Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN4039

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
201001722/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijheidsontnemende maatregel / due diligence / voortvarend handelen / claimprocedure

In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, onder verwijzing naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Saadi tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 29 januari 2008, nr. 13229/03, RJ&D ECHR 2008, JV 2008/104, dat bij een vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) met "due diligence" dient te worden gewerkt en de minister vanaf 18 januari 2010 dit niet heeft gedaan, nu het negen dagen heeft geduurd om het dossier van de vreemdeling over te dragen aan het Bureau Dublin en van bijzondere niet aan de minister toe te rekenen omstandigheden niet is gebleken.

Hiertoe betoogt de minister in de eerste plaats dat de vraag of hij voldoende voortvarend gehandeld heeft geen rol kan spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het opleggen en laten voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel die, zoals in dit geval, is gebaseerd op artikel 6 van de Vw 2000. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat "due diligence" is betracht en de vrijheidsontneming niet onredelijk langer heeft geduurd dan noodzakelijk, nu hij diverse handelingen heeft verricht en het dossier van de vreemdeling reeds op 20 januari 2010 naar het Bureau Dublin heeft verzonden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2010 in zaak nr. 200909945/1/V3, www.raadvanstate.nl) vloeit uit voormeld arrest voort dat de minister, daargelaten het doel van een tot vrijheidsontneming strekkende maatregel, in het algemeen voortvarend moet handelen teneinde een onnodig lange duur van vrijheidsontneming te voorkomen. Het vereiste van "due diligence" in de betekenis van voortvarend handelen kan derhalve ook van toepassing zijn bij een maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000. In zoverre faalt de grief.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2010 in zaak nr. 200908081/1/V3, www.raadvanstate.nl) is het doel van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de desbetreffende vreemdeling te beletten zich toegang te verschaffen tot Nederland en daarmee tot het Schengen-gebied. Indien een vreemdeling de toegang is geweigerd, dient hij zich op eigen initiatief zo spoedig mogelijk te begeven naar een land waar hem mogelijk wel toegang wordt verleend. Anders dan in het geval van inbewaringstelling op grond van artikel 59 van de Vw 2000, dat ziet op een zich reeds op het Nederlands grondgebied verblijvende vreemdeling, is bij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6 van de Vw 2000 geen zicht op uitzetting vereist. Gelet hierop zal de minister niet in alle gevallen na toepassing van artikel 6 van de Vw 2000 onmiddellijk handelingen moeten verrichten om het vertrek te bewerkstelligen. In die gevallen echter waarin de minister handelingen verricht om het vertrek van de desbetreffende vreemdeling naar zijn land van herkomst of een ander land waartoe hij toegang kan verkrijgen, te faciliteren en waarin de duur van de vrijheidsontneming mede van het handelen van de minister afhankelijk wordt, zal hij daarbij, evenals bij een maatregel op grond van artikel 59 van de Vw 2000, voortvarend moeten handelen.

Op 17 januari 2010 heeft de staatssecretaris het voornemen uitgebracht om de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen af te wijzen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek op grond van artikel 9, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening). De vreemdeling heeft op dezelfde dag een zienswijze ingediend. Op 18 januari 2010 heeft de staatssecretaris naar aanleiding hiervan in de asielprocedure schriftelijk aan de vreemdeling laten weten niet af te zien van de claimprocedure. Twee dagen later, op 20 januari 2010, heeft de minister het dossier van de vreemdeling verzonden naar het Bureau Dublin. De enkele omstandigheid dat de dossier eerst op 26 januari 2010 bij dit bureau is ontvangen betekent, gelet op de door de minister verrichte handeling, niet dat in dit geval niet met gepaste voortvarendheid te werk is gegaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de minister niet de vereiste voortvarendheid heeft betracht. De grief slaagt derhalve.

In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij voortvarend heeft gehandeld ter zake van het vertrek van de vreemdeling.

Hiertoe heeft de vreemdeling onder meer betoogd dat eerst na vijftien dagen de Dublin claim is ingediend bij de Poolse autoriteiten.

Uit het vorenstaande volgt dat de minister na 18 januari 2010 aanleiding heeft gezien de vreemdeling in diens vertrek te faciliteren door een claimprocedure op grond van de Verordening te starten, zodat de duur van de vrijheidsontneming vanaf dat moment mede afhankelijk is geworden van het handelen van de minister in de asielprocedure. Na de verzending van het dossier van de vreemdeling is op 1 februari 2010 de Dublin-claim verzonden naar de Poolse autoriteiten. De enkele omstandigheid dat de minister in dit opzicht sneller had kunnen handelen, betekent, gelet op het totaal van de door de minister verrichte handelingen, niet dat hier niet met gepaste voortvarendheid te werk is gegaan. De beroepsgrond faalt derhalve.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201001722/1/V3

Datum uitspraak: 9 augustus 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) van 9 februari 2010 in zaak nr. 10/03571 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris;

lees: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2010 is ten aanzien van de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 februari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, onder verwijzing naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Saadi tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 29 januari 2008, nr. 13229/03, RJ&D ECHR 2008, JV 2008/104, dat bij een vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) met "due diligence" dient te worden gewerkt en de minister vanaf 18 januari 2010 dit niet heeft gedaan, nu het negen dagen heeft geduurd om het dossier van de vreemdeling over te dragen aan het Bureau Dublin en van bijzondere niet aan de minister toe te rekenen omstandigheden niet is gebleken.

Hiertoe betoogt de minister in de eerste plaats dat de vraag of hij voldoende voortvarend gehandeld heeft geen rol kan spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het opleggen en laten voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel die, zoals in dit geval, is gebaseerd op artikel 6 van de Vw 2000. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat "due diligence" is betracht en de vrijheidsontneming niet onredelijk langer heeft geduurd dan noodzakelijk, nu hij diverse handelingen heeft verricht en het dossier van de vreemdeling reeds op 20 januari 2010 naar het Bureau Dublin heeft verzonden.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2010 in zaak nr. 200909945/1/V3, www.raadvanstate.nl) vloeit uit voormeld arrest voort dat de minister, daargelaten het doel van een tot vrijheidsontneming strekkende maatregel, in het algemeen voortvarend moet handelen teneinde een onnodig lange duur van vrijheidsontneming te voorkomen. Het vereiste van "due diligence" in de betekenis van voortvarend handelen kan derhalve ook van toepassing zijn bij een maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000. In zoverre faalt de grief.

2.1.2. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2010 in zaak nr. 200908081/1/V3, www.raadvanstate.nl) is het doel van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de desbetreffende vreemdeling te beletten zich toegang te verschaffen tot Nederland en daarmee tot het Schengen-gebied. Indien een vreemdeling de toegang is geweigerd, dient hij zich op eigen initiatief zo spoedig mogelijk te begeven naar een land waar hem mogelijk wel toegang wordt verleend. Anders dan in het geval van inbewaringstelling op grond van artikel 59 van de Vw 2000, dat ziet op een zich reeds op het Nederlands grondgebied verblijvende vreemdeling, is bij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6 van de Vw 2000 geen zicht op uitzetting vereist. Gelet hierop zal de minister niet in alle gevallen na toepassing van artikel 6 van de Vw 2000 onmiddellijk handelingen moeten verrichten om het vertrek te bewerkstelligen. In die gevallen echter waarin de minister handelingen verricht om het vertrek van de desbetreffende vreemdeling naar zijn land van herkomst of een ander land waartoe hij toegang kan verkrijgen, te faciliteren en waarin de duur van de vrijheidsontneming mede van het handelen van de minister afhankelijk wordt, zal hij daarbij, evenals bij een maatregel op grond van artikel 59 van de Vw 2000, voortvarend moeten handelen.

Op 17 januari 2010 heeft de staatssecretaris het voornemen uitgebracht om de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen af te wijzen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek op grond van artikel 9, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening). De vreemdeling heeft op dezelfde dag een zienswijze ingediend. Op 18 januari 2010 heeft de staatssecretaris naar aanleiding hiervan in de asielprocedure schriftelijk aan de vreemdeling laten weten niet af te zien van de claimprocedure. Twee dagen later, op 20 januari 2010, heeft de minister het dossier van de vreemdeling verzonden naar het Bureau Dublin. De enkele omstandigheid dat de dossier eerst op 26 januari 2010 bij dit bureau is ontvangen betekent, gelet op de door de minister verrichte handeling, niet dat in dit geval niet met gepaste voortvarendheid te werk is gegaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de minister niet de vereiste voortvarendheid heeft betracht. De grief slaagt derhalve.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 januari 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij voortvarend heeft gehandeld ter zake van het vertrek van de vreemdeling.

Hiertoe heeft de vreemdeling onder meer betoogd dat eerst na vijftien dagen de Dublin claim is ingediend bij de Poolse autoriteiten.

2.3.1. Uit het vorenstaande volgt dat de minister na 18 januari 2010 aanleiding heeft gezien de vreemdeling in diens vertrek te faciliteren door een claimprocedure op grond van de Verordening te starten, zodat de duur van de vrijheidsontneming vanaf dat moment mede afhankelijk is geworden van het handelen van de minister in de asielprocedure. Na de verzending van het dossier van de vreemdeling is op 1 februari 2010 de Dublin-claim verzonden naar de Poolse autoriteiten. De enkele omstandigheid dat de minister in dit opzicht sneller had kunnen handelen, betekent, gelet op het totaal van de door de minister verrichte handelingen, niet dat hier niet met gepaste voortvarendheid te werk is gegaan. De beroepsgrond faalt derhalve.

2.4. Het beroep van de vreemdeling is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 9 februari 2010 in zaak nr. 10/03571;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Snijders

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2010

279

Verzonden: 9 augustus 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser