Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3186

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
201000528/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] tegen het uitblijven van een beslissing op een verzoek van 17 juni 2008 om openbaarmaking van informatie gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201000528/1/H3.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2009 in zaak nr. 08/4122 in het geding tussen:

appellant

en

de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: de korpsbeheerder).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] tegen het uitblijven van een beslissing op een verzoek van 17 juni 2008 om openbaarmaking van informatie gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 21 januari en 16 maart 2010.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 23 juni 2010.

2. Overwegingen

2.1. De korpsbeheerder heeft aan het besluit van 15 oktober 2008 ten grondslag gelegd dat hij geen verzoek om openbaarmaking, dat volgens [appellant] op 17 juni 2008, zowel per faxbericht, als per post, is ingediend, heeft ontvangen.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder de gevolgen van het niet ontvangen van het gestelde verzoek per faxbericht voor risico van [appellant] mocht laten, nu deze wijze van verzending niet publiek is gemaakt en bovendien aan de gemachtigde van [appellant] herhaaldelijk is afgeraden en dat hetzelfde geldt voor het niet ontvangen van het niet aangetekend verzonden verzoek en het niet kunnen leveren van het bewijs dat het verzoek ter post is bezorgd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de korpsbeheerder de elektronische weg voor het doen van verzoeken om openbaarmaking heeft opengesteld, nu structureel op zulke verzoeken van andere personen, die de gemachtigde uitsluitend per faxbericht heeft ingediend, is gereageerd. Ook heeft de rechtbank volgens hem miskend dat de omstandigheid dat in het postregister van het kantoor van zijn gemachtigde, waarin aantekening wordt gemaakt van poststukken die niet op de dag waarop zij zijn gedateerd ter post worden bezorgd, geen aantekening van het verzoek van 17 juni 2008 is gemaakt, bewijst dat het verzoek op die dag ter post is bezorgd.

2.3.1. Het betoog slaagt niet. Niet is gebleken dat de korpsbeheerder kenbaar heeft gemaakt dat verzoeken om openbaarmaking elektronisch kunnen worden ingediend, als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts is op de website van de politieregio Amsterdam-Amstelland, waar wordt vermeld, op welke wijzen contact met het politiekorps kan worden opgenomen, geen faxnummer vermeld.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200705685/1), kan een bestendige bestuurlijke praktijk, waarbij verzoeken om openbaarmaking eerder via elektronische weg zijn ingediend en hierop is besloten, tot het oordeel leiden dat aan de verzoeker kenbaar is gemaakt dat de elektronische weg voor dergelijke verzoeken is geopend. Anders dan [appellant] stelt, kan uit de door hem overgelegde stukken echter niet worden afgeleid dat ten tijde van belang een bestendige bestuurlijke praktijk, als voormeld, bestond. Daartoe wordt mede in aanmerking genomen dat deze stukken, nog daargelaten hun inhoud, alle dateren van na het besluit van 15 oktober 2008.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de korpsbeheerder de gevolgen van het niet ontvangen van het gestelde verzoek per faxbericht voor risico van [appellant] mocht laten, als hij heeft gedaan. Reeds hierom kan het betoog van [appellant] dat het op de weg van de korpsbeheerder lag om naar aanleiding van dit faxbericht bij hem of zijn gemachtigde naar het per post ingediende verzoek te informeren, niet slagen.

2.3.2. Het verzoek dat volgens [appellant] op 17 juni 2008 per post is ingediend, is niet aangetekend verzonden. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft [appellant] daarmee het risico van het niet ontvangen door de korpsbeheerder van dit verzoek en het niet kunnen leveren van het bewijs dat een verzoek ter post is bezorgd, aanvaard. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat het postregister van het kantoor van zijn gemachtigde geen aantekening van het verzoek van 17 juni 2008 bevat, is onvoldoende om in weerwil van hetgeen de korpsbeheerder heeft gesteld door hem aannemelijk gemaakt te achten dat een verzoek op die dag ter post is bezorgd.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat, gelet op haar oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat geen verzoek van 17 juni 2008 door de korpsbeheerder is ontvangen, het bezwaarschrift als hernieuwd verzoek diende te worden aangemerkt. Zij heeft het beroepschrift ten onrechte niet als bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit op dat verzoek aan de korpsbeheerder doorgezonden, aldus [appellant].

2.4.1. Dat betoog slaagt evenmin. Het beroepschrift richt zich niet tegen het uitblijven van een besluit op het hernieuwde verzoek. De rechtbank behoefde het beroepschrift dan ook niet als bezwaarschrift aan de korpsbeheerder door te sturen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

307-598.