Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
200910026/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de stichting Stichting Openbaar Primair Onderwijs Zuid Kennemerland voor het uitbreiden van een school met zes lokalen op het perceel Willem de Zwijgerlaan 120 te Overveen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200910026/1/H1.

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 november 2009 in zaak nr. 09/2965 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend aan de stichting Stichting Openbaar Primair Onderwijs Zuid Kennemerland voor het uitbreiden van een school met zes lokalen op het perceel Willem de Zwijgerlaan 120 te Overveen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 april 2009 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2009, verzonden op 11 november 2009, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 april 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2010.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Daartegen hebben [wederpartijen] bij brief van 8 maart 2010, bij de Afdeling ingekomen op 9 maart 2010, beroep ingesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Stichting Openbaar Primair Onderwijs een reactie gegeven. Het college heeft een verweerschrift inzake het beroep ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartijen], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. M.N. Visser, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Openbaar Primair Onderwijs, vertegenwoordigd door drs. J.C.M. Rasch en drs. D.E. Doing, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Met het bouwplan wordt beoogd drie noodlokalen van de op het perceel aanwezige Julianaschool te vervangen en het bestaande ruimtetekort van de school op te heffen. Het aantal permanente lokalen wordt uitgebreid van 9 naar 15.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "De Meierij 1995" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Maatschappelijke doeleinden scholen (Ms)".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders van de bepalingen van het plan vrijstelling verlenen voor de op de kaart dan wel in de voorschriften aangegegeven maten en getallen, mits de afwijking niet meer dan 15 % bedraagt, en mits niet in de richting van de weg.

Ingevolge het tweede lid, mogen de in het eerste lid genoemde vrijstellingen slechts worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, zijn de op de plankaarten als zodanig aangewezen gronden bestemd voor ter plaatse van de subbestemming Ms: scholen.

Ingevolge het tweede lid, zijn ten behoeve van de in het eerste lid genoemde bestemmingen toegelaten gebouwen ten dienste van maatschappelijke doeleinden als bedoeld in het eerste lid en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, mogen gebouwen en andere bouwwerken als bedoeld in het tweede lid uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van op de kaart en hierna te geven aanwijzing: een op de kaart ingeschreven bebouwingspercentage geeft aan tot welke grondoppervlakte de betrokken gronden ten hoogste mogen worden bebouwd; indien geen percentage is ingeschreven mogen de gronden volledig worden bebouwd.

2.3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat daarmee het op het perceel ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften gelezen in samenhang met de plankaart maximaal toegestane bebouwingspercentage van 30 wordt overschreden. Het college heeft om realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken hiervoor vrijstelling verleend ingevolge artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in verbinding met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

2.4. Het college bestrijdt niet de vernietiging van het besluit van 29 april 2009 als zodanig, doch betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bevoegd was om met toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Hiertoe voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de planwetgever, gelet op de koptekst en de leden van die bepaling, niet anders kan hebben bedoeld dan een vrijstellingsmogelijkheid te creƫren voor kleine bouwwerken en geringe afwijkingen.

2.4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat het college met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

2.4.2. Anders dan [wederpartijen] in dit verband hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften in strijd is met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO. Verder bieden de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bouwplan niet binnen het toepassingsbereik van deze bepaling zou vallen. Voor zover in dit verband al betekenis moet worden toegekend aan de zinsnede "geringe afwijkingen" in de koptekst van artikel 4 van de planvoorschriften, moet worden vastgesteld dat deze in het bepaalde in het eerste lid, onder b, is geconcretiseerd. Een beperking van de uitbreiding in absolute zin valt in deze bepaling niet te lezen, noch uit de andere onderdelen van de bepaling af te leiden. Ook is niet gebleken dat aan de overige vereisten voor het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, zoals neergelegd in het tweede lid, niet is voldaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond.

2.6. Het college heeft op 2 februari 2010 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar genomen. Het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep is, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, eveneens bij de Afdeling aanhangig.

2.7. Het betoog van [wederpartijen] dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen voor het bouwplan, faalt, gelet op hetgeen onder 2.4.2. is overwogen. Gelet op die overweging slaagt hun betoog, dat dit artikel wegens strijd met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO buiten toepassing dient te worden gelaten, evenmin.

2.8. [wederpartijen] betogen dat het college niet in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Hiertoe voeren zij aan dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan de mogelijkheid dat in de toekomst verdere uitbreiding van de school op deze locatie noodzakelijk zal blijken te zijn, met alle negatieve gevolgen voor omwonenden vandien. Voorts zal de uitbreiding van de school leiden tot verkeer-, parkeer- en geluidsoverlast en heeft het college deze gevolgen ten onrechte niet betrokken bij de belangenafweging, aldus [wederpartijen].

2.8.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft. De rechter moet zich daarom beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.8.2. Een eventuele toekomstige uitbreiding van de school is thans niet aan de orde. De vrees voor toekomstige uitbreiding kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit van 2 februari 2010. Voorts is onweersproken dat ten tijde van dat besluit ongeveer 400 leerlingen in de bestaande gebouwen waren gehuisvest, verspreid over 17 groepen. De prognose in het Integraal Huisvestingsplan 2009/2010, die gebaseerd is op demografische ontwikkelingen, voorziet in een leerlingenaantal van 410 in 2013 en een daling van het aantal leerlingen in de jaren daarna. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het aantal leerlingen ten gevolge van de realisering van het bouwplan niet substantieel toeneemt en is aannemelijk dat de bouw van zes permanente lokalen geen relevante wijziging in de huidige verkeer- en parkeerdruk en geluidsproductie vanwege de school tot gevolg zal hebben.

Het betoog faalt.

2.9. [wederpartijen] betogen voorts dat het met het bouwplan beoogde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren hiertoe aan dat op de bouwaanvraag is vermeld dat het bouwplan voorziet in het uitbreiden van een openbare basisschool met zes lokalen ten behoeve van onderwijs, maar dat de lokalen ook zullen worden gebruikt ten behoeve van buitenschoolse activiteiten.

2.9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2005 in zaak nr. 200409527/1), moet bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand een reden om bouwvergunning te weigeren, indien op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die, waarin de bestemming voorziet.

2.9.2. Daargelaten of buitenschoolse activiteiten niet passen in de bestemming "Maatschappelijke doeleinden scholen (ms)", is op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de zes lokalen mede worden opgericht ten behoeve van buitenschoolse opvang. Ter zitting hebben het college en de Stichting Openbaar Primair Onderwijs gesteld dat op dit moment op kleinschalige basis buitenschoolse activiteiten plaatsvinden in een reeds in het schoolgebouw bestaande ruimte en dat de zes te realiseren lokalen daar niet voor gebruikt zullen gaan worden. Dit is niet weersproken door [wederpartijen].

Het betoog faalt.

2.10. [wederpartijen] betogen dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, zodat het college de bouwvergunning had moeten weigeren. Volgens [wederpartijen] valt zonder nadere motivering niet te begrijpen waarom het bouwplan, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd met redelijke eisen van welstand is bevonden.

2.10.1. Aan het besluit van 2 februari 2010 heeft het college het positieve advies van de Welstands- en Monumentencommissie Bloemendaal (hierna: de welstandscommissie) van 21 oktober 2009 ten grondslag gelegd, nadat tweemaal eerder over het bouwplan was geadviseerd. Voorts is hetgeen door een architect namens [wederpartijen] tijdens de vergadering van 7 maart 2008 van de welstandscommissie is ingebracht bij de beoordeling betrokken. De welstandscommissie heeft in het advies van 21 oktober 2009 het bouwplan getoetst aan de gebiedsgerichte welstandscriteria voor het gebied Joan Mauritsplein en Oranje Nassaulaan e.o. (gebied 25) uit de van toepassing zijnde Welstandsnota van de gemeente Bloemendaal 2008. De welstandscommissie heeft in het welstandsadvies uitgebreid gemotiveerd waarom het geen bezwaar heeft tegen het ingediende bouwplan.

[wederpartijen] hebben geen advies van een ander deskundig te achten persoon of instantie overgelegd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het advies van de welstandscommissie van 21 oktober 2009 naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen en zich op basis daarvan terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

2.11. [wederpartijen] betogen dat niet is gebleken dat onderzoek is gedaan naar de bodemgesteldheid, zoals de Bouwverordening van de gemeente Bloemendaal 2009 (hierna: de Bouwverordening) vereist.

2.11.1. Dit betoog faalt. Het college heeft gesteld dat uit een onderzoeksrapport naar de bodemgesteldheid van 18 januari 2008 is gebleken dat de veronderstelling van het college, dat er geen verontreinigingen in de bodem voorkomen, juist is gebleken. [wederpartijen] kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat het besluit van 2 februari 2010 niet in stand kan blijven, omdat zij dit rapport niet hebben kunnen inzien. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het rapport bij de bouwaanvraag ter inzage heeft gelegen.

2.12. Tot slot betogen [wederpartijen] dat onvoldoende duidelijk is of het bouwplan voldoet aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

2.12.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

2.12.2. Het betoog faalt. Zoals hiervoor onder 2.8.2 is overwogen is het uitgangspunt van het college, dat het aantal leerlingen niet substantieel toeneemt, niet onjuist. Het college kon er daarom vanuit gaan dat de parkeerbehoefte tengevolge van de uitbreiding van de school niet zal toenemen. Op grond hiervan hoefde het college bij het besluit van 2 februari 2010 niet uitdrukkelijk in te gaan op de vraag of het bouwplan in strijd was met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

2.13. Het beroep is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal van 2 februari 2010 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010

17-552-414.