Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
201002059/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 11 juli 2006 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van een bedrijfswoning in bedrijfsgebouw en het bouwen van een vervangende nieuwe bedrijfswoning met bijbehorend bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201002059/1/H1.

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Oldebroek,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 februari 2010 in zaak nr. 08/2174 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 11 juli 2006 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van een bedrijfswoning in bedrijfsgebouw en het bouwen van een vervangende nieuwe bedrijfswoning met bijbehorend bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 september 2008 heeft het college het door [appellanten] tegen de besluiten van 11 juli 2006 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard, die besluiten herroepen en met gebruikmaking van de door de raad van de gemeente Oldebroek (hierna: de raad) bij besluit van 30 september 2008 verleende vrijstelling opnieuw bouwvergunning verleend.

Bij uitspraak van 3 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[vergunninghouder] heeft voorts een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2010, waar [een van de appellanten], bijgestaan door mr. L. Bolier, en het college, vertegenwoordigd door J. Tuitert en L.J. Visser, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college het door [appellanten] tegen het besluit van 11 juli 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd bij uitspraak van 21 december 2006, nrs. 06/2580 en 06/2609. Bij uitspraak van 22 augustus 2007, in zaaknr. 200700950/1, heeft de Afdeling naar aanleiding van de daartegen door het college en [vergunninghouder] ingestelde hoger beroepen geoordeeld dat de voorzieningenrechter terecht tot de conclusie is gekomen dat het college niet bevoegd was op basis van categorie 12 van de door het college van gedeputeerde staten opgestelde lijst van gevallen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. De Afdeling heeft niettemin aanleiding gezien de uitspraak van de voorzieningenrechter te vernietigen, voor zover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en heeft bepaald dat het college een nieuw besluit diende te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Oldebroek-Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden" met de aanduiding "Agrarisch bouwperceel".

Ingevolge artikel 5, onder 2.2., aanhef en sub a1, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag per bedrijf ten hoogste één agrarische bedrijfswoning aanwezig zijn.

2.3. [appellanten] voeren voor het eerst in hoger beroep aan dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet kan worden verkregen. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellanten] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen, gelet op de functie van het hoger beroep, hadden behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het overgangsrecht niet van toepassing is op het bouwplan en dat de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2007 geen aanleiding geeft voor een andere opvatting.

2.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2007 volgt dat op het perceel een tweede agrarische bedrijfswoning aanwezig is, die onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. Daargelaten dat de door de rechtbank bedoelde overweging van de Afdeling in de uitspraak van 22 augustus 2007 deel uitmaakt van een feitelijke omschrijving van de ter plaatse bestaande situatie en van het bouwplan zoals het in de besluitvorming van het college is gepresenteerd en aanvaard en geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordeel bevat, heeft de desbetreffende overweging enkel betrekking op de bestaande woning aan de [locatie]. Nu het bouwplan voorziet in de oprichting van een geheel nieuwe, grotere agrarische bedrijfswoning op een andere plaats dan de bestaande woning, komt aan die overweging van de Afdeling dan ook niet de betekenis toe die de rechtbank daaraan toekent. Het gebruik van de voorziene woning als tweede agrarische bedrijfswoning valt voorts niet onder het gebruiksovergangsrecht, nu voortzetting van dat gebruik alleen betrekking kan hebben op het gebruik van de bestaande woning. Een andere opvatting heeft tot gevolg dat nieuwe bebouwing wordt opgericht ten behoeve van met de bestemming strijdig gebruik dat wordt gedekt door het overgangsrecht ten aanzien van andere bebouwing. Dit is in strijd met doel en strekking van het overgangsrecht met betrekking tot het gebruik.

Het betoog slaagt.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de raad in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan, nu geen sprake is van een agrarisch bedrijf, maar van het hobbymatig houden van dieren.

2.5.1. Ingevolge artikel 1, onder 7, van de planvoorschriften wordt, voor zover thans van belang, onder agrarisch bedrijf verstaan: een veehouderij (inclusief veehandelsbedrijf).

2.5.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ontplooien de broer van [vergunninghouder] en zijn zoon op het aangrenzende perceel [locatie a] agrarische activiteiten in de vorm van een veehouderij. Het college stelt zich blijkens de stukken thans op het standpunt dat de agrarische activiteiten een omvang hebben van 19 NGE. [appellanten] stellen dat de omvang minder dan 6 NGE bedraagt. Niet in geschil is dat in het provinciale beleid een bedrijfsomvang van minder dan 20 NGE als hobbymatig wordt aangemerkt. Nu de omvang van de activiteiten op het perceel [locatie a] in elk geval minder dan 20 NGE bedraagt, volgt hieruit dat geen sprake is van een agrarisch bedrijf, maar van activiteiten met een hobbymatig karakter die niet zijn gericht op de vorming van inkomen, laat staan dat deze activiteiten gericht zouden zijn op de vorming van inkomen uit het agrarische bedrijf op het perceel waarvoor de tweede bedrijfswoning is aangevraagd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat vaststaat dat [vergunninghouder] elders een voltijdsbaan heeft. Het betoog slaagt.

Gelet op hetgeen hiervoor en in rechtsoverweging 2.4.1. is overwogen ontbeert het door de raad genomen vrijstellingsbesluit een deugdelijke motivering. Het college heeft daarvan bij het nemen van zijn besluit dan ook ten onrechte gebruik gemaakt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen door [appellanten] overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de besluiten van 30 september 2008 van de raad en van het college alsnog gegrond verklaren. Die besluiten komen eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.7. De raad en het college dienen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 februari 2010 in zaak nr. 08/2174;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oldebroek van 30 september 2008, nr. 36342;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek van 30 september 2008, kenmerk nr. 20060105/bwt;

VI. veroordeelt de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek tezamen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: duizend vijfhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek tezamen aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoeden, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010

392.