Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
201006858/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4.100 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Regeling) ten aanzien van de inrichting gelegen aan de [locatie], te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/1601
Milieurecht Totaal 2010/3098

Uitspraak

201006858/1/M2.

Datum uitspraak: 9 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoekster B], wonend te [woonplaats], en [bedrijf A], handelend onder de naam [bedrijf B], gevestigd te [plaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Lochem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4.100 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Regeling) ten aanzien van de inrichting gelegen aan de [locatie], te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2010, heeft [verzoeker], de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juli 2010, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. M.H.M. Deppenbroek, advocaat te Doetinchem, en het college, vertegenwoordigd door E. Hegeman en R. de Ruiter, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Tevens is [belanghebbende] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is [bedrijf B], ten aanzien van [verzoeker A] gelast de overtreding van artikel 4.100, eerste lid, van de Regeling te beëindigen door bouwkundige voorzieningen aan te brengen die ingevolge dat artikel zijn vereist.

2.2. [verzoeker] betoogt dat het bestreden besluit aan [bedrijf B] is gericht, een niet bestaande persoon, die als zodanig geen overtreder kan zijn. Dit leidt [verzoeker] af uit de omstandigheid dat de brief van 28 april 2010, waarin het college heeft meegedeeld voornemens te zijn tot oplegging van een dwangsom, was gericht tot [bedrijf C] - een niet bestaande rechtspersoon - en ter attentie van [naam A] - een niet bestaande natuurlijke persoon. Het college had de brieven, voor zover van belang, moeten richten aan [bedrijf A] handelend onder de naam [bedrijf B], ter attentie van [verzoeker A] en [verzoekster B], aangezien zij als vennoten het beiden in hun macht hebben een mogelijke overtreding te beëindigen, aldus [verzoeker].

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de vermeende onduidelijkheid omtrent de adressering van het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen door [verzoeker] zelf is veroorzaakt. Uit correspondentie blijkt dat hij zich in het verleden heeft bekendgemaakt als [naam B] en als [naam A]. Daartoe wijst het college op een door [naam A] namens [bedrijf B] ingediende en ondertekende melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer van 16 september 2003.

2.2.2. Het bestreden besluit is gericht aan [naam A]. De voorzitter acht voldoende duidelijk dat het bestreden besluit tot [verzoeker A] is gericht. Dat het college eerder in de procedure een andere adressering heeft gehanteerd, doet daaraan niet af.

2.2.3. Voor zover [verzoeker] betoogt dat het besluit mede gericht had moeten zijn aan [verzoekster B] overweegt de voorzitter het volgende.

Een besluit tot handhaving dat wordt genomen met betrekking tot een inrichting, is gericht aan de overtreder die het in zijn macht heeft de overtreding te beëindigen.

Dat naast [verzoeker A] mogelijk ook [verzoekster B] overtreder is, noopt, nu de Algemene wet bestuursrecht noch enig andere geschreven of ongeschreven rechtsregel hiertoe verplicht, niet tot het oordeel dat het bestreden besluit tevens gericht had moeten zijn tot [verzoekster B].

2.3. [verzoeker] betoogt dat artikel 4.100, eerste lid, van de Regeling niet van toepassing is gelet op het overgangsrecht zoals neergelegd in artikel 6.8 van de Regeling. Hij voert aan dat na 31 december 2007 binnen de inrichting geen wijzigingen zijn aangebracht die hebben geleid tot een toename van de geurbelasting op gevoelige gebouwen. Voorts betoogt hij dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 4.100, tweede lid, van de Regeling niet van toepassing is.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat binnen de inrichting na 31 december 2007 wijzigingen zijn aangebracht die hebben geleid tot een toename van de geurbelasting op gevoelige gebouwen. Daartoe brengt het naar voren dat tijdens een controlebezoek op 20 mei 2008 is geconstateerd dat sedert het controlebezoek op 25 januari 2008 een ventilator in de gevel van het nieuwe pand was aangebracht. Dit blijkt onder meer uit de brief van 26 mei 2008 gericht aan [bedrijf B], ter attentie van [naam A], aldus het college.

2.3.2. Artikel 4.100, eerste lid, bepaalt dat ten behoeve van het voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, afgezogen dampen en gassen van het zeefdrukken die op de buitenlucht worden geëmitteerd, ten minste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing, worden afgevoerd.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

Artikel 6.8 bepaalt dat ten aanzien van een inrichting die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, voor zover er geen verandering van de inrichting plaatsvindt waarvoor een melding krachtens artikel 1.10 van het besluit benodigd is en voor zover er geen verandering van de inrichting plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op gevoelige gebouwen, de artikelen 4.40, vierde lid, 4.46, vierde lid, 4.64, vierde lid, 4,68, zesde lid, 4.100, eerste lid en 4.107, eerste lid, niet van toepassing zijn.

2.3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat geur vanwege de inrichting waarneembaar is en dat een voorziening, als bedoeld in artikel 4.100, eerste lid, ontbreekt.

Gezien de ter zitting getoonde foto’s en hetgeen overigens ter zitting door partijen naar voren is gebracht, acht de voorzitter het aannemelijk dat [verzoeker] na 31 december 2007 veranderingen binnen de inrichting heeft aangebracht en dat deze veranderingen hebben geleid tot een toename van de geurbelasting op gevoelige gebouwen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 6.8 hier van toepassing is.

Uit ter zitting getoond kaartmateriaal blijkt dat op het bedrijventerrein meer dan één geurgevoelig gebouw per hectare is gelegen, zodat artikel 4.100, tweede lid, niet van toepassing is.

Gezien het vorenstaande is artikel 4.100, eerste lid, anders dan [verzoeker] betoogt, wel van toepassing.

2.4. Nu voorts niet in geschil is dat de inrichting niet aan artikel 4.100, eerste lid, voldoet, is dat artikellid overtreden, zodat het college ter zake bevoegd was handhavend op te treden.

2.4.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.2. De voorzitter ziet in hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig moet worden geacht in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoorde te worden afgezien.

2.5. [verzoeker] stelt dat de dwangsom van € 2.500,00 per week met een maximum van € 10.000,00 onevenredig hoog is, omdat de kosten van de vereiste bouwkundige voorziening ongeveer € 500,00 bedragen, zodat de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot dit voordeel. Bovendien ontstaat geen financieel voordeel voor [verzoeker] wanneer niet voldaan wordt aan de last.

2.5.1. Het college stelt dat het tot de hoogte van de dwangsom is gekomen door uit te gaan van de kosten die zijn gemoeid met het ongedaan maken van de desbetreffende overtreding, vermeerderd met een financiële prikkel.

2.5.2. De voorzitter ziet in het betoog van [verzoeker] geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.6. [verzoeker] stelt dat de begunstigingstermijn, die loopt tot 5 augustus 2010, met het oog op de vakantieperiode te kort is

2.6.1. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, begrijpt de voorzitter dat met een beperkte bouwkundige voorziening aan de last kon worden voldaan. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die voorziening niet binnen de begunstigingstermijn had kunnen worden aangebracht.

2.7. De Voorzitter ziet, gelet op het vorenoverwogene, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2010

375-632.