Ook heeft het college geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat het recent medewerking heeft verleend aan de uitbreiding van het metaalbewerkingsbedrijf op het perceel [locatie], onder meer door dit bedrijf in het bestemmingsplan "Krommeniedijk" positief te bestemmen, terwijl niet is weersproken dat dit bedrijf in strijd met de bestemming "Watersportterrein" is opgericht. Bij gebreke van een deugdelijke motivering valt niet in te zien waarom bij de weigering om aan [appellant sub 2] vrijstelling te verlenen wordt tegengeworpen dat zijn bouwplan ongewenst bijdraagt aan verdere verdichting van het bebouwingslint en in die zin strijdig is met het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid ten aanzien van het gebied, waar die omstandigheid niet aan toestemming voor andere bouwplannen in de weg stond.

Onder deze omstandigheden is het besluit waarbij de vrijstelling en de bouwvergunning voor het bouwplan van [appellant sub 2] is geweigerd in strijd met het vereiste van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.4. Zowel het hoger beroep van [appellant sub 2], als het hoger beroep van het college is ongegrond, nu de beslissing van de rechtbank in stand blijft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze berust. Het college dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling een nieuw besluit te nemen.

2.5. Nu het besluit op bezwaar voor vernietiging in aanmerking kwam, dient het college op hierna te melden wijze te worden veroordeeld in de vergoeding van de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt;

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

414-641.