Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3392

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
201005631/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Palestijnen uit Libanon / zicht op uitzetting

Bij brief van 28 mei 2010 heeft de minister de rechtbank bericht, voor zover hier van belang, dat voor Palestijnen door de Libanese vertegenwoordiging in 2009 enkele laissez passer-akkoorden zijn gegeven. De rechtbank heeft niet onderkend dat uit de aldus door de minister verstrekte informatie genoegzaam blijkt dat de Libanese autoriteiten voor Palestijnen afkomstig uit Libanon laissez passer afgeven en dat, nu dat het geval is, er geen grond is voor het oordeel dat geen zicht op uitzetting bestaat indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert.

Nu de vreemdeling geen, hem persoonlijk betreffende, concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de minister het op voorhand uitgesloten heeft moeten achten dat het onderzoek door de Libanese autoriteiten binnen een redelijke termijn tot afgifte van een reisdocument kan leiden, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister er van had moeten uitgaan dat reëel zicht op uitzetting voor de vreemdeling ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/364

Uitspraak

201005631/1/V3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) van 1 juni 2010 in zaak nr. 10/16905 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 juni 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep betoogt de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2010 in zaak nr. 201002171/1/V3 (www.raadvanstate.nl),dat de rechtbank in strijd met artikel 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de heropeningsuitspraak heeft nagelaten te wijzen op artikel 8:31 van de Awb.

De minister betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij het zicht op uitzetting van al dan niet staatloze Palestijnen uit Libanon niet kan toetsen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld geeft de aan haar verstrekte informatie in voldoende mate aan dat door de Libanese autoriteiten ook ten behoeve van Palestijnen laissez passer zijn afgegeven. Dat geen exacte aantallen zijn genoemd wordt daarbij ingegeven door de wens cijfers steeds bij benadering te geven, nu niet valt uit te sluiten dat de systemen op basis waarvan de informatie wordt verstrekt niet geheel accuraat zijn gevuld. Uit de vermelding dat enkele laissez passer zijn verstrekt had de rechtbank kunnen afleiden dat in ieder geval meer dan één laissez passer is verstrekt aan de groep waarop de heropening betrekking had, zodat het oordeel van de rechtbank dat zij niet kan beoordelen of zicht op uitzetting bestaat niet juist is. Indien enkele laissez passer zijn verstrekt houdt dat immers in dat, mits de vreemdeling juiste en verifieerbare informatie over zijn gestelde afkomst geeft, zicht op uitzetting aanwezig moet worden geacht, aldus de minister.

2.2. Het betoog van de minister dat de rechtbank heeft nagelaten te wijzen op artikel 8:31 van de Awb treft geen doel, reeds omdat de rechtbank dat artikel niet heeft toegepast.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 13 juni 2008 in zaak nr. 200803407/1; www.raadvanstate.nl), kan van een vreemdeling op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, worden gevergd dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen.

2.4. Bij brief van 28 mei 2010 heeft de minister de rechtbank bericht, voor zover hier van belang, dat voor Palestijnen door de Libanese vertegenwoordiging in 2009 enkele laissez passer-akkoorden zijn gegeven. De rechtbank heeft niet onderkend dat uit de aldus door de minister verstrekte informatie genoegzaam blijkt dat de Libanese autoriteiten voor Palestijnen afkomstig uit Libanon laissez passer afgeven en dat, nu dat het geval is, er geen grond is voor het oordeel dat geen zicht op uitzetting bestaat indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert.

Nu de vreemdeling geen, hem persoonlijk betreffende, concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de minister het op voorhand uitgesloten heeft moeten achten dat het onderzoek door de Libanese autoriteiten binnen een redelijke termijn tot afgifte van een reisdocument kan leiden, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister er van had moeten uitgaan dat reëel zicht op uitzetting voor de vreemdeling ontbreekt.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 6 mei 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.6. De stelling van de vreemdeling dat hij in zijn belangen is geschaad omdat de minister de stukken die betrekking hebben op een eerdere inbewaringstelling niet heeft overgelegd kan niet leiden tot het ermee beoogde doel, reeds omdat de vreemdeling niet heeft aangegeven in welk belang hij is geschaad en evenmin heeft onderbouwd waarom schending van zodanig belang dient te leiden tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is.

2.7. Het inleidende beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 1 juni 2010 in zaak nr. 10/16905;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2010

345.

Verzonden: 3 augustus 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser