Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201000693/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2008 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om kennisneming van bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) aanwezige gegevens betreffende haar overleden vader gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201000693/1/H3.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 december 2009 in zaak nr. 09/3368 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2008 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om kennisneming van bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) aanwezige gegevens betreffende haar overleden vader gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft de minister aan [appellante] een aantal documenten verstrekt waarin de namen van haar moeder en grootvader niet langer zijn weggelaten.

Bij uitspraak van 9 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2010.

Bij brief van 4 maart 2010 heeft de minister een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 maart 2010 heeft [appellante] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de Wiv).

Bij brief van 22 juni 2010 heeft de minister op verzoek van de Afdeling de door [appellante] gevraagde gegevens overgelegd in de vorm waarin zij deze heeft kunnen inzien.

Buiten bezwaar van de minister heeft [appellante] ter zitting nog een stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [zuster] en door I.L. Vuijsje, historicus, en de minister, vertegenwoordigd door mr. O.J. Elbertsen, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wiv, voor zover thans van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder dienst verstaan: de AIVD.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder b, dragen de hoofden van de diensten zorg voor de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn.

Ingevolge artikel 45 kan, onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3 verstrekte gegevens, van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 (artikel 45-57).

Ingevolge artikel 47, eerste lid, eerste volzin, deelt de betrokken minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, is artikel 47 van overeenkomstige toepassing op een aanvraag met betrekking tot persoonsgegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve van een dienst ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager.

Ingevolge artikel 53, eerste lid, wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 47 in ieder geval afgewezen, indien:

a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:

1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,

2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en

3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek;

b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.

Ingevolge het tweede lid wordt, indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.

Ingevolge artikel 54 is artikel 53 van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 50 met dien verstande dat in artikel 53 voor "de aanvrager" wordt gelezen: de overleden persoon.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 51 afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft de nationale veiligheid zou kunnen schaden.

Ingevolge het vierde lid is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 47 onderscheidenlijk 50, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 53 onderscheidenlijk 54.

2.2. Bij de besluiten van 28 november 2008 en 26 maart 2009 heeft de minister aan [appellante] een aantal documenten, inhoudende niet-actuele gegevens betreffende haar vader, verstrekt met weglating van verschillende passages. De minister heeft volledige inzage in de desbetreffende documenten geweigerd, omdat daardoor bronnen of nog actuele werkwijzen van de AIVD bekend zouden kunnen worden, hetgeen de nationale veiligheid zou kunnen schaden. De minister heeft daarnaast gesteld dat artikel 45 van de Wiv in de weg staat aan verstrekking van persoonsgegevens van derden. Voorts heeft de minister uitdrukkelijk geen mededeling gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van actuele gegevens betreffende de vader van [appellante].

Ter zitting heeft de minister verklaard dat hij zich niet langer op het standpunt stelt dat de documenten gegevens bevatten waaruit nog actuele werkwijzen van de AIVD kunnen worden afgeleid.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister niet meer niet-actuele gegevens diende te verstrekken dan is geschied. Zij voert daartoe aan dat, gelet op de ouderdom van de verstrekte documenten, alsmede op haar persoonlijk belang en het historisch belang bij het volledig kennis kunnen nemen van deze documenten, er geen reden is om vast te houden aan de geheimhouding van de daarin vermelde bronnen en persoonsgegevens van derden. De weigering om deze gegevens te verstrekken, is volgens haar in ieder geval niet deugdelijk gemotiveerd, nu de minister heeft nagelaten om per weggelaten passage de van toepassing zijnde weigeringsgrond te vermelden. Daarbij wijst zij erop dat de in artikel 53, tweede lid, van de Wiv neergelegde bevoegdheid om met een algemene motivering te volstaan, niet van toepassing is op een weigering om niet-actuele gegevens te verstrekken. Onder verwijzing naar literatuur omtrent de werkwijze van de voorloper van de AIVD voert zij ten slotte aan dat aannemelijk is dat zich bij de AIVD nog meer documenten met niet-actuele gegevens betreffende haar vader bevinden.

2.3.1. Op 16 juni 2010 heeft de minister documenten met gegevens betreffende de vader van [appellante], welke zich bij de AIVD bevinden, ter beschikking gesteld van de Afdeling. Na met toestemming van [appellante] ingevolge artikel 87, eerste lid, van de Wiv kennis te hebben genomen van deze documenten, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister aan [appellante] alle gegevens uit deze documenten heeft verstrekt die hij ingevolge de Wiv mocht verstrekken. De niet verstrekte passages betreffen persoonsgegevens van derden en gegevens omtrent bronnen. Ingevolge artikel 45 van de Wiv kan slechts overeenkomstig hoofdstuk 4 van deze wet worden kennisgenomen van door of ten behoeve van de AIVD verwerkte gegevens. In dat hoofdstuk is in de artikelen 47 en 50 aan een ieder het recht toegekend om kennis te nemen van hem betreffende persoonsgegevens, onderscheidenlijk persoonsgegevens van naaste familieleden die overleden zijn, doch is niet voorzien in een mogelijkheid om kennis te nemen van persoonsgegevens van derden. Ten aanzien van de gegevens omtrent bronnen is van belang dat de AIVD zijn wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief kan uitoefenen. Indien de AIVD de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen, waartoe artikel 15, aanhef en onder b, van de Wiv verplicht, niet kan waarborgen, dan gaat dit ten koste van het goed functioneren van de AIVD en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de AIVD is opgericht. Nu ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wiv, gelezen in verbinding met het vierde lid, geen gegevens mogen worden verstrekt voor zover de nationale veiligheid daardoor geschaad zou kunnen worden, was de minister gehouden om verstrekking van de gegevens omtrent bronnen te weigeren. De ouderdom van de gegevens betreffende derden en bronnen en de aangevoerde belangen bij kennisneming daarvan laten de wettelijke onmogelijkheid om deze gegevens te verstrekken onverlet.

In de besluiten van 28 november 2008 en 26 maart 2009 is uiteengezet waarom de Wiv zich verzet tegen verstrekking van persoonsgegevens van derden en gegevens omtrent bronnen. Met de rechtbank wordt overwogen dat de weigering om deze gegevens te verstrekken aldus op een voldoende draagkrachtige motivering berust en dat de minister niet gehouden was om per weggelaten passage de desbetreffende weigeringsgrond te vermelden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de vraag of een document persoonsgegevens van derden en gegevens omtrent bronnen bevat, niet meer dan een feitelijke vaststelling van de minister vergt, welke door de rechter kan worden gecontroleerd.

De Afdeling onderschrijft tot slot het oordeel van de rechtbank dat geen grond bestaat voor het oordeel dat meer gegevens bij de AIVD aanwezig zijn die [appellante] ten onrechte zijn onthouden.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

582.