Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
201001199/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2008 heeft de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie over de procedure bij raadsvoorstel 43/2008 inzake straatnaamgeving afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201001199/1/H3.

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nijmegen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 december 2009 in zaak nr. 08/5794 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Nijmegen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2008 heeft de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie over de procedure bij raadsvoorstel 43/2008 inzake straatnaamgeving afgewezen.

Bij besluit van 3 december 2008 heeft de gemeenteraad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 december 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2010, waar [appellant] in persoon, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. H. Meijer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge dit artikel, aanhef en onder b, wordt onder bestuurlijke aangelegenheid verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

2.2. De gemeenteraad heeft het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie over de procedure bij raadsvoorstel 43/2008 inzake straatnaamgeving afgewezen, omdat andere documenten dan de reeds bij [appellant] bekende documenten, waarin de gevraagde informatie is vervat, niet bestaan. Bij besluit op bezwaar van 3 december 2008 heeft de gemeenteraad de afwijzing gehandhaafd, maar twee interne e-mailberichten van 26 februari 2008 en een memorandum van de secretaris van de Commissie straatnaamgeving aan de ambtelijke werkgroep straatnaamgeving van 12 maart 2008 alsnog aan [appellant] verstrekt.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet alle in bestaande documenten neergelegde informatie omtrent de procedure bij raadsvoorstel 43/2008 inzake straatnaamgeving heeft ontvangen. De gemeenteraad heeft het bezwaar volgens de rechtbank terecht ongegrond verklaard. Dat de gemeenteraad bij het besluit op bezwaar nog twee documenten aan [appellant] heeft doen toekomen, doet daar niet aan af, nu deze documenten in relatie stonden met de inhoud van het raadsvoorstel en geen betrekking hadden op de procedure bij het raadsvoorstel waar het verzoek van [appellant] zich op richtte, aldus de rechtbank. De rechtbank is er, anders dan de gemeenteraad, van uitgegaan dat deze documenten niet vallen onder de reikwijdte van het verzoek om informatie. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat zij geen reden ziet om aan te nemen dat de directeur van de Directie Concern van de Gemeente Nijmegen niet bevoegd was tot het inzenden van het verweerschrift.

2.4. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat hij niet alle documenten welke vallen onder de reikwijdte van zijn verzoek heeft ontvangen. Dat een registratiesysteem van ingekomen stukken, inclusief raadsvoorstellen en adviezen van de Commissie straatnaamgeving, ontbreekt, is niet aannemelijk, aldus [appellant]. Bovendien is het volgens [appellant] onwaarschijnlijk dat niet op enigerlei wijze schriftelijk is vastgelegd waarom het oorspronkelijke raadsvoorstel nr. 43/2008 en het advies van de Commissie straatnaamgeving daarover niet aan de gemeenteraad zijn voorgelegd. [appellant] betwist de juistheid van de gevolgde procedure bij raadsvoorstel 43/2008 inzake straatnaamgeving.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 augustus 2007 in zaak nr. 200701417/1) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch bij dat bestuursorgaan berust. De rechtbank heeft geen aanleiding hoeven zien te twijfelen aan de stelling van de gemeenteraad, dat geen andere documenten dan de reeds aan [appellant] verstrekte documenten aangetroffen zijn. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onder 2.4. bedoelde documenten bestaan. Het betoog faalt.

Het door [appellant] aangevoerde omtrent de juistheid van de gevolgde procedure bij raadsvoorstel 43/2008 inzake straatnaamgeving, valt buiten de reikwijdte van dit geding, zodat aan een beoordeling daarvan niet wordt toegekomen.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank door te overwegen dat het aan het bestuursorgaan is om te bepalen door welke functionarissen een verweerschrift wordt ingediend, heeft miskend dat het in voorkomende gevallen aan de gemeenteraad is om anders te beslissen. Niet is gebleken dat de gemeenteraad daartoe kenbaar in de gelegenheid is gesteld, aldus [appellant].

2.5.1. In artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is te besluiten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures namens de gemeente of het gemeentebestuur te voeren, of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.

Op grond van deze wettelijke bepaling komt de bevoegdheid om verweerschriften en andere stukken in te dienen in dezen toe aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen. De Afdeling ziet echter met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de directeur van de Directie Concern bij het indienen van het verweerschrift in het kader van de beroepsprocedure bij de rechtbank niet bevoegd handelde. Uit punt 15 van het gemeentelijke Mandaatbesluit Procesrecht kan deze bevoegdheid worden afgeleid. Datzelfde geldt voor het in hoger beroep ingediende verweerschrift. De gemeenteraad heeft hier gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid in voorkomende gevallen anders te beslissen, zoals bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet. Voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad in voorkomende gevallen anders kan beslissen en daartoe kenbaar in de gelegenheid moet zijn gesteld, bestaat geen grond. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad zijn bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Bij het besluit op bezwaar zijn immers alsnog documenten aan hem verstrekt, die vallen onder de reikwijdte van zijn verzoek.

2.6.1. Nu het verzoek van [appellant] ziet op informatie over de procedure bij raadsvoorstel 43/2008 inzake straatnaamgeving en de interne e-mailberichten van 26 februari 2008 en een memorandum van de secretaris van de Commissie straatnaamgeving aan de ambtelijke werkgroep straatnaamgeving van 12 maart 2008 documenten zijn die hierop betrekking hebben, is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat deze documenten vallen onder de reikwijdte van het verzoek.

Nu het besluit van 13 juni 2008 niet strekte tot openbaarmaking van deze documenten, dient dit besluit te worden aangemerkt als een weigering tot openbaarmaking daarvan. Het in bezwaar alsnog verstrekken van genoemde documenten, kan derhalve niet anders worden aangemerkt dan als een openbaarmaking in de zin van de Wob. De gemeenteraad had daarom bij het besluit op bezwaar van 3 december 2008 het besluit van 13 juni 2008 moeten herroepen, in zoverre dat niet strekte tot openbaarmaking van die documenten. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient gelet op het vorenstaande te worden vernietigd, voor zover deze strekt tot ongegrondverklaring van het beroep van [appellant], in zoverre dit is gericht tegen het niet herroepen van het besluit van 13 juni 2008 voor zover daarbij openbaarmaking van twee interne e-mailberichten van 26 februari 2008 en een memorandum van de secretaris van de Commissie straatnaamgeving aan de ambtelijke werkgroep straatnaamgeving van 12 maart 2008 is geweigerd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 3 december 2008 ingestelde beroep in zoverre alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking in zoverre daarbij is nagelaten het besluit van 13 juni 2008, voor zover daarbij is geweigerd genoemde documenten openbaar te maken, te herroepen. De Afdeling zal het besluit van 13 juni 2008 in zoverre alsnog herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 3 december 2008.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 december 2009 in zaak nr. 08/5794, voor zover deze strekt tot ongegrondverklaring van het beroep van [appellant], in zoverre dit is gericht tegen het niet herroepen van het besluit van 13 juni 2008 voor zover daarbij openbaarmaking van twee interne e-mailberichten van 26 februari 2008 en een memorandum van de secretaris van de Commissie straatnaamgeving aan de ambtelijke werkgroep straatnaamgeving van 12 maart 2008 is geweigerd;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nijmegen van 3 december 2008, kenmerk 246/2008, voor zover daarbij is nagelaten het besluit van 13 juni 2008, voor zover daarbij is geweigerd genoemde documenten openbaar te maken, te herroepen;

V. herroept het besluit van de raad van de gemeente Nijmegen van 13 juni 2008, kenmerk Q310/08.0016381, voor zover daarbij is geweigerd genoemde documenten openbaar te maken;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 3 december 2008;

VII. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem voor het overige;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Nijmegen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010

419-597.