Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
201000591/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2009 heeft het dagelijks bestuur aan het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonvoorziening met 15 plaatsen ten behoeve van maatschappelijke opvang op het perceel Wollefoppenweg, voorlopig genummerd 41, te Rotterdam (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/738

Uitspraak

201000591/1/H1.

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Opvangtehuis Nesselande Nee! en anderen (hierna: de stichting en anderen), allen gevestigd, onderscheidenlijk wonend, te Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2009 in zaak nrs. 09/3702 en 09/2963 in het geding tussen:

de stichting en anderen

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2009 heeft het dagelijks bestuur aan het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonvoorziening met 15 plaatsen ten behoeve van maatschappelijke opvang op het perceel Wollefoppenweg, voorlopig genummerd 41, te Rotterdam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het dagelijks bestuur het door de stichting en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2009, verzonden op 4 december 2009, heeft de voorzieningenrechter het door de stichting en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2010, waar de stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.F. Bil, advocaat te Oosterhout, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem en E. Pot, beiden werkzaam in dienst van de deelgemeente, zijn verschenen. Namens het Leger des Heils is G. Kraaijeveld verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat uit het besluit van 27 februari 2009 niet blijkt dat de desbetreffende bevoegdheden rechtsgeldig zijn gedelegeerd, onderscheidenlijk gemandateerd.

2.1.1. Dit betoog faalt, omdat niet het besluit van 27 februari 2009, maar het besluit op bezwaar van 14 juli 2009 ter toetsing voorlag. In het advies van de bezwaarschriftencommissie van 12 mei 2009, welk advies dient als motivering van het besluit van het dagelijks bestuur van 14 juli 2009, is vermeld dat dit besluit op grond van een gedelegeerde bevoegdheid is genomen, met vermelding van de desbetreffende delegatiebesluiten en de vindplaatsen daarvan. Aldus is dit besluit bevoegd genomen en is voldaan aan het vereiste van artikel 10:19, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat zo al sprake zou zijn van een gebrek aan het besluit van 27 februari 2009, dit eventuele gebrek bij het besluit op bezwaar geheeld is.

2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een woonvoorziening met 15 plaatsen ten behoeve van maatschappelijke opvang.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nesselande" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden, uit te werken (W)".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften (doeleindenomschrijving), voor zover thans van belang, zijn de gronden, aangewezen voor "Woondoeleinden" bestemd voor woningen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, voor zover thans van belang, moeten burgemeester en wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) het plan uitwerken voor wat betreft de gronden met de bestemmingen "Woondoeleinden."

Ingevolge het tweede lid mag op de in het eerste lid bedoelde gronden het bouwen uitsluitend plaatsvinden overeenkomstig een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde uitwerking van het desbetreffende plangedeelte.

Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het tweede lid ten behoeve van een in voorbereiding zijnde uitwerking van het desbetreffende plangedeelte, na ontvangst van een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten.

2.4. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid kan mede een uitwerkingsplicht inhouden. Bij het plan wordt geregeld op welke wijze belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen omtrent de uitwerking of wijziging naar voren te brengen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn:

a. van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen;

b. ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen.

Ingevolge het tweede lid kan bij het plan worden bepaald, dat vrijstelling van bepaalde voorschriften slechts kan worden verleend mits vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.5. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat geen uitwerkingsplan is vastgesteld. Om voor de uitvoering ervan niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het dagelijks bestuur daarvoor krachtens artikel 15, eerste lid, van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften, vrijstelling verleend.

2.6. Het college van gedeputeerde staten van Zuid Holland heeft op 25 november 2008 van rechtswege een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van de realisering van het bouwplan verleend. Bij brief van 17 februari 2009 hebben gedeputeerde staten te kennen gegeven dat het bouwplan voldoet aan het provinciaal ruimtelijk beleid.

Samen met het bouwplan is het concept-uitwerkingsplan "Zeventiende uitwerking tevens gedeeltelijke wijziging bestemming woondoeleinden bestemmingsplan Nesselande" van 30 april 2004 ter inzage gelegd.

2.7. De stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet heeft voldaan aan de verplichting tot het uitwerken van het bestemmingsplan, alvorens vrijstelling te verlenen, zoals het heeft gedaan.

2.7.1. Dit betoog faalt. De bevoegdheid om krachtens artikel 15 van de WRO vrijstelling te verlenen is een zelfstandige die los staat van de bevoegdheid, geregeld in artikel 11 van die wet. Artikel 15 van de WRO, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, biedt voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat van de daarin geregelde bevoegdheden geen gebruik mag worden gemaakt, indien voor de gronden waarop het desbetreffende project is voorzien een uitwerkingsplicht, als bedoeld in artikel 11 van die wet, geldt. Dat, als gesteld, bij uitwerking van een bestemmingsplan beter tot een integrale afweging van alle betrokken belangen kan worden gekomen, dan bij het verlenen van een afzonderlijke vrijstelling, maakt dat - wat daarvan overigens zij - niet anders.

De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde dan ook geen grond hoeven zien voor het oordeel dat de omstandigheid dat een bestemmingsplan met uitwerkingsplicht van toepassing is, niet meebrengt dat het desbetreffende bestuursorgaan geen gebruik mag maken van de in de WRO verleende bevoegdheid vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

2.8. De stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de toegepaste vrijstellingsbepaling van artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften onvoldoende objectief begrensd is, aangezien voor de gronden, waarop het bouwplan is voorzien, geen uitwerkingsplan is vastgesteld.

2.8.1. Dit betoog faalt. Artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften is voldoende objectief begrensd, nu daarin uitdrukkelijk is bepaald aan welke voorwaarden moet worden voldaan opdat vooruitlopend op een door gedeputeerde staten goedgekeurde uitwerking van de desbetreffende bestemming toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen. Dat ten tijde van de verlening van vrijstelling krachtens artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften een ter inzage gelegd concept-uitwerkingsplan voorlag en geen vastgesteld uitwerkingsplan, stond aan de toepassing van die vrijstellingsbepaling niet in de weg.

2.9. De stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan past binnen de bestemming "Woondoeleinden."

2.9.1. Aangezien de betekenis van de term "woning" in het bestemmingsplan niet nader is bepaald en in het bestemmingsplan voor de betekenis van die term niet naar enig voorschrift is verwezen, heeft de voorzieningenrechter terecht, aansluiting zoekend bij het algemeen spraakgebruik, onder die term in het bestemmingsplan diverse uiteenlopende vormen van huisvesten begrepen.

2.9.2. Door het dagelijks bestuur is ter zitting toegelicht dat beoogd wordt in de te realiseren woonvoorziening voormalig dak- en thuislozen, die nog net niet toe zijn aan het geheel zelfstandig functioneren in de maatschappij, op te vangen en te begeleiden. De woonvoorziening zal uit vijftien zelfstandige appartementen bestaan. Weliswaar is in een gemeenschappelijke ruimte voorzien, maar de bewoners beschikken in hun appartement over eigen kookgelegenheid en sanitair. De bewoners werken overdag elders of hebben een dagbesteding. De begeleiding van de bewoners op de locatie betreft specifiek de ondersteuning bij het zelfstandig wonen, werken en besteden van vrije tijd. In de praktijk zal de begeleiding er uit bestaan dat tussen bewoners en begeleiding op afspraak gesprekken plaatsvinden, welke omstreeks een tot anderhalf uur in beslag nemen en waarvan vervolgens een rapport wordt opgemaakt. Aangezien de bewoners geen voortdurende zorg nodig hebben, is de begeleiding niet woonachtig binnen de woonvoorziening. Dat in de aanloopperiode, gedurende de eerste zes maanden na oplevering van de woonvoorziening, 24-uurs begeleiding aanwezig zal zijn, is omdat dat op verzoek van en in overleg met de omwonenden is afgesproken, aldus het dagelijks bestuur.

2.9.3. Aldus ligt de nadruk in de woonvoorziening op wonen, derhalve niet op begeleiding. Onder deze omstandigheden, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het dagelijks bestuur het beoogde gebruik terecht niet in strijd met bestemming "Woondoeleinden" geacht.

2.10. De stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het voorziene gebruik zodanige overlast met zich zal brengen, dat het dagelijks bestuur in verband daarmee niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ten behoeve van het bouwplan vrijstelling te verlenen, als het heeft gedaan.

2.10.1. Dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft in het door de stichting en anderen in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de belangen van omwonenden, waarbij zij in het bijzonder op de door hen verwachte overlast wijzen, zodanig worden geschonden dat het dagelijks bestuur in verband daarmee in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de vrijstelling te verlenen. Daarbij worden de concrete afspraken die tussen de betrokken partijen - behalve vertegenwoordigers van de deelgemeente, het Leger des Heils en omwonenden ook de politie - zijn gemaakt, onder meer om overlast te voorkomen, in aanmerking genomen. Alle betrokken partijen hebben zich aan deze afspraken gecommitteerd. De afspraken zullen in een convenant worden vervat, dat bij de oplevering van de woonvoorziening door alle betrokken partijen zal worden ondertekend, zo heeft het dagelijks bestuur ter zitting te kennen gegeven. Daarbij heeft het dagelijks bestuur onweersproken gesteld dat bij vergelijkbare woonvoorzieningen elders in de gemeente Rotterdam reeds met dergelijke convenanten wordt gewerkt en dat deze aanpak goed blijkt te functioneren.

2.11. De stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat na realisering van het bouwplan niet in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.

2.11.1. De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich niet op het standpunt mocht stellen dat gelet op de bijzondere aard van de woonvoorziening met het realiseren van 6 parkeerplaatsen in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Het betoog faalt.

2.12. De stichting en anderen hebben de beroepsgrond dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat niet aan de voorschriften ten aanzien van de luchtkwaliteit wordt voldaan, niet nader onderbouwd. Voor zover zij daarop ter zitting van de Afdeling een summiere toelichting hebben gegeven, was het, mede gelet op de aard en inhoud van die grond, voor het dagelijks bestuur redelijkerwijze niet mogelijk ter zitting op passende wijze te reageren. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van hen redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij die toelichting eerder hadden gegeven, dient dit betoog, met het oog op de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten.

2.13. Voor zover de stichting en anderen betogen dat de voorzieningenrechter zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de door hen geclaimde schade, kan dit niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat, reeds omdat de voorliggende procedure de verlening van vrijstelling en bouwvergunning betreft en niet de afwijzing van een verzoek schadevergoeding toe te kennen.

2.14. Voor zover de stichting en anderen voorts in algemene zin naar de door hen in beroep aangevoerde beroepsgronden verwijzen, is dat evenzeer tevergeefs. De voorzieningenrechter heeft deze behandeld en beoordeeld. De stichting en anderen hebben niet betoogd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de voorzieningenrechter niet juist zijn.

2.15. Ten slotte kan, reeds omdat uit het vorenoverwogene volgt dat de beslissing van de voorzieningenrechter juist is, het betoog van de stichting en anderen dat de voorzieningenrechter ten onrechte met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, niet leiden tot het door hen beoogde doel.

2.16. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Haseth

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010

476.