Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3199

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
201000925/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2009 heeft het CBR [appellant] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201000925/1/H3.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2009 in zaak nrs. 09/5646 en 09/5609 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

(hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2009 heeft het CBR [appellant] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid.

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2010, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge bijlage II, onder II "Eisen inzake kennis, rijvaardigheid en rijgedrag voor het besturen van een gemotoriseerd voertuig" bij richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEU 2006 L 403/18, zoals nadien gewijzigd; hierna: de richtlijn), moeten bestuurders van alle gemotoriseerde voertuigen op elk willekeurig moment voldoen aan eisen inzake kennis, rijvaardigheid en rijgedrag zoals beschreven in de punten 1 tot en met 9, zodat zij in staat zijn:

— verkeersrisico's te onderkennen en de ernst ervan te beoordelen,

— controle over hun voertuig te hebben om geen gevaarlijke situaties te scheppen, en adequaat te reageren wanneer dergelijke situaties zich voordoen,

— de verkeersregels in acht te nemen, met name die welke gericht zijn op het voorkomen van verkeersongevallen en het verzekeren van een vlotte doorstroming van het verkeer,

— de voornaamste technische defecten van hun voertuig te ontdekken, met name die welke de veiligheid in gevaar brengen, en die adequaat te laten verhelpen,

— rekening te houden met alle factoren die het rijgedrag nadelig beïnvloeden (alcohol, vermoeidheid, verminderd gezichtsvermogen, enz.), teneinde volledig in staat te blijven tot veilig rijgedrag,

— bij te dragen tot de veiligheid van alle weggebruikers, in het bijzonder de zwakste en kwetsbaarste, door naar behoren rekening te houden met de medeweggebruikers.

De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om er voor te zorgen dat bestuurders die niet meer voldoen aan de eisen inzake kennis, rijvaardigheid en rijgedrag zoals beschreven in de punten 1 tot en met 9, deze kennis en vaardigheden terugkrijgen en het vereiste rijgedrag voor het besturen van een motorvoertuig kunnen voortzetten.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan deze maatregelen verbonden kosten, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, komen ten laste van betrokkene. Indien het rijbewijs overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, wordt het onverwijld aan betrokkene teruggegeven.

Ingevolge het zevende lid, voor zover hier van belang, wordt voor de toepassing van het vierde lid onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, voor zover hier van belang, is degene die zich ingevolge artikel 131, vierde lid, dient te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 indien betrokkene op grond van artikel 8, tweede lid, niet in aanmerking komt voor een EMA.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, besluit het CBR tot oplegging van een EMA indien betrokkene binnen een periode van vijf jaar meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wvw 1994, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8 ‰.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, komt betrokkene niet in aanmerking voor de EMA indien blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de EMA wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst.

2.2. Het CBR heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 juli 2009 ten grondslag gelegd dat [appellant] op 20 november 2007 en op 17 juli 2009 is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede of derde lid, van de Wvw 1994, waarbij een ademalcoholgehalte van 700 µg/l onderscheidenlijk 455 µg/l is vastgesteld. Hiermee is voldaan aan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling, aldus het CBR.

2.3. Vaststaat dat [appellant] inmiddels de EMA heeft gevolgd. Anders dan het CBR ter zitting heeft betoogd, geeft dat geen grond voor het oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep. De kosten voor de EMA zijn voor rekening van [appellant] gekomen. Dat is voldoende om belang bij het hoger beroep aan te nemen.

2.4. Zoals [appellant] betoogt, is de voorzieningenrechter ongemotiveerd voorbijgegaan aan zijn beroepsgrond dat het CBR in het besluit van 24 juli 2009 niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke grond aan hem een EMA is opgelegd, nu in dat besluit alle criteria van artikel 8, eerste lid, van de Regeling zijn vermeld. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat naar het oordeel van de Afdeling de in dat besluit weergegeven feiten voldoende duidelijkheid boden omtrent het ingeroepen artikelonderdeel. Gelet hierop faalt voorts het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het CBR dat besluit had dienen te herroepen.

2.5. [appellant] bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter dat het CBR de aanhouding van 20 november 2007 mede aan het besluit tot het vorderen van een EMA ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe voert hij aan dat ingevolge artikel 131, zevende lid, van de Wvw 1994 in 2007 naar aanleiding van deze aanhouding hem geen EMA kon worden opgelegd, omdat hij toen geen Nederlands rijbewijs bezat en niet in Nederland woonde. Hij betoogt dat hij erop mocht vertrouwen dat het CBR deze aanhouding evenmin bij latere beslissingen zou betrekken, temeer omdat uit de toepasselijke wet- en regelgeving niet valt af te leiden dat het CBR daartoe bevoegd is.

2.5.1. Het betoog slaagt niet. Uit de tekst en de strekking van artikel 131, vierde en zevende lid, van de Wvw 1994 volgt dat het zevende artikellid ziet op het moment dat het CBR een besluit tot het vorderen van een EMA neemt. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de tekst van artikel 131 van de Wvw 1994 geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het zevende artikellid tevens betrekking heeft op het moment waarop de overtredingen van artikel 8 van de Wvw 1994 zijn gepleegd. Onbestreden is dat [appellant] ten tijde van het besluit van 24 juli 2009 houder was van een Nederlands rijbewijs en in Nederland woonachtig was. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat in die situatie artikel 131, zevende lid, van de Wvw 1994 toepassing miste. Voorts kon het CBR op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling de aanhouding van 20 november 2007 aan het besluit van 24 juli 2009 ten grondslag leggen en heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het CBR bij hem de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat dit niet zou gebeuren.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter onvoldoende heeft gemotiveerd waarom naar zijn oordeel in de toepasselijke artikelen van de Wvw 1994 een gerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen personen die in Nederland woonachtig zijn, aan wie een EMA wordt opgelegd, en personen met een buitenlands rijbewijs die niet in Nederland wonen, van wie geen medewerking aan een EMA wordt gevorderd. Voorts heeft de voorzieningenrechter volgens hem miskend dat het feit dat het CBR geen EMA oplegt aan personen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, verboden discriminatie inhoudt.

2.6.1. Het betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling komen personen die de Nederlandse taal of een andere taal waarin een EMA kan worden ondergaan onvoldoende beheersen niet in aanmerking voor een EMA. Ten aanzien van deze personen evenwel wordt op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994, ingesteld. De Afdeling is dan ook met de voorzieningenrechter van oordeel dat degenen die verplicht zijn aan een EMA deel te nemen ten opzichte van voormelde personen niet discriminatoir worden behandeld.

Met betrekking tot het onderscheid gemaakt op grond van de woonplaats binnen of buiten Nederland wordt overwogen dat in bijlage II bij de richtlijn uitdrukkelijk de bevoegdheid van de lidstaten van de Europese Unie is erkend om de nodige maatregelen te nemen teneinde ervoor te zorgen dat bestuurders die niet meer aan de eisen inzake kennis, rijvaardigheid en rijgedrag voldoen, deze kennis en vaardigheden terugkrijgen en het vereiste rijgedrag voor het besturen van een motorvoertuig kunnen voortzetten. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling echter van oordeel dat maatregelen van deze strekking slechts zinvol getroffen kunnen worden jegens bestuurders die in Nederland woonachtig zijn.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek van [appellant] om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat het hoger beroep ongegrond is.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

176-598.