Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200909973/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 5 maart 2008 heeft de RDW de aan [appellante] verleende bevoegdheid Online Registratie Export voor Handelaren (hierna: OREH) "voorwaardelijk ingetrokken" voor een periode van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909973/1/H3.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2009 in zaken nrs. 08/3068 en 08/3536 in het geding tussen:

[appellante]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

1. Procesverloop

Bij brief van 5 maart 2008 heeft de RDW de aan [appellante] verleende bevoegdheid Online Registratie Export voor Handelaren (hierna: OREH) "voorwaardelijk ingetrokken" voor een periode van zes maanden.

Bij besluit van 30 mei 2008 heeft de RDW de bevoegdheid OREH van [appellante] ingetrokken voor een periode van zes weken.

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft de RDW het door [appellante] tegen de brief van 5 maart 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft de RDW het door [appellante] tegen het besluit van 30 mei 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 24 juni 2008 en 27 augustus 2008 ingestelde beroepen, die zij gevoegd heeft behandeld, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2010.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

De RDW heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Huisman, advocaat te Amsterdam, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) kan de Dienst Wegverkeer aan een rechtspersoon een erkenning verlenen, waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

Ingevolge artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend, handelt in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

Ingevolge artikel 65a kunnen bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld met betrekking tot het intrekken, wijzigen en schorsen van de erkenning.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de krachtens die bepaling vastgestelde Regeling erkenning bedrijfsvoorraad (hierna: de Regeling) moet het erkende bedrijf het bij en krachtens de wet bepaalde omtrent de bedrijfsvoorraad, de erkenning, alsmede de registratie, het gebruik en de beëindiging van de registratie van de tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen in acht nemen.

Ingevolge het tweede lid draagt het erkende bedrijf er zorg voor dat bij voortduring wordt voldaan aan de eisen en voorschriften die gelden voor de erkenning.

Ingevolge artikel 14a dient de erkenninghouder terstond na de melding dat een voertuig voorgoed buiten Nederland wordt gebracht, de voor dat voertuig ingenomen kentekenplaten te vernietigen.

Met betrekking tot het toezicht op de erkenning bedrijfsvoorraad voert de RDW beleid dat is neergelegd in zogeheten toezichtbeleidsbrieven. De in deze zaak van toepassing zijnde toezichtbeleidsbrief dateert van 1 juni 2008.

Volgens dit beleid kan bij overtredingen onder meer een voorwaardelijke intrekking, een tijdelijke intrekking van zes, negen of twaalf weken of een definitieve intrekking worden opgelegd. Welke sanctie wordt opgelegd, is afhankelijk van de ernst van de overtreding en de voorgeschiedenis. Een definitieve intrekking wordt volgens het beleid eerst opgelegd nadat een tijdelijke intrekking is opgelegd en opnieuw een overtreding wordt geconstateerd, bijvoorbeeld bij gelegenheid van een herschouwing. Een definitieve intrekking kan ook direct op een zeer zware overtreding volgen.

2.2. De Afdeling ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of de "voorwaardelijke intrekking" van de bevoegdheid OREH een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.2.1. De voorwaardelijke intrekking is gebaseerd op het in de toezichtbeleidsbrief opgenomen stroomschema Sancties overtreding erkenning/bevoegdheid. Vaststaat dat aan [appellante] in de brief van 5 maart 2008 (hierna: de brief) geen concrete verplichtingen worden opgelegd, maar dat zij slechts is gewezen op een reeds bestaande verplichting. Bovendien vermeldt de brief dat de bevoegdheid OREH in stand blijft en is niet vermeld dat de voorwaardelijke intrekking zal worden omgezet in een onvoorwaardelijke intrekking ingeval zij binnen een bepaalde termijn een volgende overtreding begaat. Gelet hierop heeft de "voorwaardelijke intrekking" van 5 maart 2008 het rechtskarakter van een waarschuwing. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 18 januari 2006 in zaak nr. 200409413/1, kan een waarschuwing die is gebaseerd op een beleidsregel en die volgens dat beleid vooraf moet gaan aan het mogelijk opleggen van een wettelijke maatregel, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief is ook niet anderszins op rechtsgevolg gericht. Anders dan de rechtbank heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat de RDW het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen de brief van 5 maart 2008 niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

2.3. De RDW heeft aan het besluit van 27 augustus 2008 ten grondslag gelegd dat haar bedrijvencontroleur heeft geconstateerd dat de voertuigen met de kentekens […], […] en […] door [appellante] waren afgemeld voor export maar dat deze voertuigen nog wel waren voorzien van geheel intact zijnde kentekenplaten. Daarmee kan volgens de RDW worden vastgesteld dat de vernietiging van de betreffende kentekenplaten niet heeft plaatsgevonden terstond na de melding dat de betreffende voertuigen voorgoed buiten Nederland worden gebracht. Hiermee staat volgens de RDW de overtreding van artikel 14a, eerste lid, van de Regeling vast.

2.4. Eerst ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] aangevoerd dat haar werkwijze ten aanzien van het vernietigen van kentekenplaten voldoet aan het ingevolge artikel 14a van de Regeling vermelde vereiste dat 'terstond' moet worden vernietigd. Deze grond dient met het oog op de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten, nu [appellante], door eerst in deze fase van de procedure dit argument naar voren te brengen, de RDW de gelegenheid heeft ontnomen hierop te reageren. Niet valt in te zien dat [appellante] deze grond niet eerder in hoger beroep naar voren had kunnen brengen.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij wegens onbekendheid met de mogelijkheden om in de ogen van de RDW in overeenstemming met de regels te handelen, niet in staat is geweest de door haar vermeend gepleegde overtreding te voorkomen. De RDW heeft eerst ter zitting bij de rechtbank te kennen gegeven hoe zij haar bedrijfsprocessen kan aanpassen om de regels te kunnen naleven. Daarom kan haar geen verwijt worden gemaakt dat zij de overtreding heeft gepleegd, aldus [appellante].

2.5.1. Dit betoog faalt. Vaststaat dat artikel 14a van de Regeling is overtreden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] aan de voorschriften die zijn vervat in de Regeling is gebonden. [appellante] heeft een erkenning in de zin van artikel 62, eerste lid, van de Wvw 1994. [appellante] heeft om deze erkenning verzocht en daarmee aanvaard dat zij zich heeft te houden aan de daaraan verbonden regels en andere voorschriften. Dat [appellante] pas uit de uiteenzetting van de RDW ter zitting bij de rechtbank heeft begrepen hoe zij haar bedrijfsprocessen in overeenstemming met de regels kan aanpassen, is dan ook geen omstandigheid op grond waarvan moet worden geoordeeld dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de geconstateerde overtreding.

2.6. Het betoog van [appellante] dat tussen de overtreding en de opgelegde sanctie onevenredigheid bestaat, treft geen doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de RDW heeft gehandeld overeenkomstig de van toepassing zijnde toezichtbeleidsbrief. Er is niet gebleken van een zodanige onevenredigheid tussen de overtreding en de opgelegde sanctie dat de RDW niet tot het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 mei 2008 heeft mogen komen.

2.7. Gelet op hetgeen onder 2.2.1 is overwogen zal de Afdeling het door [appellante] ingestelde hoger beroep gegrond verklaren. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 juni 2008 ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 juni 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen de brief van 5 maart 2008 alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.8. De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2009 in zaken nrs. 08/3068 en 08/3536, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 juni 2008 ongegrond heeft verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de directie van de Dienst Wegverkeer van 24 juni 2008, kenmerk Dos.2008/10251/Bob;

V. verklaart het bezwaar van [appellante] tegen de brief van 5 maart 2008 niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VIII. veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de directie van de Dienst Wegverkeer aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

312-637.