Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
201005705/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / belangenafweging / vals paspoort/ AC-procedure

Voor het besluit van 14 mei 2010 is gebruik gemaakt van een formulier met het opschrift Model M110-A. Op dit formulier zijn de omstandigheden vermeld op grond waarvan de maatregel in dit geval is gelast, te weten:

"het belang van de openbare orde vordert de inbewaringstelling omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen blijkt uit het feit dat de vreemdeling:

- verdacht wordt van het plegen van een misdrijf;

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000;

- zich niet aangemeld heeft bij de korpschef;

- gebruik maakt/maakte van een vals/vervalst document;

- zich bedient/heeft bediend van een of meerdere aliassen;

- geen vaste woon-/verblijfplaats heeft;

- geen middelen van bestaan".

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de minister voormelde gronden terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Dit is in hoger beroep niet bestreden.

Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de vreemdeling via België naar Schiphol is gereisd, dat zij op doorreis was naar Liverpool, dat zij het valse document en het daarbij behorende alias niet heeft gebruikt om Nederland binnen te komen, en niet de intentie had om hier te lande een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te vragen. Van een met voormelde uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2009 vergelijkbare situatie is dan ook, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande derhalve ten onrechte overwogen dat de minister, naast de gronden van bewaring, niet heeft aangegeven waarom hij in de gegeven situatie de met die maatregel gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan die van de vreemdeling.

De grief slaagt.

De vreemdeling klaagt voorts, zo begrijpt de Afdeling, dat de bewaring na het stopzetten van de aanmeldcentrum-procedure (hierna: AC-procedure) diende te worden opgeheven.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door de minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h.

Ingevolge het vierde lid duurt bewaring krachtens het eerste lid, onder b, of het tweede lid in geen geval langer dan vier weken.

Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan artikel 39, duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan zes weken.

De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200802325/1; www.raadvanstate.nl) dat uit beleidsregels noch enige andere regel kan worden afgeleid dat de omstandigheid dat de AC-procedure zich bij nader inzien niet leent voor de afhandeling van de asielaanvraag betekent dat de staatssecretaris de bewaring, vóór het verstrijken van de in artikel 59, vierde lid, vermelde termijn, dient op te heffen. Aan hem is krachtens paragraaf C11/2.1 van de Vc 2000 de keuze de bewaring in stand te laten, dan wel de bewaring op te heffen en de vreemdeling in een opvangcentrum (hierna: OC) te plaatsen. Voor de overgang van de AC-procedure naar de normale procedure ter afhandeling van een asielaanvraag en het plaatsen van de vreemdeling in een OC zijn geen regels gesteld, hetgeen inhoudt dat daarvoor geen termijn of andere vereisten gelden.

De beroepsgrond faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201005705/1/V3.

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) van 2 juni 2010 in zaak nr. 10/17546 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 juni 2010, verzonden op 3 juni 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 juni 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2009 in zaak nr. 200905604/1/V3 (www.raadvanstate.nl), heeft overwogen dat hij, naast de gronden van bewaring – die niet zonder nadere motivering kunnen dienen ter toelichting van de inbewaringstelling – niet heeft aangegeven waarom in dit geval - waarin het valse paspoort uitsluitend is gebruikt om Nederland uit te reizen en de vreemdeling kort na haar aanhouding te kennen heeft gegeven asiel te willen aanvragen - de met die maatregel gediende belangen zwaarder wegen dan die van de vreemdeling.

De minister voert hiertoe aan dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vorderde. Daartoe verwijst hij naar de gronden van bewaring, die niet langer door de vreemdeling worden bestreden, en op de uit het dossier blijkende omstandigheden dat de vreemdeling niet bij de eerste mogelijkheid die zich voordeed asiel heeft aangevraagd en dat zij van meet af aan niet de intentie had hier te lande een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. De rechtbank heeft ten onrechte de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2009 op de vreemdeling van toepassing geacht, nu de omstandigheden van het geval niet vergelijkbaar zijn, aldus de minister.

2.1.1 Volgens paragraaf A6/5.3.3.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, dient het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in willen dienen of ingediend hebben, zo beperkt mogelijk te geschieden. Het kan hierbij gaan om vreemdelingen die een dergelijke aanvraag indienen/ingediend hebben en waarvan bijvoorbeeld om redenen van manifest bedrog of andere gronden genoemd in A6/5.3.3.1 aangenomen kan worden dat zij zich aan de eventuele uitzetting zullen gaan onttrekken. Ook kan het voorkomen dat een vreemdeling eerst nadat hij in bewaring gesteld is een asielaanvraag indient. In beide gevallen zal aan de hand van de bekend geworden feiten en omstandigheden voor de aanvraag bijvoorbeeld het nader gehoor, een concrete afweging gemaakt moeten worden met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de asielaanvraag, aldus de

Vreemdelingencirculaire.

2.1.2. Voor het besluit van 14 mei 2010 is gebruik gemaakt van een formulier met het opschrift Model M110-A. Op dit formulier zijn de omstandigheden vermeld op grond waarvan de maatregel in dit geval is gelast, te weten:

"het belang van de openbare orde vordert de inbewaringstelling omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen blijkt uit het feit dat de vreemdeling:

- verdacht wordt van het plegen van een misdrijf;

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000;

- zich niet aangemeld heeft bij de korpschef;

- gebruik maakt/maakte van een vals/vervalst document;

- zich bedient/heeft bediend van een of meerdere aliassen;

- geen vaste woon-/verblijfplaats heeft;

- geen middelen van bestaan".

2.1.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de minister voormelde gronden terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Dit is in hoger beroep niet bestreden.

Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de vreemdeling via België naar Schiphol is gereisd, dat zij op doorreis was naar Liverpool, dat zij het valse document en het daarbij behorende alias niet heeft gebruikt om Nederland binnen te komen, en niet de intentie had om hier te lande een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te vragen. Van een met voormelde uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2009 vergelijkbare situatie is dan ook, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande derhalve ten onrechte overwogen dat de minister, naast de gronden van bewaring, niet heeft aangegeven waarom hij in de gegeven situatie de met die maatregel gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan die van de vreemdeling.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 14 mei 2010, het volgende.

2.3. De vreemdeling klaagt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, door pas op 14 mei 2010 om 17.44 uur een piketmelding naar de piketcentrale te verzenden, terwijl zij reeds op 12 mei 2010 is aangehouden. Hierdoor kon haar gemachtigde haar pas op 15 mei 2010 bezoeken, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Volgens paragraaf A6/5.3.4.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, kan indien de vreemdeling geen advocaat wenst bij het gehoor voorafgaand aan de bewaring, met het gehoor worden begonnen waarna de piketdienst alsnog per voorkeur bij fax wordt ingelicht.

2.3.2. De vreemdeling is op 13 mei 2010 om 18.46 uur, na strafrechtelijke heenzending, overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar opgehouden.

Blijkens het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van gehoor is de vreemdeling op 14 mei 2010 om 09.31 uur voor haar inbewaringstelling gehoord en is haar daarbij medegedeeld dat zij zich bij het gehoor kon doen bijstaan door een raadsman. De vreemdeling heeft hierop, door middel van een telefonische tolk van het tolkencentrum, in de Farsi taal, voorafgaande aan dat gehoor verklaard geen advocaat bij het gehoor te willen. Dat de piketmelding eerst op 14 mei 2010 om 17.44 uur is gedaan, waardoor de gemachtigde haar niet eerder dan op 15 mei 2010 kon bezoeken, is geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling daardoor in haar belangen is geschaad.

De beroepsgrond faalt.

2.4. De vreemdeling klaagt voorts, zo begrijpt de Afdeling, dat de bewaring na het stopzetten van de aanmeldcentrum-procedure (hierna: AC-procedure) diende te worden opgeheven.

2.4.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door de minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h.

Ingevolge het vierde lid duurt bewaring krachtens het eerste lid, onder b, of het tweede lid in geen geval langer dan vier weken.

Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan artikel 39, duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan zes weken.

2.4.2 De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200802325/1; www.raadvanstate.nl) dat uit beleidsregels noch enige andere regel kan worden afgeleid dat de omstandigheid dat de AC-procedure zich bij nader inzien niet leent voor de afhandeling van de asielaanvraag betekent dat de staatssecretaris de bewaring, vóór het verstrijken van de in artikel 59, vierde lid, vermelde termijn, dient op te heffen. Aan hem is krachtens paragraaf C11/2.1 van de Vc 2000 de keuze de bewaring in stand te laten, dan wel de bewaring op te heffen en de vreemdeling in een opvangcentrum (hierna: OC) te plaatsen. Voor de overgang van de AC-procedure naar de normale procedure ter afhandeling van een asielaanvraag en het plaatsen van de vreemdeling in een OC zijn geen regels gesteld, hetgeen inhoudt dat daarvoor geen termijn of andere vereisten gelden.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.6. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 14 mei 2010 dient alsnog ongegrond te worden verklaard. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 2 juni 2010 in zaak nr. 10/17546;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. B. Van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010

513-654.

Verzonden: 6 augustus 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser