Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200909055/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2009:BK3737, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college City Centrum Groenlo B.V. onder oplegging van een dwangsom gelast de inrichting City Lido (hierna: het gebouw), Kerkstraat 6 te Groenlo, gesloten te houden tot het moment waarop de in het besluit nader omschreven voorzieningen zijn getroffen, zodat wordt voldaan aan de betreffende bepalingen in het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: het Gebruiksbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/4010

Uitspraak

200909055/1/H1.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid City Centrum Groenlo B.V., [appellante A] en [appellante B], [appellant C] en [appellant D] (hierna: City Lido en anderen), gevestigd, onderscheidenlijk wonend te Groenlo, gemeente Oost Gelre,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 november 2009 in zaken nrs. 09/592 en 09/817 in het geding tussen:

City Lido en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college City Centrum Groenlo B.V. onder oplegging van een dwangsom gelast de inrichting City Lido (hierna: het gebouw), Kerkstraat 6 te Groenlo, gesloten te houden tot het moment waarop de in het besluit nader omschreven voorzieningen zijn getroffen, zodat wordt voldaan aan de betreffende bepalingen in het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: het Gebruiksbesluit).

Bij besluit van 9 maart 2009 heeft het college het door City Lido en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 30 januari 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, City Lido en anderen onder aanzegging van bestuursdwang gelast in het gebouw de in dit besluit vermelde voorzieningen in het kader van de brandveiligheid te treffen.

Bij besluit van 27 april 2009 heeft het college het door City Lido en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door City Lido en anderen tegen de besluiten van 9 maart 2009 en 27 april 2009 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben City Lido en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

City Lido en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2010, waar City Lido en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.I. Houben, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door dr. ir. N.P.M. Scholten, prof. P. van de Leur en

ing. R.J.M. van Mierlo, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. ten Have, mr. M. Hendriksen en A. Frericks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het besluit van 19 december 2008 strekt ertoe het gebouw gesloten te houden tot het moment waarop de volgende voorzieningen zijn getroffen:

A. doorvoeren in de brandwerende scheidingen brandwerend uitvoeren conform NEN 6068 en een kopie van het attest behorende bij het toegepaste materiaal overleggen;

B. de nooduitgangen welke voorzien zijn van een cilinderslot of aparte sluiting dienen aangepast te worden, zodat deze gepasseerd kunnen worden, zonder gebruik te maken van een sleutel;

C. alle deuren met espagnoletsluiting dienen te worden voorzien van een zogenaamde panieksluiting, te openen met een lichte druk tegen deze voorziening, dan wel dient door middel van andere voorzieningen aan artikel 2.3.5, tweede lid, van het Gebruiksbesluit te worden voldaan;

D. programma van eisen op laten stellen ten behoeve van de uitbreiding van de brandinstallatie middels een doormelding naar de regionale alarmcentrale en de doormelding bewerkstelligen;

E. de ontruimingsinstallatie combineren of integreren met de brandmeldingsinstallatie volgens NEN 2575, uitgave 2004.

2.2. In het besluit van 30 januari 2009, voor zover thans van belang, zijn de volgende te treffen voorzieningen opgenomen:

A. doorvoeren in de brandwerende scheidingen brandwerend uitvoeren conform NEN 6068 en een kopie van het attest behorende bij het toegepaste materiaal overleggen;

B. de nooduitgangen welke voorzien zijn van een cilinderslot of aparte sluiting dienen aangepast te worden, zodat deze gepasseerd kunnen worden, zonder gebruik te maken van een sleutel;

C. alle deuren behorende bij vluchtroutes met espagnoletsluiting dienen te worden voorzien van een zogenaamde panieksluiting, te openen met een lichte druk tegen deze voorziening, dan wel dient door middel van andere voorzieningen aan artikel 2.3.5, tweede lid, van het Gebruiksbesluit te worden voldaan;

D. definitief programma van eisen op laten stellen en ter goedkeuring aanbieden aan het college ten behoeve van de uitbreiding van de brandinstallatie middels een doormelding naar de regionale alarmcentrale, de brandmeldinstallatie laten voldoen aan artikel 2.2.1 van het Gebruiksbesluit en de doormelding bewerkstelligen.

Voorts is bij dit besluit het besluit van 19 december 2008 per 30 januari 2009 ingetrokken. Deze intrekking heeft geen terugwerkende kracht.

2.3. Ingevolge artikel 1b, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Woningwet is het verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften van het Bouwbesluit.

Ingevolge artikel 7b, tweede lid, aanhef en onderdeel a, gelezen in verbinding met het derde lid, is het verboden een bouwwerk of standplaats te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, voor zover thans van belang, bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en standplaatsen, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot:

4º de brandveiligheid.

Ingevolge het achtste lid, voor zover van belang, kunnen ter bevordering van eenheid in de bouwverordeningen bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gegeven omtrent de inhoud van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge het negende lid gelden die voorschriften rechtstreeks, zolang de bouwverordening niet met die voorschriften in overeenstemming is gebracht.

Ingevolge artikel 2.113, eerste lid, van het Bouwbesluit is de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis, niet lager dan 20 minuten.

Ingevolge artikel 2.161, eerste lid, leidt een rookvrije vluchtroute naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend.

Ingevolge artikel 1.5 behoeft aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, niet te worden voldaan, voor zover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan, voor zover hier van belang, ten minste dezelfde mate van veiligheid biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

Ingevolge artikel 2.3.5, tweede lid, van het Gebruiksbesluit kunnen een deur van een ruimte voor meer dan 100 personen en een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen in de vluchtrichting worden geopend door:

a. een lichte druk tegen de deur, of

b. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125: 1997, inclusief wijzigingsblad A1: 2001 en correctieblad C1: 2002.

Ingevolge artikel 2.2.1, eerste lid, gelezen in verbinding met het tweede, zesde en negende lid, heeft de gebruiksfunctie, voor zover thans van belang, een brandmeldinstallatie die voldoet aan NEN 2535: 1996, inclusief wijzigingsblad A1: 2002, en aan een door burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen als bedoeld in deze norm. De gebruiksfunctie heeft voorts een doormelding die rechtstreeks plaatsvindt naar de regionale alarmcentrale van de brandweer. De installatie heeft bovendien een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling brandmeldinstallaties 2002 van het Centraal College van Deskundigen van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid.

Ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid, heeft de gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, een ontruimingsalarminstallatie die voldoet aan NEN 2575: 2004 en aan een door burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen als bedoeld in deze norm.

Ingevolge artikel 1.4, eerste lid, behoeft niet te worden voldaan aan een in paragraaf 2.1 tot en met 2.9 gesteld voorschrift, indien het gebruik van een bouwwerk, anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van brandveiligheid biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift.

Ingevolge artikel 2.12.1, eerste lid, voor zover thans van belang, is het verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding:

a. een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.4, eerste lid, toe te passen.

2.4. Het geding in hoger beroep spitst zich in hoofdzaak toe op de vraag of de in het gebouw aanwezige brandveiligheidsvoorzieningen voldoen aan artikel 2.113 en artikel 2.161 van het Bouwbesluit en artikel 2.3.5, artikel 2.2.1 en artikel 2.3.6 van het Gebruiksbesluit, dan wel ten minste dezelfde mate van brandveiligheid bieden als die, welke ingevolge die voorschriften is vereist, zodat na melding daarvan niet behoeft te worden voldaan aan die voorschriften.

2.5. City Lido en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat door het dichten van de doorvoeren in de stookruimte met brandwerende zakken van Flame Shield, type F 60, en brandwerend PUR schuim en het aanbrengen van een zogenoemde blusbom het gebouw in zoverre ten minste dezelfde mate van veiligheid biedt, als is beoogd met de betrokken voorschriften.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat de gekozen oplossing met brandwerende zakken en brandwerend PUR-schuim in de doorvoeren leidt tot een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van de scheidingen tussen de stookruimte en de rest van het gebouw van tenminste 20 minuten, zodat hier geen sprake is van een uit een oogpunt van brandveiligheid aan de voorschriften in het Bouwbesluit ten minste gelijkwaardige oplossing. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de reactie van Efectis Nederland (hierna: Efectis) op het memorandum van 18 december 2008 van dr. ir. N.P.M. Scholten (hierna: Scholten) volgt dat sprake is van een onvoldoende brandwerende uitvoering van de doorvoeren die in een vroeg stadium van de brand kan leiden tot rookverspreiding naar naastgelegen ruimten, gezien de afmetingen van de kieren en dichtgepurde delen en gezien de overdruk die bij een brand te verwachten is in combinatie met rookproductie. Ook ingenieursbureau DGMR Bouw B.V. is die mening toegedaan. Dat toepassing van brandwerende zakken en brandwerend PUR-schuim niet leidt tot voldoende brandwerende doorvoeren vindt voorts bevestiging in de in hoger beroep door het college overgelegde notitie second opinion van ingenieursbureau Adviesburo Nieman B.V. van 11 december 2009. De rechtbank heeft tevens terecht overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat door het aanbrengen van de blusbom in de stookruimte ten minste dezelfde mate van veiligheid wordt bereikt als met de voorschriften in het Bouwbesluit is beoogd. De verwijzing naar algemene productinformatie op internet is daartoe niet voldoende. Voorts wordt in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat een blusbom in de stookruimte geen effect heeft op een vuurhaard buiten de stookruimte, terwijl de in artikel 2.113, tweede lid, van het Bouwbesluit opgenomen prestatie-eis in beide richtingen van toepassing is. Dat, naar gesteld, aan de bouwvergunning een afbrandscenario ten grondslag ligt, doet daar niet aan af.

Het betoog faalt.

2.6. City Lido en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 2.161, eerste lid, van het Bouwbesluit alleen van toepassing is als het gebouw in gebruik is. Nu de cilindersloten van de deuren in de vluchtroutes in de praktijk ontsloten zijn tijdens gebruik van (een gedeelte van) het gebouw, wordt voldaan aan dit voorschrift, aldus City Lido en anderen.

2.6.1. Niet in geschil is dat vluchtroutes in het gebouw deuren bevatten die met een sleutel moeten worden geopend. Het Bouwbesluit geeft bouwtechnische voorschriften waaraan een bestaand bouwwerk als het onderhavige gebouw tenminste moet voldoen. Het is ingevolge artikel 1b, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Woningwet onder meer verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen die niet voldoet aan die voorschriften. Hieraan kan hetgeen is vermeld in de toelichting bij artikel 2.3.5 van het Gebruiksbesluit niet afdoen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat artikel 2.161, eerste lid, van het Bouwbesluit alleen geldt wanneer het gebouw in gebruik is. De rechtbank heeft terecht aangesloten bij de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2006 (zaaknr. 200501699/1), waarin is overwogen dat uit artikel 2.161, eerste lid, niet anders kan worden afgeleid dan dat een deur die als nooduitgang moet dienen er niet een mag zijn die met een sleutel moet worden geopend, zodat aldus wordt voorkomen dat een deur niet kan worden geopend, omdat deze op slot zit en de sleutel ontbreekt. Hieraan doet niet af dat City Lido in de praktijk tijdens gebruik van het pand de nooduitgangen ontsloten houdt. Dit protocol kan niet worden aangemerkt als een oplossing die dezelfde mate van veiligheid biedt als met artikel 2.161, eerste lid, van het Bouwbesluit is beoogd. De stelling dat de door het college gestelde eis gelet op de aard van het gebruik van het pand tot problemen leidt, waarbij daartoe onbevoegden verkeerde deuren openen, kan aan het vorenstaande niet afdoen. Het college heeft terecht opgemerkt dat die problemen ook zouden kunnen worden ondervangen door extra toezicht in het gebouw.

Het betoog faalt.

2.7. City Lido en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 2.3.5, tweede lid, van het Gebruiksbesluit de bedoeling van die bepaling niet correct weergeeft. Zij voeren voorts aan dat de eis tot het aanbrengen van panieksluitingen in strijd is met artikel 8 van de Woningwet. Ten slotte betogen City Lido en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat de deuren met espagnoletsluiting voldoen aan de mate van veiligheid die artikel 2.3.5, tweede lid, van het Gebruiksbesluit beoogt te bieden, zodat het aanbrengen van panieksluitingen niet nodig is.

2.7.1. Volgens de nota van toelichting bij het Gebruiksbesluit is het doel van artikel 2.3.5 te waarborgen dat deuren in vluchtroutes het vluchten bij brand zo min mogelijk hinderen. Niet valt in te zien dat de tekst van het tweede lid niet met dit doel in overeenstemming is. Ter zitting is komen vast te staan dat het gebouw ruimten voor meer dan 100 personen heeft, met deuren die voorzien zijn van een espagnoletsluiting. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de eis tot het aanbrengen van panieksluitingen of tot het treffen van andere voorzieningen opdat aan artikel 2.3.5, tweede lid, wordt voldaan, strijd oplevert met artikel 8 van de Woningwet. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de eis zijn grondslag vindt in het op grond van het achtste lid van dat artikel vastgestelde Gebruiksbesluit.

Voorts is niet in geschil dat niet wordt voldaan aan artikel 2.3.5, tweede lid, van het Gebruiksbesluit. Of sprake is van een oplossing die tenminste dezelfde mate van brandveiligheid biedt als met het voorschrift is beoogd, is, nadat deze oplossing overeenkomstig artikel 2.12.1 van het Gebruiksbesluit is gemeld, ter beoordeling van het college. Daargelaten dat een zodanige melding niet is gedaan, is niet gebleken dat het college de deuren met espagnoletsluiting ten onrechte als niet gelijkwaardig heeft aangemerkt. De rechtbank heeft daarbij terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat voor het openen van deze deuren het uitoefenen van lichte druk tegen die deuren niet voldoende is, maar een extra handeling nodig is, namelijk het overhalen van een hendel, hetgeen in strijd moet worden geacht met het in de nota van toelichting vermelde doel van dit voorschrift. Ter zitting is gebleken dat het college inmiddels is overgegaan tot het uitvoeren van bestuursdwang, waarbij op een aantal deuren paniekbalken zijn aangebracht en bij een aantal deuren is volstaan met het verwijderen van de espagnoletsluitingen.

Het betoog faalt.

2.8. City Lido en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de bestaande brandmeldinstallatie tenminste dezelfde mate van brandveiligheid biedt als met artikel 2.2.1 van het Gebruiksbesluit is beoogd.

2.8.1. Niet in geschil is dat de brandmeldinstallatie niet voldoet aan artikel 2.2.1, tweede lid, van het Gebruiksbesluit, nu niet is voorzien in een rechtstreekse doormelding naar de regionale alarmcentrale van de brandweer. Voorts is niet in geschil dat noch een definitief programma van eisen als bedoeld in het zesde lid, noch een certificaat als bedoeld in het negende lid, aan het college zijn overgelegd. Dat een doormelding naar de regionale alarmcentrale van de brandweer in dit geval ook volgens Adviesburo Nieman B.V. geen meerwaarde heeft uit een oogpunt van vluchtveiligheid en brandbeheersing, doet er niet aan af dat City Lido en anderen een beroep op gelijkwaardigheid niet uitdrukkelijk aan het college hebben gemeld, overeenkomstig artikel 2.12.1 van het Gebruiksbesluit. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de in artikel 2.2.1 van het Gebruiksbesluit gestelde eisen dient te worden voldaan. Daarbij bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte van de tekst van die bepaling in plaats van de toelichting bij het Gebruiksbesluit is uitgegaan.

Het betoog faalt.

2.9. City Lido en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat, nu de last met betrekking tot de ontruimingsalarminstallatie in het besluit van

30 januari 2009 niet is gehandhaafd, hieruit volgt dat bij het besluit van 19 december 2008 ten onrechte is bepaald dat de ontruimingsalarminstallatie niet voldoet aan artikel 2.3.6 van het Gebruiksbesluit. Zij voeren voorts aan dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door te overwegen alsof de last met betrekking tot de ontruimingsalarminstallatie niet is ingetrokken.

2.9.1. In de omstandigheid dat aan het besluit van 30 januari 2009 geen overtreding met betrekking tot de ontruimingsalarminstallatie ten grondslag is gelegd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college bij besluit van 19 december 2008 ten aanzien van de ontruimingsalarminstallatie ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat met het feit dat tijdens een controle op 30 januari 2009 door het college is geconstateerd dat de ontruimingsalarminstallatie aan de brandmeldinstallatie is gekoppeld niet is aangetoond dat de installatie voldoet aan NEN 2575: 2004. Ter zitting is door het college opgemerkt dat, nu geen goedgekeurd programma van eisen is overgelegd, ook ten tijde van het besluit van 30 januari 2009 hieraan niet werd voldaan, zodat de last ten aanzien van de ontruimingsalarminstallatie in dat besluit per abuis niet eveneens is opgenomen. Voor het oordeel dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden, bestaat voorts geen grond nu het beroep bij de rechtbank mede gericht was tegen het besluit waarbij het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2008 ongegrond is verklaard. Dat het besluit van 19 december 2008 bij het besluit van 30 januari 2009 is ingetrokken doet hieraan niet af, nu dit geen intrekking met terugwerkende kracht betrof.

Het betoog faalt.

2.10. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat met de verlening in 2003 van de thans van rechtswege als melding aangemerkte gebruiksvergunning niet impliciet van de toenmalige bouwverordening ontheffing is verleend, noch de gelijkwaardigheid van de gekozen oplossingen impliciet is erkend, in aanmerking genomen het uitdrukkelijk voorbehoud dat bij verlening van die vergunning is gemaakt met betrekking tot de nooduitgangen met espagnoletsluiting en de brandmeldinstallatie met doormelding naar een particuliere alarmcentrale. Dat dit voorbehoud in de gebruiksvergunning in een overweging ten overvloede is neergelegd, maakt niet dat hieraan in het kader van de handhavingsprocedure geen betekenis kan toekomen. Door het college is onweersproken gesteld dat de ten tijde van de verlening van de gebruiksvergunning geldende bouwverordening geen ontheffingsmogelijkheid kende. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de gelijkwaardigheid is erkend bij verlening van de bouwvergunning in 2000, daargelaten dat die bouwvergunning blijkens de aanvraag zag op verbouwing van een klein gedeelte van het gebouw.

2.11. City Lido en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de gestelde begunstigingstermijn voor het geheel vernieuwen van de brandmeldinstallatie onrealistisch kort is.

2.11.1. Niet gebleken is dat City Lido en anderen de beroepsgrond met betrekking tot de lengte van de begunstigingstermijn bij de rechtbank naar voren hebben gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen, gelet op de functie van het hoger beroep, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.12. City Lido en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college in het kader van zijn besluitvorming ten onrechte geen externe deskundige heeft geraadpleegd, gelet op de door hen ingediende deskundigenrapporten.

2.13. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de besluiten van het college onzorgvuldig zijn genomen, omdat deze zonder externe deskundigen te raadplegen tot stand zijn gekomen. Door City Lido en anderen is niet weersproken dat de gemeente zelf over medewerkers beschikt die gespecialiseerd zijn in brandveiligheid. In het besluit van 30 januari 2009 is het college inhoudelijk ingegaan op het door Scholten namens City Lido en anderen ingediende memorandum. Gelet op de intern beschikbare deskundigheid behoefde het college daartoe geen externe deskundige in te schakelen.

Het betoog faalt.

2.14. City Lido en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat [appellante A], [appellante B] en de natuurlijke personen [appellant C] en [appellant D] ten onrechte als overtreders zijn aangemerkt, nu zij geen eigenaar van het bouwwerk zijn, waarop de aanschrijving ziet.

2.14.1. Niet in geschil is dat City Centrum Groenlo B.V. als exploitant van City Lido, als overtreder is aan te merken. Nu [appellante A] en [appellante B] blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel bestuurders zijn van City Centrum Groenlo B.V. en elk als directeur over een onbeperkte volmacht beschikken, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college deze vennootschappen, die als directeuren feitelijke zeggenschap hebben over de exploitatie van City Lido, terecht eveneens als overtreders heeft aangemerkt. In het door City Lido en anderen aangevoerde is evenmin grond te vinden voor het oordeel dat [appellant C] en [appellant D], die volgens het handelsregister als bestuurders van, onderscheidenlijk, [appellante A] en [appellante B] fungeren, ten onrechte als overtreders zijn aangemerkt. Door City Lido en anderen is niet bestreden dat deze natuurlijke personen feitelijk zeggenschap hebben over City Lido en in contacten met de gemeente zijn opgetreden als vertegenwoordigers daarvan. Uit het vorenstaande blijkt dat [appellant C] en [appellant D] degenen zijn die feitelijk leiding geven aan City Lido. Gelet hierop moeten zij in staat worden geacht om de geconstateerde overtredingen te beëindigen. Het college kon hen dan ook aanschrijven tot het treffen van de noodzakelijk geachte voorzieningen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. De stelling van City Lido en anderen dat alleen een eigenaar is aan te merken als overtreder, vindt geen steun in het recht en de jurisprudentie van de Afdeling.

Het betoog faalt.

2.15. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

392.