Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
200907710/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-495467, heeft het college besloten over goedkeuring van het door de raad van de gemeente Moordrecht, thans gemeente Zuidplas, bij besluit van 16 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Restveen en Groene Waterparel".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200907710/1/R1.

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot a] en [vennoot b], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats], onderscheidenlijk beide gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-495467, heeft het college besloten over goedkeuring van het door de raad van de gemeente Moordrecht, thans gemeente Zuidplas, bij besluit van 16 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Restveen en Groene Waterparel".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, en [appellanten sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld door [appellante sub 1] bij brief van 4 november 2009, door [appellant sub 4], bij brief van 2 november 2009, door [appellant sub 2] bij brief van 4 november 2009 en door [appellanten sub 5] bij brief van 5 november 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2010, waar [appellante sub 1], in de persoon van [vennoot a] en bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, [appellant sub 3], in persoon en bijgestaan door ir. R.P.J. Saarberg, [appellant sub 4], in persoon, [appellanten sub 5], in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door J. van Dijk, werkzaam bij Cumela Advies, en het college, vertegenwoordigd door drs. K.P. Spannenburg, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. R. van den Bosch, E.J. Greving en A. de Vries, allen werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Wat betreft het beroep van [appellanten sub 5] overweegt de Afdeling dat het beroepschrift alleen is ingediend door [gemachtigde] als natuurlijk persoon. Voor zover het beroep gelet op de brief waarbij de gronden zijn aangevuld, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2009, mede is bedoeld als beroep van de beide rechtspersonen, [appellante sub 5a] en [appellante sub 5b], wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 29, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) wordt, voor zover hier van belang, het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan met ingang van de zesde week na de bekendmaking voor de duur van zes weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd. De terinzagelegging is hiermee bepaald op de eerste reguliere werkdag van de zesde kalenderweek na de bekendmaking.

Ingevolge artikel 56a, aanhef en onder b, van de WRO vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 29, derde lid, van de WRO.

Gelet op de datum van ontvangst door de gemeente van het goedkeuringsbesluit, te weten 15 juli 2009, gaat de Afdeling er in dit geval van uit dat het besluit van het college van 7 juli 2009 is bekendgemaakt op 14 juli 2009. De beroepstermijn is derhalve begonnen op 24 augustus 2009 en, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, geëindigd op 5 oktober 2009. [appellanten sub 5a en 5b] hebben het beroep niet binnen deze termijn ingesteld.

Uit de kennisgeving van het goedkeuringsbesluit kan worden afgeleid dat de beroepstermijn is begonnen op 27 augustus 2009 en is geëindigd op 7 oktober 2009. Dat in de kennisgeving van het besluit een latere aanvang van de beroepstermijn staat vermeld, betekent niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, aangezien de [appellanten sub 5a en 5b] ook de termijn die uit die kennisgeving volgt, hebben overschreden.

Het beroep van [appellanten sub 5] is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld [appellanten sub 5a en 5b].

2.1.1. Voorts steunt het beroep van [appellanten sub 5] voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "aannemersbedrijf categorie 3" en "zonder bedrijfswoning" voor de gronden aan de [locatie a] te Moordrecht, voor zover het betreft de omvang van het bouwvlak, niet op bij het college ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellanten sub 5] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan biedt het juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van een natuurgebied alsmede voor extensief landgebruik en verbrede landbouw.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.4. [appellante sub 1] richt zich tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Natuur" voor haar gronden aan de [locatie b] en nabij de Spoorweglaan te Moordrecht. [appellante sub 1] richt zich voorts tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de bestaande bedrijfsloods aan de [locatie b].

2.4.1. [appellante sub 1] betoogt dat de bestemming "Natuur" op de in 2.4. bedoelde gronden ten onrechte de ontwikkeling van haar agrarische bedrijf dwarsboomt en dat onvoldoende gemotiveerd is waarom de gronden op termijn niet langer geschikt zouden zijn voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf. Voorts betoogt [appellante sub 1] dat op grond van het overgangsrecht het wisselend gebruik van de gronden niet langer mogelijk is, nu volgens haar uitsluitend het laatstbestaande gebruik vanaf de inwerkingtreding van het plan geoorloofd blijft. [appellante sub 1] betoogt verder dat de raad bij de voorbereiding van het plan onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de samenhang van het plan met het bestemmingsplan "Gouweknoop", waarin bedrijfsonderdelen van [appellante sub 1] wel positief zijn bestemd, en de gevolgen daarvan voor haar bedrijf.

[appellante sub 1] betoogt voorts dat zij in haar bedrijfsmogelijkheden wordt beperkt doordat een aanlegvergunningstelsel ten onrechte een vergunning voorschrijft voor het veranderen van het waterpeil. Zij acht het voorbehoud van het college dat een dergelijk stelsel eerst benut wordt vanaf het moment dat haar gronden zijn verworven en de verwezenlijking van de natuurbestemming daardoor mogelijk wordt, onterecht en niet in overeenstemming met de planvoorschriften.

[appellante sub 1] betoogt ten slotte dat voor het perceel [locatie b] op de plankaart ten onrechte slechts een bouwvlak is ingetekend met een omvang gelijk aan de bestaande bebouwing, zodat op deze gronden ten onrechte geen mogelijkheden zijn tot uitbreiding van de bedrijfsloods. Ook wordt het huidige gebruik door de bestemming "Agrarisch" ten onrechte beperkt, doordat slechts (grondgebonden) veehouderij en paardenfokkerij als agrarische bedrijfsvormen ter plaatse van de loods zijn toegelaten en niet ook akkerbouw.

2.4.2. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de gronden aan de [locatie b], gelegen in de planzone "Groene Waterparel", op goede gronden de bestemming "Natuur" hebben gekregen. Voor het gebied "Groene Waterparel" is immers, voortvloeiend uit provinciaal beleid en ten behoeve van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur, voorzien in de actieve ontwikkeling van een natuurkerngebied binnen de planperiode. Daartoe zal in dit gebied actieve grondverwerving plaatsvinden.

Voor de gronden nabij de Spoorweglaan stelt het college zich in navolging van de raad op het standpunt dat ook deze op goede gronden de bestemming "Natuur" hebben gekregen, aangezien deze gronden op termijn deel moeten gaan uitmaken van een te ontwikkelen natuurgebied van 75 ha, met dien verstande dat deze gronden liggen in de planzone "Restveen Natuur", zodat daarvoor geldt dat deze gronden niet actief worden verworven. De raad voegt daaraan toe dat voor de bestemming van de gronden in de zone "Restveen Natuur" met het oog op voormelde ontwikkeling zoveel mogelijk aansluiting gezocht is bij de bestaande situatie. Uitbreiding van bebouwing of agrarisch gebruik is om die reden niet wenselijk, aldus de raad.

In navolging van de raad stelt het college zich voorts op het standpunt dat te verwachten valt dat op termijn door voortgaande bodemdaling en de lage ligging van het gebied de gronden niet langer geschikt zullen zijn voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf. De raad voegt daaraan toe dat het individuele belang van [appellante sub 1] tot instandhouding van haar bedrijf hier dient te wijken voor het algemene belang tot ontwikkeling van een natuurgebied.

Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat ingevolge het overgangsrecht, zoals opgenomen in artikel 27 van de planvoorschriften, het gebruik van gronden dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het plan mag worden voortgezet. Door de wisseling van gebruik bij wisselteelt wordt de strijdigheid met het plan niet vergroot.

Het college stelt zich, in navolging van de raad, op het standpunt dat veranderingen van het waterpeil in het gebied "Groene Waterparel" eerst kunnen worden gerealiseerd nadat uit onderzoeken is gebleken dat verandering van het waterpeil in het kader van natuurontwikkeling geen belangrijke nadelige effecten heeft voor het milieu. Verhoging van het peil zal pas bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering kunnen plaatsvinden. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat tegen een wijziging van het waterpeil in verband met de wisselteelt door [appellante sub 1] geen bezwaren bestaan.

Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat het bestaande agrarische bouwperceel aan de [locatie b] overeenkomstig de bestaande situatie is bestemd. De raad voegt daaraan toe dat voor deze locatie abusievelijk een bouwvlak is opgenomen en dat de omvang van het bouwvlak terecht is beperkt tot de bestaande bebouwing omdat deze locatie is gelegen in de planzone "Groene Waterparel", bedoeld voor actieve natuurontwikkeling. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven of uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven is om die reden ongewenst, aldus de raad. Voorts stelt het college zich in navolging van de raad op het standpunt dat het huidige gebruik door de bestemming "Agrarisch" niet wordt belemmerd aangezien onder "agrarisch bedrijf" zowel het telen van gewassen als het houden van dieren wordt verstaan.

2.4.3. Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Natuur", zonder of in afwijking van een aanlegvergunning, werken of werkzaamheden uit te voeren ter zake van het veranderen van het waterpeil. Ingevolge het vijfde lid, aanhef, zijn de werken of werkzaamheden als bedoeld in het derde lid slechts toelaatbaar, indien wordt aangetoond dat de realisatie van de gewenste natuurontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu.

Ingevolge artikel 27, derde lid, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het plan worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in het plan, naar aard en omvang niet wordt vergroot.

2.4.4. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 1] dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Natuur" voor haar gronden aan de [locatie b] en nabij de Spoorweglaan, wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan in een bestemmingsplan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Het plan beoogt wat betreft de zone "Groene Waterparel", ter invulling van het provinciale en regionale natuurbeleid, actief een natuurkerngebied mogelijk te maken. Voor zover [appellante sub 1] tegen dit beleid opkomt, overweegt de Afdeling dat zij in hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten ziet om dit beleid onredelijk te achten. De bestemming "Natuur" is in overeenstemming met dit beleid. De door [appellante sub 1] gewenste bestemming voor de gronden aan de [locatie b] is daarmee in strijd. In het betoog van [appellante sub 1] dat zij de gronden ten behoeve van haar agrarische bedrijf wil blijven inzetten, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien voor een afwijking van het beleid. Daarbij overweegt de Afdeling dat onweersproken is dat ter plaatse sprake is van bodemdaling en een lage ligging van de grond. Dit leidt tot de verwachting dat op termijn de uitoefening van een agrarisch bedrijf hier onmogelijk althans beperkt wordt. Ook in de verwachting van [appellante sub 1] dat het wegvallen van haar agrarische gronden in dit plangebied gevolgen heeft voor haar gehele, ook elders gevestigde bedrijf heeft het college geen aanleiding voor een afwijking van het beleid behoeven te zien, nu deze eventuele gevolgen bij de grondverwerving kunnen worden betrokken. Voor de gronden aan de [locatie b] is voorts voorzien in een aanwijzing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de WRO. Aannemelijk is dat het plan in zoverre in de planperiode zal worden verwerkelijkt.

Voor zover het betreft de gronden nabij de Spoorweglaan overweegt de Afdeling dat deze zijn gelegen in de zone "Restveen Natuur". Ook hier wordt een ontwikkeling naar natuur voorgestaan waarmee de toegekende bestemming in overeenstemming is. De omstandigheid dat in deze zone geen actieve grondverwerving plaatsvindt, leidt niet tot het oordeel dat het college niet in zoverre van de tijdige verwerkelijking heeft kunnen uitgaan. Gebleken is dat [appellante sub 1] deze gronden niet in eigendom heeft en dat zij deze van de Dienst Landelijk Gebied in gebruik heeft via kortdurende pacht. Dat in deze zone binnen de planperiode niet een voldoende groot gebied ten behoeve van natuur kan worden verworven, heeft [appellante sub 1] niet aannemelijk gemaakt.

2.4.5. Niet in geschil is dat het huidige agrarische gebruik door [appellante sub 1] van haar gronden onder het overgangsrecht is gebracht. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 1] dat het wisselende agrarische gebruik van de gronden, meer in het bijzonder de omzetting van weidegrond in akkerbouwgrond, door de natuurbestemming niet langer mogelijk is, hebben de raad en het college als hun standpunt aangegeven dat, nu het gebruik door [appellante sub 1] van de gronden reeds als wisselteelt moet worden aangemerkt, deze tot dusver gepleegde wisselteelt in haar geheel onder het overgangsrecht van artikel 27, derde lid, van de planvoorschriften valt en dat deze wisselteelt met inbegrip van de eventuele omzetting in akkerbouwgrond, door [appellante sub 1] om die reden kan worden voortgezet. De Afdeling ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. Zolang [appellante sub 1] de strijdigheid van de tot dusver gepleegde wisselteelt naar aard en omvang ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemming "Natuur" niet vergroot, wordt zij derhalve in de periode dat zij nog over haar gronden kan beschikken, door deze bestemming niet in haar mogelijkheden beperkt.

2.4.6. [appellante sub 1] wordt evenmin in haar mogelijkheden beperkt door het aanlegvergunningstelsel in artikel 8 van de planvoorschriften. Nu de tot dusver gepleegde wisselteelt onder het overgangsrecht valt, valt ook het daarmee in haar situatie ten behoeve van akkerbouw, naar niet in geschil is, samenhangende verlagen van het waterpeil onder artikel 27, derde lid, van de planvoorschriften. Deze aan de wisselteelt verbonden handeling wordt derhalve niet beheerst door het aanlegvergunningstelsel ten behoeve van de bestemming "Natuur".

2.4.7. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 1] dat voor het perceel [locatie b] een te klein agrarisch bouwvlak is toegekend, overweegt de Afdeling dat het college in redelijkheid voor een groter bouwvlak geen aanleiding heeft behoeven te zien, gelet op het beleid ter zake van de natuurontwikkeling dat zich tegen een dergelijke vergroting verzet.

Voor zover het gebruik van de aanwezige loods door het plan beperkt zou worden, daargelaten of dit het geval is, kan dit gebruik worden voortgezet onder het overgangsrecht. [appellante sub 1] wordt derhalve ten aanzien van het gebruik niet in haar belangen beperkt. Daarbij is van belang dat ook deze gronden actief zullen worden verworven, waarvoor ook hier een bevestiging kan worden gevonden in de op het perceel rustende aanwijzing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de WRO.

2.4.8. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 5] voor zover ontvankelijk

2.5. [appellant sub 2] richt zich tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de bestaande woning en tegen de bestemming "Natuur" voor het perceel aan de [locatie c].

2.5.1. [appellant sub 2] voert daartoe aan dat in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel de voorheen geldende bestemming "Agrarische doeleinden" met de aanduiding "sierteelt" is wegbestemd, terwijl in andere situaties de oude bestemming wel is behouden. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat door de gewijzigde bestemming de uitoefening van zijn bedrijf in gevaar komt. Het college heeft het ondernemingsplan onvoldoende betrokken bij de besluitvorming en heeft zodoende de besluitvorming onzorgvuldig voorbereid en het besluit onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellant sub 2].

2.5.2. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat in de zone "Groene Waterparel" is ingezet op de actieve ontwikkeling van een natuurkerngebied. Gelet op de toekomstige functie van het gebied is de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf niet gewenst, zij het dat het bestaande gebruik op grond van artikel 27 van de planvoorschriften voortgezet kan worden, aldus het college. Van de uitoefening van een volwaardig sierteeltbedrijf is ter plaatse nimmer sprake geweest, aldus het college in navolging van de raad, hetgeen ook uit het bedrijfsplan naar voren komt. De raad zet uiteen dat uit de inventarisatie van het feitelijke gebruik in 2004 is gebleken dat het pand op het perceel [locatie c] in gebruik was als woning. Nadien is de wens kenbaar gemaakt dat op termijn de gronden bij de woning gebruikt zouden worden voor een sierteelt- en hoveniersbedrijf. De bestemmingswijziging om hier sierteelt toe te staan, zoals indertijd in het bestemmingsplan opgenomen, is evenwel door het college niet goedgekeurd. Van een gerechtvaardigd vertrouwen dat hier een bedrijf gevestigd kon worden is dan ook geen sprake, aldus de raad.

2.5.3. Ten aanzien van de verwijzing door [appellant sub 2] naar de bestemming "Agrarische doeleinden" met aanduiding "sierteelt" overweegt de Afdeling dat is komen vast te staan dat deze bestemming en aanduiding niet in werking zijn getreden, door het indertijd onthouden van goedkeuring aan deze bestemming en aanduiding door het college. Vaststaat dat niet is voorzien in een nieuw planologisch kader, zodat tot dusver de bestemming van het vorige bestemmingsplan gold, te weten "Weideland", en derhalve niet de bestemming "Agrarische doeleinden" met de aanduiding "sierteelt". Daarmee faalt ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Voor de zone "Groene Waterparel" geldt als beleid - ter invulling van het provinciale en regionale natuurbeleid - actief een natuurkerngebied mogelijk te maken. De bestemming "Natuur" voor het desbetreffende gedeelte van het perceel is in overeenstemming met dit beleid. De door [appellant sub 2] gewenste bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "sierteelt" teneinde ter plekke een agrarische onderneming te kunnen starten heeft het college terecht in strijd met dit beleid geacht. Bij de vraag of aanleiding bestaat van dit beleid af te wijken heeft het college kunnen betrekken dat ter plaatse jarenlang geen volwaardig agrarisch/sierteeltbedrijf is uitgeoefend. Dat dit vanwege de bodemgesteldheid lange tijd niet mogelijk was, heeft het college niet als een zodanig bijzondere omstandigheid behoeven te zien dat afwijking van het beleid in verband daarmee in de rede lag. In dat licht bezien heeft het college ook geen doorslaggevend gewicht behoeven toe te kennen aan het bedrijfsplan van [appellant sub 2].

2.5.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.6. [appellant sub 2] richt zich voorts tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "constructiebedrijf" en "stratenmakerbedrijf" voor het perceel [locatie d].

2.6.1. [appellant sub 2] voert daartoe aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de geldende zoneringseisen en de overlast die zal worden veroorzaakt door het gebruik overeenkomstig de bestemming en het aantal gevestigde bedrijven ter plaatse.

2.6.2. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de bedrijven op het perceel [locatie d] overeenkomstig het bestaande gebruik en derhalve in lijn met het conserverende karakter van het plan zijn bestemd. De raad voegt daaraan toe dat door het nader aanduiden van de bestemming de bedrijfsmogelijkheden voldoende zijn gereguleerd.

2.6.3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Bedrijf" aangewezen gronden met de aanduiding "stratenmakerbedrijf" bestemd voor een stratenmakerbedrijf, voor zover voorkomend in bedrijfscategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder j, zijn de op de plankaart voor "Bedrijf" aangewezen gronden met de aanduiding "constructiebedrijf" bestemd voor een constructiebedrijf voor garagedeuren, zonwering en aanverwante artikelen, voor zover voorkomend in bedrijfscategorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

2.6.4. Hoewel in het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse ook een bedrijfsbestemming gold is niet uitgesloten dat, nu daarbij voor het gehele perceel dan wel een gedeelte daarvan ook de subbestemming "groothandelsbedrijf" gold, met de thans mogelijk gemaakte, nader gespecificeerde bedrijvigheid ruimere althans andere mogelijkheden worden geboden en dat in zoverre in planologisch opzicht sprake is van nieuwvestiging. Een nader onderzoek naar de gevolgen van het bedrijfsperceel voor het naastgelegen perceel van [appellant sub 2] heeft niet plaatsgevonden. Daarbij komt dat ter plaatse verscheidene bedrijven zijn gevestigd waarvoor de nadere aanduidingen op de plankaart niet toereikend kunnen worden geacht. Hierbij komt voorts nog dat in de plantoelichting in tabel 5.9 (aanwezige bedrijven in het plangebied) alleen een aannemersbedrijf en een constructiebedrijf, beide bedrijfscategorie 3, als zijnde gevestigd op het perceel onderscheidenlijk [locatie d] en [locatie e] zijn genoemd. Ter zitting is door de raad erkend dat het onderzoek naar de situatie ter plaatse en de gevolgen van de gekozen bestemming niet afdoende is geweest. Gelet hierop is het plandeel vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het college heeft dit niet onderkend.

2.6.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

2.6.6. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het plandeel.

2.7. [appellant sub 5] richt zich tegen de goedkeuring van artikel 3, zeventiende lid, van de planvoorschriften dat de wijziging van als "Agrarisch" bestemde gronden in de bestemming "Natuur" door het college van burgemeester en wethouders mogelijk maakt, voor zover het betreft zijn landbouwgronden aan de [locatie a] te Moordrecht.

2.7.1. [appellant sub 5] voert daartoe aan dat hij door dit voorschrift in de bedrijfsvoering van zijn verhuur- en aannemingsbedrijf wordt beperkt en in zijn belangen wordt geschaad doordat de marktwaarde van de landbouwgronden door de wijzigingsbevoegdheid aanzienlijk wordt beperkt.

2.7.2. Het college stelt zich, in navolging van de raad, op het standpunt dat [appellant sub 5] niet in zijn belangen wordt geschaad, nu de gronden aan de [locatie a] conserverend zijn bestemd en het college van burgemeester en wethouders eerst tot bestemmingswijziging kan overgaan nadat de desbetreffende gronden op vrijwillige basis zijn verworven. Het college stelt voorts dat de bestemming "Agrarisch" [appellant sub 5] niet in zijn bedrijfsvoering beperkt, aangezien op de gronden met de bestemming "Agrarisch" een agrarisch bedrijf kan worden beoefend. Het college stelt zich verder op het standpunt, in navolging van de raad, dat het [appellant sub 5] vrij staat een verzoek in te dienen ter vergoeding van planschade.

2.7.3. Ingevolge artikel 3, zeventiende lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 11 van de WRO bevoegd om ten behoeve van natuurontwikkeling de bestemming "Agrarisch" binnen de zone "Restveen Natuur" te wijzigen in de bestemming "Natuur". Ingevolge artikel 3, zeventiende lid, sub a, wordt een besluit tot planwijziging niet eerder genomen dan nadat de betrokken gronden als natuurgebied zijn overgedragen aan een terreinbeherende instantie.

2.7.4. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wijzigingsbevoegdheid, gelet op de voor het desbetreffende gebied gewenste ontwikkelingen - het op termijn creëren van een natuurgebied van 75 ha -, een geëigend instrument is. Aangezien de gronden thans de bestemming "Agrarisch" hebben en de bestemmingswijziging eerst na vrijwillige verwerving van de gronden kan plaatsvinden, valt niet in te zien dat [appellant sub 5] zijn bedrijf niet langer kan uitoefenen dan wel dat hij door de wijzigingsbevoegdheid in zijn bedrijfsbelangen wordt geschaad.

2.7.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijzigingsbevoegdheid niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre ongegrond.

2.8. [appellant sub 5] richt zich verder tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeer" op zijn gronden aan de [locatie a] te Moordrecht.

2.8.1. [appellant sub 5] voert daartoe aan dat hij de gronden zelf in onderhoud heeft. Door de goedkeuring van de bestemming "Verkeer" wordt hij onevenredig benadeeld.

2.8.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de weg overeenkomstig zijn functie is bestemd als "Verkeer". Gelet hierop ziet het college geen aanleiding voor het standpunt dat [appellant sub 5] door deze bestemming onevenredig wordt benadeeld.

2.8.3. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen […].

2.8.4. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 5] dat hij door het bestemmen van die delen van zijn gronden als "Verkeer" onevenredig wordt benadeeld, overweegt de Afdeling dat blijkens de plankaart slechts die delen van zijn perceel als "Verkeer" zijn bestemd die ook als zodanig als weg zijn ingericht en worden gebruikt. De weg is derhalve overeenkomstig het bestaande gebruik bestemd. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor onevenredig wordt benadeeld.

2.8.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.9. [appellant sub 3] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Horeca" en de aanduiding "wegrestaurant" voor het perceel [locatie f] te Moordrecht.

2.9.1. [appellant sub 3] voert daartoe aan dat ten onrechte niet voor een integrale planologische opzet is gekozen voor zowel het plan "Restveen en Groene Waterparel" als het plan "Aansluiting A20 Moordrecht", in relatie tot zijn bedrijf om zo de nieuwvestiging van zijn bedrijf optimaal te laten aansluiten op de nieuwe op- en afrit van rijksweg A20. Door dit niet aldus te regelen, worden zijn bedrijfseconomische belangen geschaad, aldus [appellant sub 3].

2.9.2. Het college voert aan dat slechts het huidige plan ter beoordeling voorligt. Het kan slechts het plan goedkeuren of geheel of gedeeltelijk goedkeuring aan het plan onthouden. Het college kan niet zelf in een bestemming voorzien of het besluit van de raad wijzigen. Het college stelt zich voorts, in navolging van de raad, op het standpunt dat de gronden aan de [locatie f] terecht overeenkomstig het bestaande gebruik zijn bestemd ten behoeve van het horecabedrijf van [appellant sub 3]. Met het oog op de voorgestane gebiedsontwikkeling wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande situatie. Voorts stelt de raad dat uitbreiding van bebouwing of verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten om die reden niet wenselijk is.

2.9.3. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Horeca" aangewezen gronden, ter plaatse van de aanduiding "wegrestaurant", bestemd voor een horecabedrijf met horeca, categorie 2.

2.9.4. In de uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200901824/1/R3 heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

"2.9.2. Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte niet is voorzien in een nieuwe locatie voor het wegrestaurant in het plangebied, overweegt de Afdeling dat gebleken is dat de rijafstand naar het bestaande wegrestaurant vanaf de A20 weliswaar iets langer wordt dan in de huidige situatie, maar dat de betere doorstroming vanuit de richting Rotterdam de bereikbaarheid van het wegrestaurant juist weer ten goede kan komen. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat het bestemmingsplan niet zodanige gevolgen zal hebben voor het wegrestaurant dat dit niet op de huidige locatie kan voortbestaan en dat hiervoor een nieuwe locatie had moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad een verplaatsing van het wegrestaurant, gelet op de door Pleisterplaats B.V. gestelde voorwaarden, als een niet reële optie mocht beschouwen. Voorts overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat de voor de verplaatsing van de aansluiting benodigde gronden zijn opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan en de omliggende gronden grotendeels binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Restveen en Groene Waterparel" vallen, waarin ook de huidige locatie van het wegrestaurant is gelegen, anders dan pleisterplaats B.V. betoogt, niet met zich brengt dat sprake is van een rechtsonzekere situatie. Voor zover Pleisterplaats B.V. hierbij nog heeft gewezen op eventuele, toekomstige verbredingen van de A20 en de spoorlijn, overweegt de Afdeling dat deze punten niet in de onderhavige procedure aan de orde kunnen komen omdat het plan niet in deze ontwikkelingen voorziet. […]".

2.9.5. Voor zover [appellant sub 3] aanvoert dat het perceel [locatie f] bij het plangebied "Aansluiting A20 Moordrecht" had moeten worden betrokken, overweegt de Afdeling dat de omvang van dat plangebied in rechte onaantastbaar is. In dat plangebied is niet voorzien in een plek voor nieuwvestiging van De Pleisterplaats. In het kader van dat bestemmingsplan zijn de belangen van [appellant sub 3] afgewogen. Ten aanzien van [appellant sub 3] is overwogen dat de rijafstand naar het bestaande wegrestaurant vanaf de A20 weliswaar iets langer wordt, maar dat de betere doorstroming vanuit de richting Rotterdam de bereikbaarheid van het wegrestaurant juist weer ten goede kan komen.

Ingevolge het thans voorliggende bestemmingsplan kan [appellant sub 3] zijn horecabedrijf op de huidige plaats voortzetten overeenkomstig het huidige gebruik. Hierdoor heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bedrijfseconomische belangen van [appellant sub 3] door dit bestemmingsplan niet onevenredig worden geschaad.

2.9.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.10. [appellant sub 4] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "hoveniersbedrijf" voor zijn perceel [locatie g] te Moordrecht.

2.10.1. [appellant sub 4] voert aan dat het toegekende bouwvlak te klein is om toekomstige uitbreiding van bebouwing mogelijk te maken en dat twee bestaande foliekassen met een gezamenlijke oppervlakte van 450 m² niet op de plankaart zijn weergegeven, waardoor hij in zijn belangen - onder meer bij de toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling - wordt geschaad.

2.10.2. Het college stelt zich, in navolging van de raad, op het standpunt dat een uitbreiding van het bouwvlak van niet-agrarische bedrijven in strijd zou komen met de ter plaatse voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen en de gebruiksmogelijkheden. Bovendien wordt nog een visie op de linten in de Zuidplaspolder ontwikkeld. Daarbij past het niet, voegt de raad toe, nu reeds een onomkeerbare bouwontwikkeling mogelijk te maken. Voor de bij recht toegestane bebouwing is het bouwvlak voldoende groot, aldus de raad.

Het college stelt zich voorts op het standpunt dat de raad niet verplicht is alle bestaande bebouwing op de plankaart weer te geven. De raad voegt daar aan toe dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het perceel van [appellant sub 4] is vermeld in bijlage 2 van de planvoorschriften. Deze oppervlakte komt overeen met hetgeen [appellant sub 4] in zijn zienswijze heeft aangegeven.

2.10.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] dat het toegekende bouwvlak te klein is voor de gewenste bebouwingsmogelijkheden overweegt de Afdeling dat het ruimtelijke beleid in de zone "Agrarisch Gebied" er op is gericht duurzame grondgebonden landbouw te behouden en te ontwikkelen en het ruimtelijk karakter van lanen en linten te versterken. Aan het intergemeentelijke structuurplan vallen geen aanknopingspunten te ontlenen voor ruimere bebouwingsmogelijkheden. Voorts wordt andere bedrijvigheid dan landbouw gehandhaafd, maar beperkt in haar toekomstige ontwikkeling; sanering van bouwblokken wordt door een ruimte-voor-ruimteregeling op termijn mogelijk gemaakt. Overeenkomstig het beleid voor bestaande bedrijven is ook voor [appellant sub 4] een vergroting van het te bebouwen oppervlak binnen het bouwvlak mogelijk gemaakt door de vermelding in de desbetreffende bijlage bij de planvoorschriften van een maximaal oppervlak aan bedrijfsgebouwen van 1.320 m². [appellant sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de raad dat het aan [appellant sub 4] toegekende bouwvlak voldoende groot is voor het realiseren van de bij recht toegelaten maximale bebouwing, onjuist is.

Overigens is ter zitting door de raad uitdrukkelijk opgemerkt dat, indien toch mocht blijken dat [appellant sub 4] de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing, mede gelet op een efficiënte bedrijfsvoering, redelijkerwijs niet kan realiseren binnen het bestaande bouwvlak, de raad zal meewerken aan een aanpassing van het bouwvlak om realisatie van de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing niet te belemmeren.

2.10.4. Voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd moet worden geacht met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, waarin is bepaald dat op de plankaart de bestaande gebouwen worden aangegeven, bestaat geen grond. Op de plankaart is een duidelijke ondergrond met onder meer bebouwing aangegeven, zodat overeenkomstig de bedoeling van genoemde bepaling de gebruiker van de plankaart kan herleiden op welke gronden de bestemmings- en bouwvlakken zijn geprojecteerd. Omtrent de ligging van de bestemmings- en bouwvlakken bestaat derhalve voldoende duidelijkheid, zodat voor een rechtsonzekere situatie niet behoeft te worden gevreesd. Verder is de vermelding op de plankaart van bestaande bebouwing in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling niet noodzakelijk. Om voor die regeling in aanmerking te komen is van doorslaggevende betekenis of bebouwing feitelijk aanwezig is.

2.10.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.11. [appellant sub 4] richt zich verder tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Water" voor de watergang aan de westzijde van zijn perceel.

2.11.1. [appellant sub 4] voert aan dat de watergang ten onrechte als "Water" wordt bestemd in het plan, aangezien dit leidt tot gebruiksbeperkingen van zijn perceel waardoor hij schade lijdt.

2.11.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de eventuele gebruiksbeperkingen ten aanzien van de watergang en de omliggende gronden niet in het plan zijn opgenomen en niet uit het plan volgen.

2.11.3. Overwogen wordt dat de watergang ten westen van het perceel van [appellant sub 4] een bestaande watergang is, die reeds als zodanig in beheer is bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Of [appellant sub 4] tot gewoon en bijzonder onderhoud van deze watergang verplicht is, is blijkens de regelgeving van het hoogheemraadschap afhankelijk van de loop van de kadastrale erfgrens ten opzichte van de watergang. Niet relevant is daarbij of de watergang in het plan is bestemd tot "Water". Hieruit vloeien voor [appellant sub 4] geen bijzondere beperkingen of verplichtingen voort. Het bestuur van het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat de watergang van belang is voor de uitvoering van de waterschapstaken. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de watergang met de bestemming "Water" als zodanig gebruikt kan worden en ten dienste kan staan van de uitoefening van de waterschapstaken.

2.11.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.12. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft [appellante sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 5, 5a en 5b] niet-ontvankelijk:

a. voor zover het is ingesteld door de [appellanten sub 5a en 5b];

b. voor zover het zich richt tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "aannemersbedrijf categorie 3" en "zonder bedrijfswoning" voor de gronden aan de [locatie a];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 5] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-495467, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "constructiebedrijf" en "stratenmakerbedrijf" voor het perceel [locatie d];

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder III. genoemde plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 7 juli 2009;

VI. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] geheel en het beroep van [appellant sub 5] en het beroep van [appellanten sub 5, 5a en 5b], voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 5], voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellant sub 5] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Nolles

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010

371-659.