Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
200901943/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westland bij besluit van 27 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ontsluitingsweg Wateringveldsche Polder".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901943/1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A], gevestigd te [plaats], en [appellant sub 1B] en [appellante sub 1C] (hierna: [appellant sub 1] en anderen), wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westland bij besluit van 27 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ontsluitingsweg Wateringveldsche Polder".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2009, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 maart 2009.

[appellant sub 1] en anderen hebben een bedrijfsrapport met bijlagen gedateerd 2 oktober 2008 en een aanvullende notitie met bijlagen gedateerd 23 april 2009, beide opgesteld door Flynth accountants, overgelegd.

Daarbij hebben [appellant sub 1] en anderen voor deze stukken verzocht om geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij beslissing van 4 augustus 2009 heeft een andere kamer van de Afdeling het verzoek om geheimhouding gedeeltelijk ingewilligd. Desgevraagd hebben [appellant sub 2] en anderen en de raad toestemming verleend om mede op grondslag van de geheim te houden informatie uitspraak te doen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2010, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. drs. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.A. de Oude, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.T.F. Vermeulen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voort is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. van Strien, J. den Heijer en C. Menheer, bijgestaan door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, R.J.H. van Kester, werkzaam bij Agro AdviesBuro en D.C. van der Wel, werkzaam bij Vellekoop Makelaardij.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan maakt de aanleg mogelijk van de verbindingsweg Wateringveldsche Polder. Deze verbindingsweg maakt onderdeel uit van de nieuwe infrastructuur die in de gemeente Westland wordt gerealiseerd ter verbetering en herstructurering van het glastuinbouwgebied. Met de verbindingsweg wordt beoogd de ontsluiting van het glastuinbouwgebied Wateringveldsche Polder en het bedrijventerrein Bovendijk in Kwintsheul te verbeteren en de kern Kwintsheul te ontlasten.

Noodzaak

2.3. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen betwisten de noodzaak van de verbindingsweg. [appellant sub 1] en anderen voeren in dit verband aan dat de herstructurering van het glastuinbouwgebied reeds plaatsvindt, onafhankelijk van de aanleg van de verbindingsweg. Bovendien neemt volgens hen de behoefte aan de verbindingsweg juist af vanwege de herstructurering, nu als gevolg daarvan de glastuinbouwbedrijven in het noordoosten van de Wateringveldsche polder via de Middenzwet aansluiten op de Veilingroute. [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte is gesteld dat het plan zal leiden tot herstructurering van het glastuinbouwgebied, aangezien de huidige toegangsweg naar hun bedrijf na aanleg van de verbindingsweg niet kan worden opgeheven.

2.3.1. Het college heeft ingestemd met het standpunt van de raad dat de gewenste herstructurering en schaalvergroting binnen het glastuinbouwgebied wordt belemmerd door de sterk verouderde interne ontsluiting van het glastuinbouwgebied. Zo zijn de slecht onderhouden wegen smal, met krappe bochten en veelal in eigendom van aanliggende eigenaren. Verder is de aansluiting op provinciale en rijkswegen slecht. De verbindingsweg biedt een directe verkeersontsluiting naar het provinciaal wegennet en daarmee een kortere route naar de veiling buiten de kern van Kwintsheul om. Met de verbindingsweg wordt voorts het bedrijventerrein Bovendijk buiten de kern Kwintsheul om ontsloten. Hierdoor zal de verkeersveiligheid in Kwintsheul en op de Dorpskade in Wateringen verbeteren. De weg is voorts noodzakelijk om het gebied geschikt te maken voor herstructurering en schaalvergroting van de glastuinbouwbedrijven; door de aanleg van een centrale verbindingsweg kunnen bestaande tuinderslanen met daarop rustende erfdienstbaarheden die schaalvergroting in de weg staan, worden opgeheven.

2.3.2. De vertegenwoordiger van de raad heeft ter zitting toegelicht dat de bestaande ontsluitingsroute naar de veiling omrijden vergt waardoor veel vrachtverkeer via de kern van Kwintsheul naar de veiling rijdt. Hoewel de route naar de veiling via de verbindingsweg in afstand langer is dan de route via Kwintsheul, is de route via de verbindingsweg in tijd gunstiger omdat het een rechtstreekse verbinding betreft. Gelet hierop zal het vrachtverkeer naar verwachting voor de verbindingsweg kiezen, waardoor de verkeersveiligheid in Kwintsheul en Wateringen zal verbeteren, in het bijzonder ter hoogte van de rotonde op het kruispunt Heulweg-Dorpskade, welke niet is berekend op het vele vrachtverkeer. De vertegenwoordiger van de raad heeft voorts toegelicht dat de aanleg van nieuwe ontsluitingswegen in omliggende glastuinbouwgebieden heeft geleid tot herstructurering en schaalvergroting in die gebieden. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting toegelicht dat een ontsluitingsroute via de N211 niet mogelijk is. In verband met de verkeersveiligheid en de doorstroming is het aantal aansluitingen op die weg beperkt en is het niet mogelijk een extra aansluiting op die weg te realiseren.

2.3.3. Uit het bovenstaande volgt dat het vrachtverkeer van de glastuinbouwbedrijven naar de veiling en vice versa en het verkeer van en naar het bedrijventerrein Bovendijk zorgen voor verkeersonveilige situaties in de kernen Wateringen en Kwintsheul en voorts dat de verbindingsweg het glastuinbouwgebied en het bedrijventerrein buiten die kernen om ontsluit, waardoor de verkeersveiligheid in de kernen verbetert. De omstandigheid dat als gevolg van het plan voor [appellant sub 2] en anderen geen mogelijkheid tot schaalvergroting ontstaat, leidt er niet toe dat in zijn algemeenheid niet kan worden geoordeeld dat de verbindingsweg herstructurering en schaalvergroting in het glastuinbouwgebied stimuleert. Gelet hierop acht de Afdeling nut en noodzaak van de verbindingsweg voldoende onderbouwd.

Verkeerskundige gevolgen

2.4. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de verbindingsweg leidt tot congestie op de Veilingweg en tot meer verkeer door Kwintsheul. Verder is de aansluiting van de verbindingsweg op de Veilingweg door middel van een rotonde vlak na de brug over de Lange Watering volgens hen verkeersonveilig, omdat de weg door de verhoging over de brug niet overzichtelijk is. [appellant sub 2] en anderen stellen dat de rotonde onvoldoende capaciteit zal hebben om de toekomstige verkeersstroom af te wikkelen. Verder zijn zij van mening dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties op de Middenzwet.

2.4.1. Het college heeft ingestemd met het standpunt van de raad dat de verkeersveiligheid is gewaarborgd nu het tracé van de verbindingsweg inclusief de rotonde voldoet aan de uitgangspunten van het concept 'Duurzaam Veilig' en aan de eisen neergelegd in het provinciale handboek Ontwerpcriteria Wegen. Verder stelt het college zich op het standpunt dat uit de notitie 'Toetsing zichtbaarheid rotonde ontsluitingsweg Wateringveldsche Polder/N222' van 22 januari 2006 (hierna: de notitie), opgesteld door Van der Wal en Partners, blijkt dat de locatie voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld met betrekking tot de zichtbaarheid. De twee aansluitingen van de Middenzwet op de verbindingsweg leiden evenmin tot verkeersonveiligheid. Het college heeft hierbij in aanmerking genomen dat op het noordwestelijk deel van de Middenzwet vier uitwijkplaatsen worden aangelegd waar vrachtwagens elkaar kunnen passeren.

2.4.2. Het Handboek Wegontwerp van het kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW bevat richtlijnen voor de concrete inrichting van wegen. In het handboek is een methode voor de berekening van de zichtafstanden opgenomen. In het deskundigenbericht staat dat deze methode in de notitie correct is toegepast. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rotonde vanwege diens situering en zichtbaarheid zal leiden tot verkeeronveilige situaties.

2.4.2.1. Aan het plan ligt verder ten grondslag het verkeerskundig onderzoek 'Verbindingsweg Wateringveldsepolder' van 28 november 2005, opgesteld door Goudappel Coffeng (hierna: het verkeerskundig onderzoek). In dat onderzoek is geconcludeerd dat een enkelstrooks rotonde voldoende capaciteit heeft om de verkeersintensiteit ter plaatse van de aansluiting van de verbindingsweg op de Veilingroute af te wikkelen.

In de door [appellant sub 2] en anderen overgelegde contra-expertise van 19 mei 2009, opgesteld door TNO, staat, voor zover thans van belang, dat de beschikbare etmaalgegevens lijken aan te geven dat ter plaatse van de aansluiting van de verbindingsweg op de Veilingroute geen capaciteitsproblemen voorkomen, maar dat in de spits capaciteitsproblemen mogelijk wel een rol kunnen spelen. Nu deze stelling niet nader is onderbouwd, heeft het college daarin geen aanleiding hoeven zien voor twijfel aan de juistheid van de in het verkeerskundig onderzoek neergelegde conclusie.

In het verkeerskundig onderzoek is verder berekend dat vanwege de aanleg van de verbindingsweg het aantal motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etm) ter hoogte van de Kerkstraat in Kwintsheul met 4% toeneemt. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad toegelicht dat dit wordt verklaard door het feit dat als gevolg van de aanleg van de verbindingsweg de kortste route van Kwintsheul naar de A4 voor personenverkeer via de Kerkstraat loopt. In het deskundigenbericht staat hieromtrent dat een toename van het aantal motorvoertuigen per etmaal met 4% geen grote invloed heeft op de verkeersdruk in Kwintsheul. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling met betrekking tot dit punt geen aanleiding voor het oordeel dat de verbindingsweg zal leiden tot verkeerskundige problemen in Kwintsheul.

2.4.2.2. De Middenzwet zal op twee plaatsen worden aangesloten op de verbindingsweg. In het verkeerskundig onderzoek staat dat de huidige verkeersdruk op de Middenzwet nabij de Veilingroute ongeveer 900 mvt/etm bedraagt. In het deskundigenbericht staat in dit verband dat het aannemelijk is dat het verkeer van en naar de Wateringveldsche Polder van beide aansluitingen op de Middenzwet gebruik zal maken. De genoemde verkeersdruk zal zich derhalve verspreiden over deze twee aansluitingen. Op het zuidoostelijk deel van de Middenzwet kunnen twee vrachtwagens elkaar passeren zonder uit te hoeven wijken. Het noordwestelijke deel van de Middenzwet is minder breed, maar door de aanleg van vier uitwijkplaatsen ter plaatse wordt de verkeersveiligheid afdoende gewaarborgd.

Nu [appellant sub 2] en anderen dit standpunt niet gemotiveerd hebben bestreden, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van de verbindingsweg zal leiden tot verkeersonveilige situaties op de Middenzwet.

Bedrijfseconomische gevolgen [appellant sub 1] en anderen

2.5. [appellant sub 1B] en [appellante sub 1C] exploiteren een potplantenbedrijf op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Zij wonen tevens op voornoemd perceel. Het perceel heeft een omvang van ongeveer 3,7 hectare, de glasopstanden beslaan ongeveer 2,4 hectare. Voor de realisering van het plan dienen de bedrijfswoning en over een lengte van 230 meter ongeveer 10 m¹ aan glasopstanden te worden afgebroken. [appellant sub 1] en anderen stellen dat dit afbreuk doet aan de symmetrie van het bedrijf en dat zij daardoor onevenredig in hun belangen worden geschaad. Hiertoe wordt aangevoerd dat het bedrijf volledig geautomatiseerd is, hetgeen een symmetrische indeling van de plantvakken vereist. Er zullen dan ook zeer grote investeringen nodig zijn om het bedrijf weer symmetrisch te maken. Tevens wordt de lengte-breedte verhouding van het bedrijf ongunstiger als gevolg van het plan. Onder verwijzing naar een rapport van Flynth accountants en adviseurs stellen zij verder dat het bedrijf niet meer rendabel zal kunnen worden geëxploiteerd als gevolg van de ingreep; de kosten van automatisering per m² worden te hoog indien het glasareaal afneemt. Zij wijzen er voorts op dat thans in de glastuinbouw een schaalvergroting plaatsvindt en dat ook hun bedrijf in de toekomst zal moeten uitbreiden. Het plan staat een dergelijke schaalvergroting in de weg. Verder stellen zij dat het glastuinbouwbedrijf zonder bedrijfswoning incompleet is en achten zij herbouw van de bedrijfswoning op de resterende gronden niet haalbaar. Zij wijzen er voorts op dat de gemeente Westland en de provincie Zuid-Holland voornemens zijn de gronden tussen de verbindingsweg en de Lange Watering, waarvan de gronden van [appellant sub 1] en anderen deel uit maken, in de nabije toekomst als natuurgebied in te richten. Gelet op het vorenstaande zijn [appellant sub 1] en anderen van mening dat hun gehele bedrijf had moeten worden wegbestemd.

2.5.1. De Afdeling verstaat het aangevoerde als zijnde gericht tegen de begrenzing van het plan. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van doorslaggevende betekenis dat de vertegenwoordiger van de raad ter zitting heeft toegezegd dat zal worden overgegaan tot verwerving van het gehele bedrijf van [appellant sub 1] en anderen inclusief de bedrijfswoning op minnelijke basis dan wel op basis van artikel 38 van de Onteigeningswet.

Bedrijfseconomische gevolgen [appellant sub 2] en anderen

2.6. [appellant sub 2] en anderen exploiteren een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 2]. Het bedrijf omvat ongeveer 4,5 hectare aan glasopstanden. [appellant sub 2] en anderen stellen dat zij worden beperkt in hun bedrijfsvoering als gevolg van het plan. Hiertoe wordt aangevoerd dat de verbindingsweg is voorzien op de onbebouwde percelen aan de zuidwestzijde van de kassen, waardoor uitbreiding van de glasopstanden niet langer mogelijk is. Daardoor kan tevens niet worden geprofiteerd van het bijkomende effect van de uitbreiding van de glasopstanden op die gronden, zijnde beperking van de windschade die thans wordt ondervonden. Verder voorziet het plan ter plaatse van het waterbassin aan de zuidoostzijde van de kassen in een aansluiting van de Middenzwet op het tracé van de verbindingsweg, waardoor de mogelijkheden voor wateropslag worden gehalveerd.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het verlies van het waterbassin kan worden gecompenseerd door het plaatsen van een aantal silo's op de resterende strook grond en in de kas. Deze silo's zullen gedurende de ochtenduren enigszins zonlicht wegnemen uit de kassen. Een andere mogelijkheid is het afbreken van een deel van de huidige kas om plaats te maken voor een waterbassin. Hierdoor gaat een oppervlak van ongeveer 2.000 m² van de in totaal 48.000 m² aan teeltruimte verloren. Gelet op de cijfers van het Landbouw Economisch Instituut is het bedrijf met dit verminderd teeltoppervlak nog rendabel te exploiteren, waarbij de raad in aanmerking neemt dat [appellant sub 2] en anderen volledig schadeloos zullen worden gesteld en dat daarin is begrepen inkomstenderving als gevolg van het feit dat schaalvergroting niet langer mogelijk is.

2.6.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat uitbreiding van de glasopstanden niet langer mogelijk is als gevolg van het plan, overweegt de Afdeling dat gesteld noch gebleken is dat [appellant sub 2] en anderen concrete uitbreidingsplannen bij de raad bekend hebben gemaakt waar de raad bij de vaststelling van het plan rekening mee diende te houden. Het college heeft voorts in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van de raad dat het plaatsen van silo's ter vervanging van het waterbassin, dan wel het afbreken van een deel van de bestaande kas om plaats te maken voor een waterbassin, geen onevenredig nadelig effect zal hebben op de bedrijfsvoering. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 2] en anderen volledig schadeloos zullen worden gesteld.

Luchtkwaliteit

2.7. [appellant sub 2] en anderen stellen, onder verwijzing naar de door hen overgelegde notitie van L. Reijnders van 19 november 2007, dat het aan het plan ten grondslag liggende luchtkwaliteitsonderzoek ondeugdelijk is.

2.7.1. De Afdeling stelt vast dat de hierboven genoemde notitie betrekking heeft op het verkeerskundig onderzoek. In dat onderzoek is getoetst aan het destijds geldende Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005). Naar aanleiding van de inwerkintreding op 15 november 2007 van de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), waarbij het Blk 2005 is ingetrokken, is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd, waarbij is getoetst aan titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de daarbij behorende regelgeving. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Update onderzoek luchtkwaliteit Verbindingsweg Wateringsepolder" van 25 maart 2008, eveneens opgesteld door Goudappel Coffeng (hierna: het aanvullende rapport) en daarin wordt geconcludeerd dat de in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer neergelegde grenswaarden in 2010 en 2018 niet zullen worden overschreden. [appellant sub 2] en anderen hebben de juistheid van dit aanvullende rapport niet betwist. Gelet hierop en gezien de inhoud van het aanvullende rapport ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van de juistheid van het aanvullende luchtkwaliteitsonderzoek heeft kunnen uitgaan.

Geluid

2.8. [appellant sub 2] en anderen vrezen voorts voor geluidhinder vanwege de voorziene verbindingsweg. Zij voeren hiertoe aan dat de etmaalintensiteit met 5% of meer is onderschat nu is uitgegaan van een ochtend- en avondspits van één uur. Verder had volgens hen bij de modelberekening gebruik moeten worden gemaakt van een dynamisch model in plaats van een statisch model, vanwege de mogelijke fileterugslag van de A4.

2.8.1. In het deskundigenbericht staat, voor zover thans van belang, dat een toename van de verkeersintensiteit met 5% in zijn algemeenheid slechts leidt tot een toename van de geluidsbelasting met 0,2 dB. Gelet hierop is het aannemelijk dat een mogelijke fileterugslag van de A4 niet zal leiden tot een zodanige verhoging van de verkeersintensiteit dat niet meer aan de Wet geluidhinder kan worden voldaan. Voorts is het gebruikelijk dat voor de prognoses van de omvang van verkeersintensiteiten een statisch model wordt gebruikt. Een dynamisch model wordt volgens het deskundigenbericht toegepast in de situatie dat meer precieze informatie gewenst is over het verloop van de te verwachten verkeersstromen in een zeer klein gebied, zoals een kruispunt met directe omgeving.

2.8.2. [appellant sub 2] en anderen hebben het deskundigenbericht, zoals hierboven weergegeven, niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om het deskundigenbericht in zoverre niet te volgen. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat het asfalt periodiek moet worden schoongemaakt om het geluidsreducerende effect te behouden, overweegt de Afdeling dat dit een uitvoeringsaspect betreft dat in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 2] en anderen geen onaanvaardbare geluidhinder zullen ondervinden vanwege het plan.

Streekplan

2.9. [appellant sub 2] en anderen stellen verder dat het plan in strijd is met het provinciale streven langs de Lange Watering een ecologische zone te creëren als onderdeel van het groenblauwe raamwerk van de provincie, alsmede met de in het streekplan Zuid-Holland West (hierna: het streekplan) neergelegde doelstelling schaalvergroting in de glastuinbouw te stimuleren.

2.9.1. Het college acht het plan niet in strijd met het streekplan en voert daartoe aan dat de mogelijkheden voor ontwikkelingen binnen de tuinbouwsector zullen toenemen als gevolg van de aanleg van de weg. Verder staat het plan niet in de weg aan de eventuele toekomstige ontwikkeling van een ecologische zone tussen de verbindingsweg en de Lange Watering.

2.9.2. In paragraaf 3.1 van het streekplan staat dat het groenblauwe raamwerk bestaat uit het geheel van internationale, nationale, regionale en stedelijke groengebieden en wateren, inclusief de verbindingen ertussen. In deze gebieden komen natuur, landbouw, recreatie, cultuurhistorie en water in sterk wisselende combinaties voor. Het beleid is erop gericht dit raamwerk robuust en duurzaam te maken. Op kaart 3 "Groenblauw raamwerk" behorende bij het streekplan is het plangebied aangeduid als "glastuinbouwgebied" en "openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen". Verder is aan een deel van het plangebied de aanduiding "Aandachtsgebied water" toegekend.

2.9.3. Voor zover uit de hierboven weergegeven passage uit het streekplan volgt dat ter plaatse van het plangebied een ecologische zone dient te worden aangelegd, is de Afdeling met het college van oordeel dat het plan daaraan niet in de weg staat nu, gelet op het tracé van de verbindingsweg, een ecologische zone kan worden gerealiseerd tussen de verbindingsweg en de Lange Watering.

Anders dan [appellant sub 2] en anderen leidt de Afdeling uit hetgeen in paragraaf 3.5.3 van het streekplan ten aanzien van glastuinbouw staat niet af dat schaalvergroting in de glastuinbouw een provinciale doelstelling is. In die paragraaf staat, voor zover van belang, dat de provincie streeft naar het verbeteren van de ruimtelijke en waterhuishoudkundige kwaliteit van de zogenoemde glas-as en naar transformatie van niet duurzame glastuinbouwgebieden naar andere bestemmingen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het plan daaraan in de weg staat, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre niet strijdig is met het provinciale beleid in het streekplan.

Financiële uitvoerbaarheid

2.10. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is verzekerd. Zij voeren hiertoe aan dat naar aanleiding van hun verzoek aan de gemeente het bedrijf als geheel aan te kopen in het kader van de onteigeningsprocedure, aan hen bij brief van 20 maart 2008 namens de gemeente Westland is medegedeeld dat voor de aankoop van het gehele bedrijf geen financiële middelen voorhanden zijn.

2.10.1. In de memo van 22 juli 2009 en ter zitting is namens de raad toegelicht dat in het kader van de onderhandelingen uit tactische overwegingen aan [appellant sub 1] en anderen is medegedeeld dat de gemeente niet het budget heeft om het bedrijf tegen de door hen gevraagde prijs aan te kopen. In de memo en ter zitting is namens de raad evenwel verzekerd dat voldoende financiële middelen voorhanden zijn om het gehele bedrijf over te nemen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende verzekerd is.

2.11. Volgens [appellant sub 2] en anderen is de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende inzichtelijk gemaakt nu de raad zich baseert op vertrouwelijke gegevens en niet duidelijk is of subsidie kan worden verkregen voor de aanleg van de weg.

2.11.1. De Afdeling overweegt dat het onder bepaalde omstandigheden aanvaardbaar is dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens, die van belang zijn in het kader van de vraag of het plan financieel uitvoerbaar is, niet tezamen met het ontwerpplan ter inzage worden gelegd. In dat geval dient echter wel inzicht te worden gegeven in de uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid en de elementen die in dat onderzoek zijn betrokken.

Aan de hand van de plantoelichting stelt de Afdeling vast dat onderzoek is gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De plantoelichting geeft voorts inzicht in de uitkomsten van dat onderzoek, nu daarin is vermeld dat de kosten onder meer bestaan uit verwervingskosten, sloop- en milieukosten, advies-, notaris- en makelaarskosten en planschadevergoeding. Deze kosten worden gedeeltelijk gedekt door subsidie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en een bijdrage van het Stadsgewest Haaglanden en worden voor het overige door de gemeente Westland gefinancierd uit onder meer de Reserve Bovenwijkse Voorzieningen.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Overigens is ter zitting van de zijde van de raad toegelicht dat zowel het Rijk als de provincie reeds in 2008 gelden ter beschikking heeft gesteld om de weg te realiseren.

Eindconclusie

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.13. Naar aanleiding van hetgeen onder 2.5.1. en 2.10.1. is weergegeven, stelt de Afdeling vast dat de raad zich wat betreft de aankoop van het bedrijf van [appellant sub 1] en anderen hangende deze beroepsprocedure op een ander standpunt heeft gesteld, dan hij daarvoor had ingenomen, althans had kenbaar gemaakt. Nu op dit punt aan de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen is tegemoetgekomen, ziet de Afdeling aanleiding het college op na te melden wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de door [appellant sub 1] en anderen gemaakte kosten verbonden aan het inroepen van deskundigen en ten behoeve van het opstellen van diverse deskundigenrapporten niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu de deskundigenrapporten niet ten behoeve van het onderhavige beroep, maar ten behoeve van de onteigeningsprocedure zijn opgesteld en het inschakelen van de deskundigen niet heeft bijgedragen aan beantwoording van de voor dit geschil belangrijke vragen. Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen ongegrond;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellante sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellante sub 1C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellante sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellante sub 1C] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010

472.