Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3688

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
201005974/1/H1 en 201005974/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2008 heeft het college aan [bouwburo] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van veertien appartementen met parkeerkelder op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201005974/1/H1 en 201005974/2/H1.

Datum uitspraak: 3 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) van 3 juni 2010 in zaken nrs. 10/922 en 09/2251 in het geding tussen:

[appellant] en anderen, [5 wederpartijen]

en

het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2008 heeft het college aan [bouwburo] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van veertien appartementen met parkeerkelder op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 augustus 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] en anderen, daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 augustus 2009 vernietigd voor zover daarin geen ontheffing van artikel 2.5.30, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening (hierna: de bouwverordening) is verleend. Voorts is bij deze uitspraak krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het op dit punt vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [appellant] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juli 2010, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. E.M.M. Eyking, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.G.M. Servais-Picord en ing. M.G.A. Jagersma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [bouwburo] en woningbouwvereniging Langedijk, vertegenwoordigd door mr. drs. L.T. van Eyk van Heslinga, advocaat te Alkmaar, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Anders dan [bouwburo] en woningbouwvereniging Langedijk betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. In het hoger-beroepschrift van 21 juni 2010, waarbij tevens is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, is vermeld dat de buurtbewoners van het perceel hoger beroep instellen. Als bijlage 1 bij dit geschrift is een lijst gevoegd met de namen en handtekeningen van deze buurtbewoners.

2.3. Het bouwplan voorziet in het oprichten van twee langwerpige gebouwen met daarin tezamen veertien appartementen, genaamd "Kolfbaan" en "Brederode", die in de lengterichting van het perceel worden gerealiseerd. De gebouwen bestaan uit twee lagen en een kap en zijn op de eerste verdieping met twee loopbruggen met elkaar verbonden. In de parkeerkelder zullen zeventien parkeerplaatsen worden gerealiseerd, in de openbare ruimte zullen drie parkeerplaatsen worden aangelegd.

2.4. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oudkarspel, partiële herziening". Het college heeft daarvan met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat buiten het bouwvlak wordt gebouwd en niet wordt gebouwd in de gevellijn, leidt dit niet tot het daarmee beoogde doel, nu het college juist van het bestemmingsplan vrijstelling heeft verleend.

2.5. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.6. Het betoog dat niet met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling mocht worden verleend omdat de raad van de gemeente Langedijk heeft besloten het bouwplan niet op te nemen in het bestemmingsplan, heeft de voorzieningenrechter terecht verworpen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 december 2006 in zaak nr. 200601749/1), is de procedure van artikel 19 van de WRO bedoeld als gelijkwaardig alternatief voor de reguliere planherziening van artikel 10 van de WRO.

2.7. Anders dan [appellant] en anderen betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) van 22 januari 2008 niet aan zijn beslissing ten grondslag heeft mogen leggen. De omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten in zijn besluit van 22 januari 2008 niet expliciet de parkeerkelder en de parkeerplaatsen in de openbare ruimte heeft vermeld, betekent niet dat dit besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Uit de verwijzing in dit besluit naar de ruimtelijke onderbouwing kan worden afgeleid dat het college van gedeputeerde staten heeft onderkend dat deze parkeerplaatsen zouden worden aangelegd.

2.8. [appellant] en anderen betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij aan dat het verlenen van vrijstelling in strijd is met de beschrijving in hoofdlijnen, omdat het bouwplan niet voorziet in vrijstaande bebouwing. Voorts voeren zij daartoe aan dat het bouwplan in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan. Tot slot voeren [appellant] en anderen daartoe aan dat het bouwplan in strijd is met provinciaal beleid en landelijk beleid.

2.8.1. Volgens artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften (beschrijving in hoofdlijnen), voor zover thans van belang, streeft het gemeentebestuur naar handhaving van de schaal en hoofdstructuur van het bestaande bebouwingsbeeld. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door:

- een grote afwisseling van bebouwing, zowel voor wat betreft goothoogte, bouwhoogte en kapvorm als voor wat betreft gevelbreedte, afstand tot de openbare ruimte en onderlinge afstand;

- overwegend vrijstaande bebouwing met lage goothoogte en steile kap aan de Dorpsstraat, Ambachtsdijk, Spoorstraat, Achterstraat, Laanweg, Kroonstraat, Liefdelaan, Engelenburg, Nijverheidsstraat, Schuitemaker, voor een deel gaat het daarbij om stolpboerderijen;

- een overwegend verticale geleding van de straatwanden in individuele panden;

- incidenteel bebouwing in twee bouwlagen (hiermee wordt gedoeld op bebouwing die vanaf de openbare ruimte als bebouwing in twee lagen wordt ervaren;

- incidenteel aaneengebouwde woningen.

Volgens hoofdstuk 4 van het Beeldkwaliteitsplan kan in het verlengde van de historisch-ruimtelijke schets van Oudkarspel een aantal deelgebieden worden onderkend. Per deelgebied is gekeken naar de ruimtelijke karakteristiek.

Ad 1: De lintstructuur op de oude dijk bestaande uit Dorpsstraat en Ambachtsdijk.

Sterk verspringend kleinschalig bebouwingspatroon als gevolg van het dijktracé. De bebouwing staat overwegend vrijstaand en haaks op de weg. (…) Op een paar plekken van de Dorpsstraat is sprake van een kleine verdichting. Daar zijn dan winkels, bedrijven of bijzondere functies gevestigd. Met name op die plekken staan enkele bouwwerken van twee bouwlagen.

Volgens het Beeldkwaliteitsplan worden de cultuurhistorische betekenis, de stedenbouwkundige en landschappelijke betekenis en de architectonische betekenis van de Dorpsstraat als zeer waardevol aangemerkt.

Volgens hoofdstuk 5 van het Beeldkwaliteitsplan komt het, nu de karakteristieke aspecten van Oudkarspel benoemd zijn, erop aan de slag naar de toekomst te maken. Daarvoor zijn richtlijnen gegeven. De richtlijnen zijn, voor zover ze geen overlap vormen met de bepalingen in het bestemmingsplan, niet dwingend maar stimulerend bedoeld. Dat betekent dat andere oplossingen mogelijk blijven, mits van een hoge architectonische kwaliteit.

Hoe ga je om met bouwmassa's?

- plaatsing van (nieuwe) bouwmassa's

In principe vrijstaand en haaks op de weg.

Het bestemmingsplan geeft de bouwvlakken aan. In de Dorpsstraat en een deel van de Ambachtsdijk geldt volgens het bestemmingsplan een gevellijn: een lijn waarin de voorgevel van de hoofdbebouwing gebouwd moet worden. Deze lijn is van belang om de kleinschaligheid en het kronkelend verloop van de gevelwand en de openbare ruimte te behouden.

- goot- en bouwhoogte

Bij voorkeur bouwen in één bouwlaag (bestaande bebouwing in twee bouwlagen hiervan uitgezonderd). Het bestemmingsplan bepaalt dat dan de goothoogte op maximaal 6 m dient te liggen en de bouwhoogte op maximaal 9 m.

- gevelbreedte

Het bestemmingsplan stelt dat gebouwd moet worden binnen de bestaande gevelbreedte. Incidenteel zijn afwijkingen van de regel toegestaan via een vrijstellingsbevoegdheid, waarbij als voorwaarde gesteld wordt dat er een eenduidige kapvorm ontstaat en dat er een minimale onderlinge afstand blijft van 1 m (tenzij de bestaande situatie al anders is). Deze vrijstelling geldt niet voor de als karakteristiek aangeduide panden.

- kapvorm en dakhellingen

Als richtlijn geldt dat men zadeldaken kan toepassen. In tweede instantie toepasbaar zijn gebroken kapvormen. Stolpen zijn met name op bestaande situaties van toepassing.

Het bestemmingsplan geeft aan dat gebouwd moet worden met eenduidige (dat wil zeggen geen samengestelde) kapvormen met bij voorkeur steile dakhelling.

Als richtlijn kan men dakhellingen hanteren van 45°- 60°.

2.8.2. Hoewel het gemeentebestuur volgens de beschrijving in hoofdlijnen dient te streven naar handhaving van vrijstaande bebouwing aan de Dorpsstraat, is met de term "overwegend" aangegeven dat uitzonderingen mogelijk worden geacht. Het college heeft te kennen gegeven dat in dit geval een uitzondering mogelijk wordt geacht omdat het bouwplan stedenbouwkundig passend wordt geacht. Daartoe is in de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van 24 maart 2009 onder meer aangegeven dat de gevelbreedte en de goot- en nokhoogte aansluiten bij die van andere gebouwen aan de Dorpsstraat.

2.8.3. Hoofdstuk 4 van het Beeldkwaliteitsplan benoemt de karakteristieke aspecten van Oudkarspel, waaronder het sterk verspringende kleinschalige bebouwingspatroon en de aanwezigheid van bouwwerken van twee bouwlagen op plekken van de Dorpsstraat waar winkels, bedrijven of bijzondere functies zijn gevestigd. Dat het bouwplan niet past in dit patroon en dat het bestaat uit twee bouwlagen terwijl er geen winkels, bedrijven of bijzondere functies zijn gevestigd, wat daarvan zij, betekent niet dat het bouwplan in strijd is met de richtlijnen van het Beeldkwaliteitsplan die voor toekomstige gevallen zijn opgesteld. Hoewel volgens de richtlijnen van het Beeldkwaliteitsplan bij voorkeur wordt gebouwd in één bouwlaag, is bouwen in twee bouwlagen mogelijk, gelet op de bewoordingen "bij voorkeur" en nu de richtlijnen niet dwingend maar stimulerend zijn bedoeld. Nu het college heeft vermeld dat de maximale goot- en bouwhoogte niet worden overschreden, heeft het afdoende gemotiveerd waarom het in dit geval meer dan één bouwlaag ter plaatse toestaat. De omstandigheid dat de Dorpsstraat wat betreft cultuurhistorische betekenis, stedenbouwkundige en landschappelijke betekenis en architectonische betekenis hoog wordt gewaardeerd, betekent voorts niet dat het bouwplan in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan.

2.8.4. Het betoog van [appellant] en anderen dat het bouwplan in strijd is met het rijksbeleid en provinciaal beleid is onvoldoende onderbouwd. In de ruimtelijke onderbouwing van 4 juli 2006 is vermeld dat het bouwplan past in de uitgangspunten van de Nota Ruimte om ontwikkelingen te bundelen en om in iedere gemeente voldoende ruimte te bieden om te voorzien in de natuurlijke bevolkingsaanwas. Voorts is in de ruimtelijke onderbouwing van 4 juli 2006 vermeld dat het bouwplan aansluit bij het provinciaal beleid, zoals neergelegd in het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord, waarin het uitgangspunt is geformuleerd dat minimaal 40% van de nieuwe woningen een plaats moet krijgen binnen de bestaande bebouwde kom en waarin de schijnwerper is gezet op de woningbehoefte van ouderen en starters.

De stelling van [appellant] en anderen dat geen structuurvisie is opgesteld waarin een bouwwerk met veertien appartementen en een parkeerkelder is voorzien, leidt niet tot de conclusie dat van strijdigheid sprake is.

2.8.5. Gelet op het vorenoverwogene, bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de ruimtelijke onderbouwing van 4 juli 2006 voorts is ingegaan op de gevolgen van het bouwplan betreffende geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, water, flora en fauna, archeologie en cultuurhistorische waarde, civieltechnische vraagstukken en exploitatie. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing omdat in is de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van 24 maart 2009 is ingegaan het bestemmingsplan "Dorpsstraat-Noord 1972". In dit zelfde stuk is vermeld dat dit bestemmingsplan van kracht was vóór het bestemmingsplan "Oudkarspel".

2.9. [appellant] en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Zij voeren daartoe aan dat het bouwplan leidt tot een onevenredige afname van de privacy en de bezonning op het perceel [locatie 2].

2.9.1. Ingevolge artikel 4, derde lid, onder b, van de planvoorschriften gelden de volgende bepalingen:

1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden uitsluitend gebouwd op de gronden aangegeven met "te bebouwen erven";

2. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt per bouwperceel ten hoogste 50 m², met dien verstande dat, inclusief het hoofdgebouw, niet meer dan 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd;

3. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 5 m.

2.9.2. Ten behoeve van de privacy van de bewoners van het perceel [locatie 2] is de buitenruimte van de appartementen niet aan de zijde van het perceel [locatie 2] maar aan de andere zijde voorzien.

Het college heeft aan de hand van bezonningstekeningen de afname van bezonning op het perceel [locatie 2] onderbouwd en geconcludeerd dat de bewoners van de woning op dit perceel in beperkte mate een verminderde bezonning ervaren. De stelling van [appellant] en anderen dat deze conclusie onvoldoende is, is onvoldoende onderbouwd nu het onderzoek naar de afname van bezonning niet is bestreden. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de afstand tussen het bouwplan en het perceel [locatie 2] ongeveer 3 m bedraagt, terwijl op grond van het bestemmingsplan op nog kortere afstand een bijgebouw met een hoogte van 5 m kan worden gebouwd. De voorzieningenrechter is daarbij terecht uitgegaan van de hoogte die was toegestaan op basis van het ten tijde van het besluit op bezwaar geldende bestemmingsplan en niet van de hoogte die was toegestaan op basis van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Oudkarspel".

2.9.3. In hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren, heeft de voorzieningenrechter, gelet op het vorenstaande, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.10. Voorts betogen [appellant] en anderen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat in onvoldoende mate ruimte is voorzien ten behoeve van het parkeren van auto's. Daartoe voeren zij aan dat onzeker is dat daadwerkelijk drie parkeerplaatsen in de openbare ruimte zullen worden aangelegd. Voorts voeren zij daartoe aan dat de bestaande parkeerdruk ten onrechte niet is onderzocht.

2.10.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.10.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 september 2006 in zaak nr. 200508020/1), is voor de toets van de bouwaanvraag de opgave van het aantal parkeerplaatsen volgens de bouwtekening bepalend. Op basis daarvan wordt de bouwvergunning verleend. Bovendien heeft het college als voorwaarde aan de verleende bouwvergunning verbonden dat het aantal parkeerplaatsen dat op de bouwtekeningen is aangegeven binnen drie maanden na het in gebruik nemen van het bouwplan dient te zijn aangelegd. Aangezien op de bouwtekening die door de aanvrager is ingediend, zoals ter zitting is gebleken, drie parkeerplaatsen in de openbare ruimte zijn aangegeven, heeft de voorzieningenrechter deze parkeerplaatsen terecht bij zijn beslissing omtrent bouwvergunning betrokken.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 december 2005 in zaak nr. 200502035/1), dient bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Een reeds bestaande tekort mag derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Voor het oordeel dat het college ten onrechte de parkeerdruk in de bestaande situatie niet heeft onderzocht, bestaat dan ook geen grond.

Aangezien het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het bouwplan onbestreden is vastgesteld op twintig en in totaal twintig parkeerplaatsen worden aangelegd, is voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

2.10. [appellant] en anderen hebben voorts verwezen naar de inhoud van het beroepschrift van 11 september 2009. Hiermee hebben zij niet betoogd dat en waarom de aangevallen uitspraak onjuist is. Het aldus aangevoerde kan daarom niet tot vernietiging van die uitspraak leiden.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2010

499.