Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
201001131/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 16 augustus 2005 heeft het college [belanghebbende] naar aanleiding van zijn verzoek daartoe meegedeeld dat het in principe medewerking wil verlenen aan het plan de boerderij aan [locatie] te slopen en een nieuwe boerderij te splitsen in twee woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/224

Uitspraak

201001131/1/H2.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 december 2009 in zaak nr. 08/3708 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij brief van 16 augustus 2005 heeft het college [belanghebbende] naar aanleiding van zijn verzoek daartoe meegedeeld dat het in principe medewerking wil verlenen aan het plan de boerderij aan [locatie] te slopen en een nieuwe boerderij te splitsen in twee woningen.

Bij besluit van 2 september 2008 heeft het het door [appellant] tegen het uitblijven van een besluit op dat verzoek gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en dat ook gedaan met een verzoek van 11 april 2007 om vergoeding van schade.

Bij uitspraak van 15 december 2009, verzonden op 17 december 2009 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen dit besluit ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank een brief van [belanghebbende] van 13 mei 2005 aan de gemeente Bergeijk ten onrechte niet heeft aangemerkt als aanvraag en door niet aan te nemen dat niet tijdig een besluit is genomen, omdat geen andere aanvraag is ingediend, heeft miskend dat, samengevat weergegeven, bij de brief van 13 mei 2005 is aangevraagd die besluiten te nemen die nodig waren om een voormalige boerderij af te breken en ter plaatse twee nieuwe woningen te bouwen.

2.1.1. Bij de brief van 13 mei 2005, die is geadresseerd aan de gemeente Bergeijk en gericht tot T.A.P.S. Duffhues, medewerker bij de Afdeling Grondgebiedzaken, Wonen en Milieu en waarop bij de brief van 16 augustus 2005 is geantwoord, heeft [belanghebbende] gevraagd of de voormalige boerderij aan [locatie] te [plaats] kan worden gesplitst in twee volwaardige burgerwoningen met een inhoud van minimaal 750 m2 en de gemeente daaraan medewerking wil verlenen. Bij de brief is een uitsnede van de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" van de gemeente Bergeijk gevoegd.

2.1.2. De brief van 13 mei 2005 bevat aldus geen aanvraag. Voor een aanvraag om verlening van een bouwvergunning, al dan niet onder vrijstelling van het bestemmingsplan, zijn voorschriften gesteld, waaraan de brief niet voldoet. Het betoog faalt reeds om die reden.

2.2. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn verzoek van 11 april 2007 om vergoeding van schade ten gevolge van het uitblijven van een besluit op de brief van 13 mei 2005 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2.1. Dat betoog slaagt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat voor het college geen aanleiding bestond om op die brief een besluit te nemen, maar miskend dat het college dat verzoek bij het besluit van 2 september 2008 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Algemene wet bestuursrecht voorziet niet in de mogelijkheid om een verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep daarbij voor het overige ongegrond is verklaard. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het verzoek om schadevergoeding, gegrond verklaren, het besluit van 2 september 2008 in zoverre vernietigen, dat verzoek afwijzen en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 december 2009 in zaak nr. 08/3708, voor zover het beroep daarbij voor het overige ongegrond is verklaard;

III. verklaart dat beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk van 2 september 2008, kenmerk 10700591, voor zover het verzoek van [appellant] van 11 april 2007 om vergoeding van schade daarbij niet-ontvankelijk is verklaard;

V. wijst dat verzoek af;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit;

VII. bevestigt de uitspraak voor het overige;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

507.