Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
201004392/2/R2 en 201004392/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft de raad van de gemeente Barneveld het bestemmingsplan "Barneveld-West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201004392/2/R2 en 201004392/1/R2.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2010 heeft de raad van de gemeente Barneveld het bestemmingsplan "Barneveld-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 mei 2010.

Bij eerstgenoemde brief hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 juli 2010, waar [verzoeker A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. de Goeij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.2. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dit is ingesteld door [verzoeker B], nu zij geen zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan heeft ingediend. Verder betwist de raad de ontvankelijkheid van het beroep voor zover hierin planonderdelen worden bestreden die niet in de zienswijze zijn genoemd.

2.2.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[verzoeker B] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [verzoeker A] voor zover dit is ingesteld door [verzoeker B], is niet-ontvankelijk.

2.2.2. Uit artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, volgt dat door een belanghebbende slechts beroep kan worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Hieruit volgt niet dat in beroep ten aanzien van reeds aangevochten onderdelen geen nieuwe beroepsgronden meer naar voren mogen worden gebracht. Nu het in beroep aangevoerde betrekking heeft op dezelfde planonderdelen als waartegen [verzoeker A] een zienswijze heeft ingediend, te weten de plandelen met de bestemmingen "Wonen-1" en "Tuin", is hij, gelet op het voorgaande, ontvankelijk in zijn beroep.

Ten aanzien van het beroep voor het overige

2.3. Het plan heeft betrekking op het westelijk deel van de kern van Barneveld en strekt ertoe een groot aantal oudere bestemmingsplannen te actualiseren en uniformiteit tussen de plannen onderling aan te brengen.

2.4. [verzoeker A] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan voor zover dit betrekking heeft op de plandelen met de bestemmingen "Wonen-1" en "Tuin" die zien op zijn perceel [locatie]. Ter zitting heeft hij zijn beroep beperkt tot de plaats van de bestemmingsgrens. Hij stelt dat deze grens, de grens van de bestemming "Wonen-1" aan de kant van de Tulpenstraat, ten onrechte een meter is teruggelegd ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Hij stelt dat hij hierdoor beperkt wordt in zijn bouwmogelijkheden op de door hem gewenste plek. Daarnaast stelt [verzoeker A] dat aan hem is toegezegd dat hij daar mocht bouwen. Hij verwijst in dit verband naar verslagen van zijn gesprekken met de wethouder. Ter zitting heeft [verzoeker A] gesteld dat elders in de wijk de bouw van een woning is toegestaan waarbij wel over de grens van de bestemming "Wonen-1" is gebouwd.

2.4.1. De raad stelt dat de grens van de bestemming "Wonen-1" enigszins is teruggelegd op het perceel van [verzoeker A] ten opzichte van het vorige bestemmingsplan, overeenkomstig de systematiek in het gehele plan om deze grens niet gelijk te laten lopen met de bouwvlakken voor de woningen. Dit heeft volgens de raad tot gevolg dat [verzoeker A] op deze plek 2,2 m2 minder oppervlakte heeft waarop mag worden gebouwd. Van een beperking van de bouwmogelijkheden van [verzoeker A] is volgens de raad echter geen sprake, nu hij op andere delen van zijn perceel meer mag bouwen. De raad wijst in dit verband op het grotere bouwvlak en de ruimere bouwregels in vergelijking met het vorige bestemmingsplan. Verder stelt de raad dat er geen afspraken zijn gemaakt door de wethouder met [verzoeker A]. Ten aanzien van het beroep van [verzoeker A] op het gelijkheidsbeginsel heeft de raad ter zitting gesteld dat de vergelijking niet op gaat, omdat voor de bebouwing op dat perceel een ander bestemmingsplan gold, met een andere systematiek, en voor de bouw van een woning op dat perceel al in 2007 een vrijstelling is verleend.

2.4.2. De grens van de bestemming "Wonen-1" en de bestemming "Tuin" op het perceel van [verzoeker A] aan de zijde van de Tulpenstraat is voor een deel teruggelegd in vergelijking met het vorige bestemmingsplan "De Lors/ Oldenbarneveld/ Van Hogendorplaan" uit 1985. Ten gevolge hiervan is het voor [verzoeker A] niet mogelijk een (bij)gebouw te realiseren op dezelfde afstand van de weg als de woning van zijn buurman en mist hij daar circa 2,2 m2 aan bebouwbare oppervlakte. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt verder dat de bouwmogelijkheden op het perceel van [verzoeker A] zijn verruimd ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. De bestaande rechten van [verzoeker A] wat betreft de bouwgrens aan de kant van de Tulpenstraat zijn met dit plan enigszins beperkt. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad heeft in dit verband van belang kunnen achten dat grote bouwwerken op korte afstand van de openbare weg uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk zijn. Verder heeft de raad belang kunnen toekennen aan het behouden van de prominente positie van hoofdgebouwen. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [verzoeker A] door de vaststelling van dit plan niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad, nu op zijn perceel per saldo de bouwmogelijkheden niet minder zijn geworden.

Wat betreft het beroep van [verzoeker A] op het vertrouwensbeginsel is van belang dat uit de gespreksverslagen niet blijkt dat aan hem is toegezegd dat hij tot op de vorige bestemmingsgrens mocht bouwen.

2.4.3. Ten aanzien van de door [verzoeker A] gemaakte vergelijking met de bebouwing op een perceel elders in de wijk wordt overwogen dat de door de raad vermelde punten van verschil ten opzichte van het perceel van [verzoeker A], als weergegeven in 2.4.1., door [verzoeker A] niet zijn betwist. Reeds hierom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van gelijke gevallen.

2.5. In hetgeen [verzoeker A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [verzoeker A] en [verzoeker B] voor zover ingesteld door [verzoeker B], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor zover ingesteld door [verzoeker A] ongegrond;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

234-647.