Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
200910174/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan Woningbouwvereniging Laurentius vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 87 appartementen met parkeervoorziening op het perceel Bisonstraat 3 te Breda (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/739

Uitspraak

200910174/1/H1.

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 november 2009 in zaken nrs. 09/1400 en 09/1484 in het geding tussen:

1. [appellant sub 1]

2. [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan Woningbouwvereniging Laurentius vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 87 appartementen met parkeervoorziening op het perceel Bisonstraat 3 te Breda (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 februari 2009 heeft het college het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en [belanghebbende A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 november 2009, verzonden op 18 november 2009, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2010, waar [appellant sub 1], [belanghebbende B], [appellant sub 2] en het college, vertegenwoordigd door C.T.M. van Slingerland, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Woningbouwvereniging Laurentius, vertegenwoordigd door J.G. Ekers, H. Visser en mr M. van Geilswijk, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Brabantpark" de bestemming "Wijkvoorzieningen Wv" met nadere aanduiding (ow)".

Ingevolge artikel 7, aanhef, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor onderwijs- en woondoeleinden met bijbehorende dienstwoningen, nutsvoorzieningen, bijgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, luifels, tuinen, erven, groen-, geluidbeperkende en parkeervoorzieningen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder 1, mogen gebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken worden gebouwd dan wel in of achter de op de plankaart aangegeven bouwgrens.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder 3, is de goothoogte van gebouwen ten hoogste 7 meter, tenzij op de plankaart anders is aangegeven. Op de plankaart is aangegeven dat de goothoogte ten hoogste 12 meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het plan ten behoeve van maximale en minimale hoogte-, breedte- en oppervlaktematen voor bebouwing als aangegeven op de plankaart dan wel omschreven in de voorschriften indien zulks om technische redenen noodzakelijk of gewenst is, mits de afwijking ten hoogste 10% bedraagt.

2.2. Het bouwplan heeft een goothoogte van 12,842 meter, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft krachtens artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften vrijstelling verleend met betrekking tot deze goothoogte, teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college overgelegde plankaart niet voldoet aan het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985). [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren daartoe aan dat door de op deze plankaart gebruikte schaal van 1:2500, de grens van het in het bestemmingsplan voorziene bouwvlak niet op een duidelijke en overzichtelijke wijze kan worden vastgesteld. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank hierdoor heeft miskend dat het bouwplan het bouwvlak met 90 centimeter overschrijdt en het derhalve ook op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de plankaart, gelet op de daarop gebruikte schaal van 1:2500, zodanig onduidelijk en onoverzichtelijk is uitgevoerd dat hieraan niet te toetsen valt. Het is voorts niet gebleken dat het bouwplan het bouwvlak overschrijdt en het ook op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het bouwplan slechts ten aanzien van de goothoogte in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4. Ingevolge artikel 2.4.1 van de bouwverordening van de gemeente Breda (hierna: de bouwverordening) mag op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en

1. dat de grond raakt, of

2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldoende vast staat dat ter plaatse van het bouwplan niet langer sprake is van relevante bodemverontreiniging en het bouwen aldaar niet in strijd is met artikel 2.4.1 van de bouwverordening.

2.5.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, gelet op de door het college overgelegde tanksaneringscertificaten en een evaluatieverslag van de sanering van het perceel, alsmede het besluit van het college van 28 januari 2008, waarbij het de sanering van grond en grondwater als afgerond heeft beschouwd, en de brief van het college van 19 juni 2008, waarin namens het college is verklaard dat de bodem geschikt wordt geacht voor bebouwing, voldoende is aangetoond dat ter plaatse van het bouwplan niet langer sprake is van relevante bodemverontreiniging, zodat in dit specifieke geval kon worden volstaan met de vermelde stukken. Het door [appellant sub 1] aangevoerde betreft slechts de in de door het college overgelegde stukken genoemde data, alsmede de omstandigheid dat in deze stukken Laurentius niet als eigenaar van het perceel is vermeld en biedt geen grond voor het oordeel dat de conclusies met betrekking tot de bodemverontreiniging in de door het college overgelegde stukken onjuist zijn en de grond ter plaatse van het perceel zodanig verontreinigd is dat het bouwen aldaar in strijd met artikel 2.4.1 van de Bouwverordening zou zijn.

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften. Volgens [appellant sub 1] heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het overschrijden van de maximale goothoogte om technische redenen noodzakelijk is.

2.6.1. Het bouwplan voorziet in een onder het appartementengebouw gelegen parkeergarage, die niet geheel onder de grond is gelegen maar is verhoogd, alsmede in een uit drie bouwlagen bestaand appartementengebouw. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan de volgens het bestemmingsplan maximaal toegestane goothoogte enkel overschrijdt als gevolg van de ingevolge het Bouwbesluit vereiste minimale vrije hoogte van een verblijfsruimte van 2,60 meter. Gelet hierop en gegeven het feit dat het bouwplan bestaat uit drie bouwlagen op een gedeeltelijk verdiept aangelegde parkeergarage, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in dit verband op het standpunt heeft mogen stellen dat de overschrijding van de maximale goothoogte om technische redenen noodzakelijk of gewenst is, zodat het bevoegd was vrijstelling krachtens artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften te verlenen.

2.7. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, voor zover hier van belang, moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort. Tot het gebouw en terrein wordt gerekend oppervlakte welke:

- in, op of onder dat gebouw gelegen is;

- op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw is gelegen hoort. Dit terrein dient van dezelfde eigenaar of huurder van grond te zijn als het terrein hierboven genoemd en in de directe omgeving te liggen (..).

2.8. [appellant sub 1] betoogt dat het bouwplan niet voldoet aan de daarvoor geldende parkeernorm, omdat iedere bewoner van het appartementengebouw beschikt over een eigen parkeerplaats op het binnenterrein, dan wel in de parkeergarage, en het binnenterrein en de parkeergarage volgens hem beide zijn afgesloten, waardoor deze parkeerplaatsen niet meer uitwisselbaar zijn als parkeerplaatsen voor bezoekers. Om die reden kan volgens [appellant sub 1] geen gezamenlijke parkeernorm voor bewoners en bezoekers worden toegepast en dient het bouwplan te voorzien in 0,3 parkeerplaatsen per 100 m² bruto-vloeroppervlakte op eigen terrein die voor bezoekers beschikbaar zijn, hetgeen niet het geval is.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2004, nr. 200400798/1, behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Het college heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte de in de nota "Parkeer- en stallingsbeleid Breda" voor het bouwen van appartementen in het deelgebied de "schil", als bedoeld in deze nota, neergelegde parkeernorm van 1,2 parkeerplaatsen per appartement gehanteerd. In deze parkeernorm zijn 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers begrepen.

Het bouwplan voorziet in een totaal van 114 parkeerplaatsen op het eigen terrein, bestaande uit 89 parkeerplaatsen op het binnenterrein van het appartementengebouw en in de parkeergarage onder het appartementengebouw en 25 parkeerplaatsen langs de openbare weg op grond welke eigendom is van Laurentius. Niet in geschil is dat, indien wordt uitgegaan van een voor bewoners en bezoekers van het appartementengebouw gezamenlijke parkeernorm, daargelaten of voor het bouwplan een parkeernorm van 1,2 dan wel, zoals [appellant sub 1] voorstaat, 1,3 parkeerplaatsen per appartement geldt, het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat in dit geval de voor bezoekers en bewoners gezamenlijke parkeernorm dient te worden opgesplitst en het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor bezoekers. De omstandigheid dat de parkeerplaatsen op het binnenterrein en in de parkeergarage feitelijk slechts toegankelijk zijn voor bewoners door de plaatsing van een slagboom is in dit kader niet relevant, reeds omdat het bouwplan niet in deze slagboom voorziet.

Het betoog faalt.

2.9. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Zij wijzen er in dat kader op dat het reeds aanwezige parkeerprobleem en de gevolgen van het bouwplan voor de parkeerdruk in de omgeving door het college onvoldoende zijn meegewogen in de in het kader van de vrijstelling te maken belangenafweging. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat realisering van het bouwplan tot een afname van de leefbaarheid voor omwonenden en de verkeersveiligheid in de omgeving zal leiden, nu geen herinrichting van de omgeving zal plaatsvinden, en realisering van het bouwplan voorts tot een inbreuk op zijn privacy zal leiden, omdat de bewoners van de begane grond van het appartementengebouw als gevolg van de verhoogde parkeergarage over de voor het appartementengebouw geparkeerde auto's heen kunnen kijken in de woningen daartegenover.

2.10.1. Vooropgesteld wordt dat de vrijstelling slechts de goothoogte van het bouwplan betreft en in de met betrekking tot deze vrijstelling te maken belangenafweging dan ook de gevolgen daarvan dienen te worden meegewogen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen voorziet en geen ontheffing van de bouwverordening behoeft te worden verleend, niet wordt toegekomen aan een belangenafweging op dit punt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van de overschrijding van de maximaal toegestane goothoogte, gelet op de ruime bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en de geringe overschrijding van de toegestane goothoogte, in verhouding tot de door [appellant sub 1] aangevoerde belangen in de zin van de leefbaarheid voor omwonenden, dan wel aantasting van de privacy, niet zodanig zijn dat het deze belangen had dienen te laten prevaleren boven het belang van Laurentius bij realisering van het bouwplan.

Het betoog faalt.

2.11. [appellant sub 1] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. [appellant sub 1] wijst er in dat kader op dat hij geen inzage heeft gekregen in de motivering van de welstandscommissie en de stukken waarop die motivering is gebaseerd. Om die reden kan ook geen gemotiveerd tegenadvies worden overgelegd, aldus [appellant sub 1].

2.11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende

Het college heeft zijn standpunt omtrent de welstand gebaseerd op het positieve advies van de commissie Welstand en Monumenten (hierna: welstandscommissie) van 25 juni 2008 en de daaraan ten grondslag liggende adviezen van de secretaris van de welstandscommissie en de welstandscommissie van respectievelijk 8 mei en 14 mei 2008.

[appellant sub 1] heeft het welstandsadvies van 25 juni 2008 niet bestreden met een advies van een andere deskundige persoon of instantie. Ook overigens is niet gebleken dat het welstandsadvies zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag mocht leggen. [appellant sub 1] wordt niet gevolgd voor zover hij betoogt dat het niet mogelijk is een tegenadvies te laten opstellen, omdat de motivering van de welstandscommissie en de daaraan ten grond liggende stukken ontbreken. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de stukken van de welstandscommissie blijkt dat een eerder positief beoordeeld bouwplan, waarvoor op 16 juni 2006 bouwvergunning is verleend, is getoetst aan de nota "Veranderende welstand" (hierna: welstandsnota) en dat dit bouwplan volgens de welstandscommissie aan de welstandsnota voldeed. De welstandscommissie heeft tussen voornoemd eerder positief beoordeeld bouwplan en het huidige bouwplan geen verschillen geconstateerd die voor het beoordelen van welstandsaspecten van het bouwplan relevant zijn zodat de welstandscommissie thans opnieuw positief heeft geadviseerd. Hieruit kan worden afgeleid dat het huidige bouwplan volgens de welstandscommissie aan de welstandsnota voldoet. Niet valt in te zien waarom ten aanzien van dit standpunt van de welstandscommissie en het college geen tegenadvies opgesteld zou kunnen worden. Het eerst in hoger beroep ingenomen standpunt van [appellant sub 1] dat het bouwplan in strijd is met de welstandsnota omdat het te massaal zou zijn, te dicht op de straat is voorzien en geen positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare ruimte, biedt voorts onvoldoende grond voor de conclusie dat de welstandsadviezen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

De rechtbank is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat het college zich in redelijkheid op grond van het welstandsadvies van 25 juni 2008 op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.12. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college met betrekking tot de aanvraag om bouwvergunning en het voornemen tot verlenen van vrijstelling niet heeft voldaan aan de publicatievereisten voor het internet, nu door het college prints van het intranet zijn overgelegd en het intranet niet openbaar is, wordt overwogen dat, wat daar verder van zij, de aanvraag om bouwvergunning en het voornemen tot het verlenen van vrijstelling in ieder geval zijn gepubliceerd in "Het Stadsblad" op respectievelijk 18 juni en 25 juni 2008 en daarmee aan de wettelijke publicatie- en informatievereisten, zoals die luidden ten tijde hier van belang en neergelegd in artikel 41 van de Woningwet en artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is voldaan.

2.13. Nu tenslotte niet is gebleken dat het door het college overgelegde dossier onvolledig is, is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010

357-580.