Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3683

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
201003061/1/R2 en 201003061/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bruchem, De Kosterijen III" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201003061/1/R2 en 201003061/2/R2.

Datum uitspraak: 2 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Zaltbommel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bruchem, De Kosterijen III" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2010, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 juli 2010, waar [appellant], in persoon en de raad, vertegenwoordigd door P.L.F. Bassa, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen en [gemachtigde], daar gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van 29 woningen aan de zuidwestzijde van Bruchem. Het plangebied sluit aan op de eerder gerealiseerde fases I en II van de dorpsuitbreidingen De Kosterijen.

2.3. [appellant] is eigenaar en bewoner van de woning [locatie] die tegenover een gedeelte van het plangebied is gelegen. Hij betoogt dat de direct tegenover zijn woning voorziene vier aaneengesloten woningen niet passen bij de aangrenzende woonwijk en dat hij als gevolg daarvan schade zal lijden vanwege waardedaling van zijn woning. Verder betoogt hij dat de in het plan voorziene ontsluiting via de Gruttostraat ernstige aantasting van zijn woonklimaat, lawaai en verhoogde kans op verkeersongevallen met zich brengt, terwijl als goed alternatief een directe verkeersontsluiting van het plangebied via de Akkerstraat en Boerenzwaluw zou kunnen worden gerealiseerd. Tevens betoogt hij dat het plan niet in voldoende mate voorziet in hemelwaterafvoer waardoor in geval van langdurige regen de kans op wateroverlast en schade toeneemt bij de woningen aan de Gruttostraat.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan, ook voor zover het voorziet in de vier aaneengesloten woningen aan de Gruttostraat, uit stedenbouwkundig oogpunt passend is en aansluit op de eerder gerealiseerde fases van De Kosterijen. Voorts voorziet het plan in een toereikende verkeersontsluiting via de Gruttostraat. Voor een onevenredige toename van verkeer op de Gruttostraat behoeft niet te worden gevreesd. Tevens voorziet het plan in voldoende waterbergingsmogelijkheden, zodat geen aanleiding bestaat voor wateroverlast in het plangebied of in de aangrenzende wijk waar de woning van [appellant] zich bevindt.

2.5. Het plan voorziet tegenover de woning van [appellant] in de bestemming "Wonen" met de aanduiding 'aaneengebouwd'. Ingevolge artikel 7.2.2., aanhef en onder d, van de planregels mag ter plaatse van deze aanduiding de hoofdmassa uitsluitend in de bouwwijze 'aaneengebouwd' worden gebouwd. Gelet op het op de verbeelding aangegeven bouwvlak mogen ter plaatse vier aaneengesloten woningen worden gebouwd met een maximale goothoogte van zes meter en een maximale bouwhoogte van tien meter. De afstand van de meest nabije grens van dit bouwvlak tot de meest nabije gevel van de woning van [appellant] is ruim zestien meter. De voorzitter is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, ook voor zover het voorziet in de vier aaneengesloten woningen aan de Gruttostraat, uit stedenbouwkundig oogpunt passend is en aansluit op de eerder gerealiseerde fases van De Kosterijen.

2.5.1. De voorzitter is verder van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verkeersontsluiting voor motorvoertuigen via de Gruttostraat zal leiden tot een onevenredige toename van het verkeer, lawaai, verhoogde kans op verkeersongevallen en aantasting van het woonklimaat. Hierbij is in aanmerking genomen dat de Gruttostraat deel uitmaakt van een 30 km-zone. Daarnaast heeft de raad zich wat betreft de te verwachten toename van het aantal motorvoertuigbewegingen, 183 per weekdag, mogen baseren op de richtlijnen die zijn vermeld in de publicatie 256 'Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden' van het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek). Weliswaar heeft [belanghebbende] op basis van recent onderzoek door bureau Goudappel Coffeng gesteld dat de toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal op een werkdag 220 zal bedragen, maar dit is geen wezenlijke afwijking van het aantal motorvoertuigbewegingen waarvan de raad is uitgegaan. Bovendien geldt voor wijkontsluitingswegen in het algemeen een aantal motorvoertuigbewegingen van drieduizend per etmaal als aanvaardbaar. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersontsluiting die [appellant] heeft voorgesteld geen aanvaardbaar alternatief is, omdat dit in strijd is met de stedenbouwkundige randvoorwaarden van het plan, onder meer in verband met de aan de zuidzijde van het plangebied voorziene kenmerkende verbinding voor langzaam verkeer en de ter plaatse voorziene watergang.

2.5.2. De voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat het plan niet voorziet in toereikende afvoermogelijkheden van hemelwater. Het plangebied is aan drie zijden voorzien van de bestemming "Water". Voor de berging van hemelwater zal het bestaande slotenstelsel worden verbreed en aan de westrand van het plangebied en ten zuiden van de Ottersdam zal een nieuwe watergang worden aangelegd. Het water wordt dus naar de buitenzijde van het plangebied gebracht en niet naar de woningen aan de Gruttostraat. De raad heeft ter zake het rapport van Royal Haskoning 'Onderzoek afkoppelsysteem plangebied Kosterijen III te Bruchem' van 3 september 2009 aan het plan ten grondslag gelegd. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan dat rapport zodanige gebreken kleven dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op dat rapport had mogen baseren. Bovendien heeft het waterschap ingestemd met de wijze waarop het plan voorziet in hemelwaterafvoer.

2.5.3. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.5.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.5.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2010

12.