Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201006966/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft het college aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van een voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats] verleende milieuvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/1676

Uitspraak

201006966/1/M2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft het college aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van een voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats] verleende milieuvergunning.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster]bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2010, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekster], het college en [belanghebbende] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 augustus 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door E.W. Hassink, werkzaam bij de gemeente, J. van Drunen en H.K. Jeurink, zijn verschenen.

Voorts zijn [belanghebbende] en anderen als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de voorschriften 1.1, 1.3 en 4.1, verbonden aan de bij besluit van 20 november 2007 voor de inrichting krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning, worden overtreden. Op grond van deze voorschriften, voor zover hier van belang, moet stal F zijn voorzien van een chemische luchtwasser. Het college stelt dat [verzoekster] in stal F legkippen houdt zonder dat deze stal is voorzien van een chemische luchtwasser. De bij het bestreden besluit opgelegde last strekt ertoe het gebruik van stal F te beëindigen en beëindigd te houden door de kippen uit stal F te verwijderen.

2.2. [verzoekster] betwist de overtreding niet, maar betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aan handhavend optreden in de weg staan. Volgens haar bestaat er concreet uitzicht op legalisatie nu zij een aanvraag om een revisievergunning heeft ingediend en het college op 14 juli 2010 een ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegd, waaruit blijkt dat het college voornemens is de gevraagde vergunning te verlenen. Zij stelt in dit verband verder dat zij recent voorzieningen heeft getroffen om stal F vooruitlopend op de te verlenen vergunning te voorzien van een ander huisvestingssysteem. Volgens haar is handhavend optreden in verhouding tot de daarmee gediende belangen in dit geval onevenredig, omdat dat optreden zal leiden tot de vernietiging van duizenden kippen.

2.2.1. Vast staat dat door [verzoekster] is gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.2. Voor het bestaan van concreet uitzicht op legalisatie is van belang dat de aanvraag om vergunning strekt tot legalisatie van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestaande, niet vergunde, situatie.

De aanvraag om revisievergunning, voor zover hier van belang, strekt tot het houden van legkippen in stal F, waarbij deze stal is voorzien van het huisvestingssysteem E 2.11.1 als bedoeld in de Regeling ammoniak en veehouderij. De situatie waarop de last onder dwangsom ziet - het gehuisvest zijn van kippen in de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit traditionele stal F - komt niet overeen met deze nieuwe, eventueel te vergunnen situatie. Anders dan [verzoekster] stelt is er daarom geen concreet uitzicht op legalisatie.

In hetgeen [verzoekster] voor het overige heeft aangevoerd ziet de voorzitter evenmin aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het afzien van handhavend optreden. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat door het college onweersproken is gesteld dat [verzoekster] er in het verleden meerdere malen op gewezen is dat zij geen kippen mag houden in stal F, zo lang de gevraagde vergunning nog niet is verleend en zo lang de stal niet in overeenstemming is gebracht met de eerder vergunde situatie.

In zoverre is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. [verzoekster] voert aan dat de hoogte van de dwangsom disproportioneel is. Zij stelt dat het te behalen voordeel van het niet voldoen aan de last lager is dan het bedrag van de dwangsom. Bovendien heeft het college volgens haar ten onrechte niet gemotiveerd waarom de dwangsom ineens wordt verbeurd.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat het vanwege de ernst van de overtreding, na afweging van alle betrokken belangen, heeft gekozen voor een dwangsom ineens. De hoogte van het bedrag is gerelateerd aan het financiële voordeel dat [verzoekster] heeft bij de voortzetting van de illegale situatie en vormt volgens het college een voldoende prikkel om de overtreding ongedaan te maken.

2.4.1. De dwangsom is vastgesteld op € 50.000,00 ineens wanneer niet, niet volledig of niet tijdig wordt voldaan aan de last binnen de gestelde termijn. Dat is tevens het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

2.4.2. De voorzitter ziet in het betoog van [verzoekster] geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.5. [verzoekster] stelt dat de termijn waarbinnen de overtreding moet worden beëindigd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd (hierna: de begunstigingstermijn) te kort is. Volgens haar is het onmogelijk om binnen de gestelde termijn 23.500 kippen af te voeren naar een slachterij.

2.6. De begunstigingstermijn loopt op 10 augustus 2010 af. Ter zitting is gebleken dat het college deze termijn heeft gebaseerd op de veronderstelling dat de leghennen binnen een week kunnen worden gevangen door een vangbedrijf, waarna ze mogelijk elders kunnen worden ondergebracht. Blijkens het verhandelde ter zitting is de mogelijkheid om de leghennen elders onder te brengen door het college niet nader onderzocht en duurt het ongeveer zes weken totdat de leghennen kunnen worden afgevoerd naar een slachterij. Onder deze omstandigheden acht de voorzitter de stelling van [verzoekster] dat de begunstigingstermijn te kort is, mede gezien het aantal dieren dat moet worden afgevoerd, niet onaannemelijk. De voorzitter ziet hierin aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover [verzoekster] heeft verzocht om een vergoeding van de reiskosten, overweegt de voorzitter dat slechts haar rechtsbijstandverlener ter zitting aanwezig was en zijn reiskosten reeds zijn inbegrepen in de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat de in het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel van 15 juli 2010, kenmerk VROM/EHk, opgenomen begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 september 2010;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2010

407-632.