Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3388

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
201002225/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dublinverordening / besluit Italiaanse burgemeester / geen concreet aanknopingspunt voor nader onderzoek door minister

De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 13 augustus 2009 onvoldoende is gemotiveerd, nu de minister zich niet heeft uitgelaten over de gevolgen van het besluit van de burgemeester van Agrigento van 17 oktober 2008 (hierna: het besluit van de burgemeester), waarin aan de vreemdeling wordt medegedeeld dat hij het Italiaanse grondgebied niet opnieuw mag binnentreden voordat er tien jaren zijn verstreken na zijn feitelijke verwijdering en dat in geval van overtreding van een dergelijk verbod hij bestraft zal worden met een tot vier jaar gevangenisstraf en vervolgens opnieuw uitgezet zal worden met directe begeleiding naar de grens.

Het overnameverzoek is op 23 april 2009 bij de Italiaanse autoriteiten ingediend. Omdat de Italiaanse autoriteiten niet binnen de ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Verordening gestelde termijn van twee maanden hebben gereageerd, moet Italië ingevolge artikel 18, zevende lid, van de Verordening geacht worden te hebben ingestemd met de overname van de vreemdeling en is dat land verantwoordelijk geworden voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling. Voorts volgt uit het besluit van de burgemeester niet dat de vreemdeling, indien hij als Dublinclaimant op grond van de Verordening aan de Italiaanse autoriteiten wordt overgedragen, na zijn aankomst in Italië door de autoriteiten gedetineerd zal worden en na detentie opnieuw uitgezet zal worden met directe begeleiding tot de grens. Daarbij is in aanmerking genomen dat de vreemdeling ten tijde van dat besluit geen asielaanvraag had ingediend en die omstandigheid derhalve niet bij dat besluit is betrokken. Het besluit van de burgemeester is dan ook geen concreet aanknopingspunt dat aanleiding geeft voor het oordeel dat de minister nader had dienen te onderzoeken of in dit geval voldoende verzekerd is dat Italië jegens de vreemdeling zal voldoen aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dat de minister zich in het besluit van 13 augustus 2009 niet expliciet heeft uitgelaten over de mogelijke gevolgen van het besluit van de burgemeester, doet hieraan niet af. De grief slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002225/1/V3.

Datum uitspraak: 26 juli 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) van 12 februari 2010 in zaak nr. 09/29498 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, wordt van de mogelijkheid om op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening het asielverzoek zelf te behandelen, terughoudend gebruik gemaakt.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2, voor zover thans van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

2.2. De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 13 augustus 2009 onvoldoende is gemotiveerd, nu de minister zich niet heeft uitgelaten over de gevolgen van het besluit van de burgemeester van Agrigento van 17 oktober 2008 (hierna: het besluit van de burgemeester), waarin aan de vreemdeling wordt medegedeeld dat hij het Italiaanse grondgebied niet opnieuw mag binnentreden voordat er tien jaren zijn verstreken na zijn feitelijke verwijdering en dat in geval van overtreding van een dergelijk verbod hij bestraft zal worden met een tot vier jaar gevangenisstraf en vervolgens opnieuw uitgezet zal worden met directe begeleiding naar de grens.

Daartoe voert de minister, samengevat weergegeven, het volgende aan. Uit het besluit van 13 augustus 2009 volgt dat het door de vreemdeling overlegde besluit van de burgemeester is betrokken bij de vraag of toepassing moet worden gegeven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening. In het besluit van 13 augustus 2009 is overwogen dat op grond van de Verordening is gegarandeerd dat de vreemdeling tot Italië zal worden toegelaten en zijn asielverzoek aldaar in behandeling zal worden genomen en voorts dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit dat besluit volgt derhalve dat door de vreemdeling niet aannemelijk is gemaakt dat Italië het besluit van de burgemeester zal laten prevaleren boven de communautaire regelgeving van de Verordening, aldus de minister.

2.2.1. Het overnameverzoek is op 23 april 2009 bij de Italiaanse autoriteiten ingediend. Omdat de Italiaanse autoriteiten niet binnen de ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Verordening gestelde termijn van twee maanden hebben gereageerd, moet Italië ingevolge artikel 18, zevende lid, van de Verordening geacht worden te hebben ingestemd met de overname van de vreemdeling en is dat land verantwoordelijk geworden voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling. Voorts volgt uit het besluit van de burgemeester niet dat de vreemdeling, indien hij als Dublinclaimant op grond van de Verordening aan de Italiaanse autoriteiten wordt overgedragen, na zijn aankomst in Italië door de autoriteiten gedetineerd zal worden en na detentie opnieuw uitgezet zal worden met directe begeleiding tot de grens. Daarbij is in aanmerking genomen dat de vreemdeling ten tijde van dat besluit geen asielaanvraag had ingediend en die omstandigheid derhalve niet bij dat besluit is betrokken. Het besluit van de burgemeester is dan ook geen concreet aanknopingspunt dat aanleiding geeft voor het oordeel dat de minister nader had dienen te onderzoeken of in dit geval voldoende verzekerd is dat Italië jegens de vreemdeling zal voldoen aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dat de minister zich in het besluit van 13 augustus 2009 niet expliciet heeft uitgelaten over de mogelijke gevolgen van het besluit van de burgemeester, doet hieraan niet af.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep van de minister is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling omtrent het inleidende beroep, voor zover daarop na hetgeen hiervoor is overwogen nog moet worden beslist, als volgt.

2.4. De vreemdeling heeft bij de rechtbank naar voren gebracht dat aannemelijk is dat Italië zijn uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM voortvloeiende verplichtingen ten opzichte van hem niet zal naleven, nu hij daar een reëel risico loopt te worden verwijderd zonder dat beoordeeld is of genoemde verdragsverplichtingen aan verwijdering in de weg staan. Volgens hem moet de minister hierom, gelet op artikel 3, tweede lid, van de Verordening, van overdracht aan Italië afzien.

Ter onderbouwing hiervan heeft de vreemdeling gewezen op een aantal stukken:

- het voorstel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 december 2008, 'proposal for a regulation of the European Parliament and of the Council establishing the criteria and mechanisms for determining the Member State responsible for examining an application for international protection lodged in one of the Member States by a third-country national or a stateless person'; section VII 'temporary suspension of transfers';

- het rapport van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, Th. Hammarberg, van 16 april 2009, volgend op zijn bezoek aan Italië van 13-15 januari 2009;

- een artikel uit het NRC Handelsblad van 2 september 2009.

2.4.1. Deze door de vreemdeling overgelegde algemene stukken bevatten geen concrete aanknopingspunten dat Italië asielzoekers die, zoals de vreemdeling, in het kader van de Verordening zijn overgedragen, in strijd met zijn non refoulementverplichtingen verwijdert. Reeds gelet hierop heeft de minister zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan mag worden uitgegaan dat Italië in zoverre zijn verdragsverplichtingen zal nakomen.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Het inleidende beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 12 februari 2010 in zaak nr. 09/29498;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van Leeuwen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2010

373-550.

Verzonden: 26 juli 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser