Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
201002379/1/R2 en 201002379/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Haarweg tegenover 11 te Leersum" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201002379/1/R2 en 201002379/2/R2.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Haarweg tegenover 11 te Leersum" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 april 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2010, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 juli 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. S. Oord, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door G. Veenstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [belanghebbende] daar gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het wijzigingsplan voorziet in de totstandkoming van een nieuw bouwvlak ten behoeve van een paardenfokkerij, het mogelijk maken van de bouw van een nieuwe paardenstal en het binnen de bouwgrenzen brengen van bestaande bebouwing.

2.3. [appellant] betoogt dat de schriftelijke toelichting van LTO Noord van 2 december 2009 op het bedrijfsplan van [belanghebbende] voor zijn [paardenfokkerij] van 24 januari 2007 (hierna: het bedrijfsplan) in strijd met artikel 3:11 van de Awb niet bij het ontwerp van het wijzigingsplan ter inzage is gelegd.

2.3.1. De voorzitter constateert dat het ontwerp van het wijzigingsplan met de hierop betrekking hebbende stukken, waaronder het bedrijfsplan, met ingang van 7 september 2009 gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen. De schriftelijke toelichting van LTO Noord dateert van na die periode, zodat reeds hierom geen sprake is van een op het ontwerp betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Overigens heeft het college de schriftelijke toelichting van LTO Noord bij zijn besluitvorming betrokken, is het vastgestelde wijzigingsplan met genoemde toelichting aan [appellant] toegezonden op 29 januari 2010 en heeft het vastgestelde wijzigingsplan met genoemde toelichting met ingang van 1 februari 2010 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd is met artikel 6, twaalfde lid, onder c en d, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Leersum 2005".

2.4.1. Het wijzigingsplan ziet op een perceel dat in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leersum 2005" de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" heeft.

In artikel 6, twaalfde lid, van de voorschriften van dit bestemmingsplan is, voor zover hier van belang, bepaald dat het college bevoegd is het plan te wijzigen, zodanig dat op de plankaart op de gronden met deze bestemming een of meer nieuwe bouwpercelen worden aangegeven, mits:

c. is aangetoond dat het te vestigen bedrijf naar omvang en activiteiten aan ten minste een volwaardige arbeidskracht een volledige dagtaak biedt,

d. is aangetoond dat geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand, op de plankaart aangeduid bouwperceel.

2.4.2. Het college heeft het bedrijfsplan en de schriftelijke toelichting van LTO Noord van 2 december 2009 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. In het bedrijfsplan is uiteengezet dat de activiteiten bestaan uit het fokken, opfokken, africhten en de verkoop van paarden. Ten tijde van de opstelling van het bedrijfsplan waren zes fokmerries op het bedrijf aanwezig. De hengsten die [belanghebbende] inzet voor de merries hebben zich allen bewezen in de springsport. Het uiteindelijke doel is het realiseren van een volwaardige fokkerij die aan het gezin van [belanghebbende] een volwaardig inkomen biedt. Het bedrijfsplan voorziet onder meer in 15 merrieboxen, 21 boxen voor de opfok en 8 boxen voor africhtingspaarden. Het bedrijf biedt volgens het bedrijfsplan naar omvang en activiteiten aan ruim 3 volwaardige arbeidskrachten een volledige dagtaak. De in het bedrijfsplan omschreven paardenstapel komt overeen met een arbeidsomvang van 65,34 nge. In de toelichting van LTO Noord van 2 december 2009 is mede aan de hand van tabellen de tijdsduur uiteengezet die nodig is om de in het bedrijfsplan genoemde ruim 3 volwaardige arbeidskrachten te bereiken. In 9 jaren bereikt het bedrijf deze omvang. In deze toelichting staat tevens vermeld dat de in het bedrijfsplan beschreven vereiste omvang van een volwaardig bedrijf voor 1 persoon in het tweede jaar wordt bereikt.

De voorzitter is van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het bedrijfsplan en aan de toelichting van LTO Noord van 2 december 2009 zodanige gebreken kleven dat het college deze stukken niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Niet gebleken is dat in het bedrijfsplan en de toelichting van LTO Noord met onjuiste eenheden is gemeten bij de bepaling van de arbeidsomvang en de volwaardigheid van het bedrijf. Hoewel het bedrijfsplan en de toelichting van LTO Noord geen financiƫle paragraaf bevatten, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde bedrijfsopzet, zoals die in de betrokken rapportages is uiteengezet, geen rendabele exploitatie van een volwaardig bedrijf mogelijk maakt.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het wijzigingsplan in overeenstemming is met artikel 12, zesde lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leersum 2005". Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het fokken van paarden en het daarmee onlosmakelijk verbonden opfokken, africhten en verkopen van paarden vanuit het bedrijf een agrarische activiteit in de zin van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leersum 2005" is. Anders dan [appellant] kennelijk meent biedt het bedrijfsplan noch de toelichting van LTO Noord van 2 december 2009 aanknopingspunten voor de opvatting dat het wijzigingsplan niet ziet op een volwaardige paardenfokkerij maar op een paardenhouderij met als ondergeschikte nevenactiviteit een paardenfokkerij.

2.4.3. Het college heeft verder de schriftelijke en ondertekende verklaring van Wivema Vastgoed B.V. van 18 juli 2008 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Deze verklaring houdt in dat in de periode van 19 juni 2006 tot en met 18 juli 2007 geen bestaande op de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied Leersum 2005" aangeduide bouwpercelen voor verwerving beschikbaar zijn gekomen, die gebruikt konden worden als bouwperceel ten behoeve van een paardenfokkerij zoals aangevraagd door [belanghebbende]. De voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat het college deze verklaring niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. [appellant] heeft geen gegevens overgelegd die erop duiden dat percelen als in de verklaring genoemd beschikbaar waren in die periode.

Het college heeft wat betreft de periode van het onderzoek naar de beschikbaarheid van een ander op de plankaart aangegeven bouwperceel mogen volstaan met onderzoek dat de periode beslaat van 19 juni 2006 tot aan de datum waarop [appellant] aan het college verzocht om ten behoeve van een paardenfokkerij medewerking te verlenen aan wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied Leersum 2005" met toepassing van de daarin neergelegde wijzigingsbevoegdheid. In een vroeg stadium kon het college dan afwegen of de aankoop van een bestaand bouwperceel tot de mogelijkheden behoorde. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat de nodige voorbereidingstijd en het noodzakelijk overleg met de gemeente is voorafgegaan aan indiening van de formele aanvraag van het wijzigingplan. Bovendien volgt uit de schriftelijke verklaring van Wivema Vastgoed B.V. van 6 juli 2010 dat ook over de periode van 19 juli 2007 tot de terinzagelegging van het ontwerp van het wijzigingsplan op 7 september 2009 geen bestaande op de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied Leersum 2005" aangeduide bouwpercelen voor verwerving beschikbaar zijn gekomen, die gebruikt konden worden als bouwperceel ten behoeve van een paardenfokkerij zoals aangevraagd door [belanghebbende].

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het wijzigingsplan in overeenstemming is met artikel 12, zesde lid, aanhef en onder d, van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leersum 2005".

2.4.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het wijzigingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

12.