Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201001217/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het college een verzoek van Rova om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201001217/1/H2.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rova Beheer B.V. (hierna: Rova), gevestigd te Maarssen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 december 2009 in zaak nr. 08/4926 in het geding tussen:

Rova

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het college een verzoek van Rova om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het college het door Rova daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Rova daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Rova bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Rova heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2010, waar Rova, vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, juridisch adviseur te Amsterdam, vergezeld door J. de Leeuw, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Logtmeijer, werkzaam bij de gemeente Alphen aan den Rijn, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 juli 2008 luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts in het geval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.3. Rova is eigenaar van een bedrijfsloods en bijbehorende gronden, gelegen aan de Eikenlaan 227a/229 te Alphen aan den Rijn, op de percelen, kadastraal bekend gemeente Alphen aan den Rijn, sectie A, nummers 6189, 6779, 6780 en 7417 (hierna: de percelen). Aan het verzoek om vergoeding van planschade is ten grondslag gelegd dat een bestemmingsplanwijziging tot een waardevermindering van de percelen heeft geleid. Het college heeft het verzoek om vergoeding van planschade ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) die heeft geadviseerd het verzoek af te wijzen. Het college heeft het advies van de SAOZ van december 2007 (hierna: het advies) gevolgd en aan het besluit van 24 januari 2008 ten grondslag gelegd.

2.4. Rova betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van een verslechtering in de gebruiksmogelijkheden van de percelen. Daartoe voert zij aan dat alle vormen van groothandel in het nieuwe bestemmingsplan zijn uitgesloten en de daarin opgenomen mogelijkheid tot het verlenen van vrijstelling voor detailhandel, gelet op het ter zake door het college gevoerde beleid, niet zal worden toegepast.

2.4.1. In het advies is ten aanzien van de vestiging van groothandel en industrie vermeld dat, gezien het grote scala aan bedrijven in milieucategorie 1, 2 en 3 die zijn toegestaan en de mogelijkheid van vrijstelling hiervan, het nieuwe bestemmingsplan niet tot een zodanige beperking van de vestigingsmogelijkheden leidt, dat daardoor een waardevermindering is ontstaan die op de voet van artikel 49 van de WRO voor vergoeding in aanmerking zou komen. Rova heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het advies op dit punt onjuist is.

Voorts heeft Rova niet aannemelijk gemaakt dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid valt uit te sluiten dat het college gebruik zal maken van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling voor detailhandel. Voor zover het college ter zake een stringent beleid voert, zoals Rova betoogt, laat dat onverlet dat er geen wettelijke voorschriften zijn die aan gebruikmaking van deze bevoegdheid in de weg staan en niet aannemelijk is dat uitgesloten moet worden geacht dat een belangenafweging tot gevolg heeft dat het college daartoe overgaat.

Het betoog faalt.

2.5. Rova betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vastgestelde vermindering van de bebouwingsmogelijkheden op de percelen niet tot schade in de vorm van waardevermindering heeft geleid. Daartoe voert zij aan dat, gezien de beperking van het te bebouwen grondoppervlak en van de bouwhoogte, in het advies is miskend dat minder bouwlagen zijn te realiseren en dit een halvering van het verhuurbare vloeroppervlak heeft veroorzaakt. Voorts voert zij aan dat als gevolg van de bestemmingsplanwijziging geen dienstwoningen meer mogen worden opgericht.

2.5.1. Volgens het in zoverre niet bestreden advies van de SAOZ is het voor het optimaal benutten van de bebouwingsmogelijkheden van het oude bestemmingsplan noodzakelijk om de bestaande bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen en is de waarde van de percelen met de bestaande bebouwing hoger dan de residuele grondwaarde na het slopen van de bestaande bebouwing en het oprichten van nieuwbouw. Dat onder het oude bestemmingsplan nieuwbouw met meer bouwlagen en een groter verhuurbaar vloeroppervlak kon worden gerealiseerd, zoals Rova stelt, betekent niet dat zij door de mindere bebouwingsmogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan schade lijdt omdat de percelen op de peildatum in bebouwde toestand een hogere waarde vertegenwoordigen dan de grondwaarde voor de meest optimale bebouwing. De percelen worden door de planologische wijziging niet in hun hoogste waarde aangetast.

In het advies is voorts uiteengezet dat het oprichten van dienstwoningen, uitgaande van berekening van de residuele grondwaarde, in de oude situatie evenmin tot een hogere waarde had geleid, omdat het oprichten van dienstwoningen tot een kleiner verhuurbaar vloeroppervlak en lagere opbrengst leidt en beperkingen ten aanzien van de aard van de toegestane bedrijvigheid kan opleveren. Rova heeft geen deskundigenrapport overgelegd om dit te weerleggen. De kritische kanttekeningen die zij bij het advies heeft geplaatst, leveren op zichzelf geen concrete aanknopingspunten op voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies, zodat het college daarop mocht afgaan.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

452.