Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
201002972/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

COa / vergoeding buitengewone kosten / derde fase contra-expertise taalanalyse

De rechtbank heeft onbestreden het beleid van het COa zoals neergelegd in de Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten van 17 juni 2008 (hierna: de oude Handleiding) op het geschil van toepassing geacht. Eveneens onbestreden is de overweging van de rechtbank dat het COa in zijn verweerschrift ten onrechte heeft verwezen naar de aanscherping van zijn beleid zoals neergelegd in de Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten van 1 maart 2009. Blijkens de oude Handleiding hanteerde het COa als vaste gedragslijn dat het de kosten in het kader van het opstellen van een weerwoord op de reactie van het BLT op het rapport contra-expertise – de zogeheten derde fase contra-expertise taalanalyse – in beginsel vergoedt, mits deze kosten in vorenbedoelde zin noodzakelijk zijn.

De gevraagde vergoeding ten bedrage van € 1.275,00 heeft betrekking op een onder begeleiding van MI te verrichten taalantropologisch onderzoek dat niet op de door het BLT gebruikte bandopname is gebaseerd. Aangezien deze kosten geen verband houden met de daadwerkelijke contra expertise taalanalyse, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het COa zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voormelde kosten van € 1.275,00 geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005 zijn.

De grief faalt in zoverre.

Dat geldt evenwel niet voor de op € 1.600,00 begrote kosten voor de inzet van de externe linguïst die bij het opstellen van het rapport contra expertise is betrokken. Het COa ging er blijkens de oude Handleiding van uit dat een verzoek om een weerwoord op een reactie van het BLT wordt behandeld door de begeleidende organisatie, in dit geval MI, in samenspraak met de deskundige die het rapport contra expertise heeft opgesteld en dat aan het, vanuit hun taalkundige deskundigheid opgestelde, weerwoord ook een noot van een juridisch medewerker wordt toegevoegd. In het in beroep uitgebrachte verweerschrift heeft het COa ter zake te kennen gegeven dat vóór 1 maart 2009 alle gevraagde vergoedingen in verband met contra expertises op taalanalyses, ongeacht de precieze werkzaamheden en de hoogte van het bedrag, voor vergoeding in aanmerking kwamen. Het in beroep bestreden besluit, dat van 15 december 2008 dateert en waarbij het COa de gevraagde vergoeding van € 1.600,00 in haar geheel heeft afgewezen, is in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002972/1/V1.

Datum uitspraak: 26 juli 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, (hierna: de rechtbank) van 19 februari 2010 in zaak nr. 09/2355 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2008 heeft het COa, onder afwijzing van een verzoek van de vreemdeling om vergoeding van kosten samenhangende met een contra-expertise taalanalyse tot een bedrag van € 3.175,00 (exclusief BTW), de kosten tot een bedrag van maximaal € 300,00 (exclusief BTW) vergoed. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 februari 2010, verzonden op 26 februari 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Het COa heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid kan de minister van Justitie (hierna: de minister) het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 12 kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005), zoals deze ten tijde van belang luidde, strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COa.

In artikel 3 van de Rva 2005 is bepaald aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen door het COa opvang wordt geboden.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, die hij heeft gemaakt.

Ingevolge het tweede lid zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet kunnen worden geacht door de asielzoeker zelf te worden betaald.

In de toelichting op artikel 17, eerste en tweede lid, van de Rva 2005 (Stcrt. 2005, 24, p. 15) is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"Het gaat om kosten waarvan in redelijkheid geoordeeld kan worden dat zij noodzakelijk zijn. Het orgaan zal deze kosten in alle redelijkheid als buitengewoon moeten kunnen aanmerken. Voorwaarde hierbij is dat de kosten in enige mate (direct of indirect) gerelateerd zijn aan het verblijf in de voorziening of aan de (medische en mentale) situatie van betrokkene. Dat betekent dat het mogelijk is dat ook kosten vergoed kunnen worden die niet opgehangen zijn aan, of verbonden zijn met de asielprocedure."

2.2. In het besluit van 15 december 2008 heeft het COa een vergoeding toegekend van € 300,00 voor het schrijven van een weerwoord door Makano International (hierna: MI) en geweigerd over te gaan tot vergoeding van de door MI voor het overige begrote kosten voor een bedrag van in totaal € 2.875,00. Dit bedrag bestaat uit een post van € 1.600,00 voor de inzet van de linguïst die bij het opstellen van het rapport contra expertise is betrokken en een post van € 1.275,00 voor de inzet van een taalantropoloog die ook bij het opstellen van het rapport contra-expertise is betrokken. In zijn motivering heeft het COa zich op het standpunt gesteld dat de kosten die zijn gemoeid met het verrichten van onderzoek op taalantropologische grondslag – zijnde niet gericht op de bandopname waarop het Bureau Land en Taal (hierna: het BLT) de taalanalyse heeft gebaseerd – buiten de reikwijdte van de taalanalyse vallen en om die reden geen noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005 zijn.

2.3. In de grief klaagt de vreemdeling dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het COa zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voormelde kosten van € 2.875,00 geen noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005 zijn. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de algemeen medewerker van MI, die geen expert van de Somalische taal is, niet in staat is een inhoudelijk linguïstisch weerwoord te voeren. Voor het schrijven van een deugdelijk weerwoord op de controleanalyse en de reactie van het BLT is de inzet van de opstellers van de contra-expertise vereist, aldus de vreemdeling.

2.3.1. De rechtbank heeft onbestreden het beleid van het COa zoals neergelegd in de Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten van 17 juni 2008 (hierna: de oude Handleiding) op het geschil van toepassing geacht. Eveneens onbestreden is de overweging van de rechtbank dat het COa in zijn verweerschrift ten onrechte heeft verwezen naar de aanscherping van zijn beleid zoals neergelegd in de Handleiding Vergoeding Buitengewone Kosten van 1 maart 2009. Blijkens de oude Handleiding hanteerde het COa als vaste gedragslijn dat het de kosten in het kader van het opstellen van een weerwoord op de reactie van het BLT op het rapport contra-expertise – de zogeheten derde fase contra-expertise taalanalyse – in beginsel vergoedt, mits deze kosten in vorenbedoelde zin noodzakelijk zijn.

2.3.2. De gevraagde vergoeding ten bedrage van € 1.275,00 heeft betrekking op een onder begeleiding van MI te verrichten taalantropologisch onderzoek dat niet op de door het BLT gebruikte bandopname is gebaseerd. Aangezien deze kosten geen verband houden met de daadwerkelijke contra expertise taalanalyse, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het COa zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voormelde kosten van € 1.275,00 geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005 zijn.

De grief faalt in zoverre.

2.3.3. Dat geldt evenwel niet voor de op € 1.600,00 begrote kosten voor de inzet van de externe linguïst die bij het opstellen van het rapport contra expertise is betrokken. Het COa ging er blijkens de oude Handleiding van uit dat een verzoek om een weerwoord op een reactie van het BLT wordt behandeld door de begeleidende organisatie, in dit geval MI, in samenspraak met de deskundige die het rapport contra expertise heeft opgesteld en dat aan het, vanuit hun taalkundige deskundigheid opgestelde, weerwoord ook een noot van een juridisch medewerker wordt toegevoegd. In het in beroep uitgebrachte verweerschrift heeft het COa ter zake te kennen gegeven dat vóór 1 maart 2009 alle gevraagde vergoedingen in verband met contra expertises op taalanalyses, ongeacht de precieze werkzaamheden en de hoogte van het bedrag, voor vergoeding in aanmerking kwamen. Het in beroep bestreden besluit, dat van 15 december 2008 dateert en waarbij het COa de gevraagde vergoeding van € 1.600,00 in haar geheel heeft afgewezen, is in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt in zoverre.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens in de grief heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het door de vreemdeling tegen het besluit van 15 december 2008 ingestelde beroep alsnog gegrond worden verklaard en dit besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. Het COa dient met inachtneming van deze uitspraak en dus met toepassing van de oude Handleiding een nieuw besluit op het verzoek van de vreemdeling te nemen. Daartoe zal een termijn worden gesteld.

2.5. Het COa dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 19 februari 2010 in zaak nr. 09/2355;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het op de vreemdeling betrekking hebbende besluit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van 15 december 2008;

V. bepaalt dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het verzoek van de vreemdeling neemt;

VI. veroordeelt het Centraal Orgaan opvang asielzoekers tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de vreemdeling te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Schuurman

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2010

32-282.

Verzonden: 26 juli 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser