Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200909877/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2008 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard, omdat hij geen medewerking aan een hem opgelegde Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) heeft verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909877/1/H3.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 november 2009 in zaak nr. 09/72 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2008 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard, omdat hij geen medewerking aan een hem opgelegde Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) heeft verleend.

Bij besluit van 8 december 2008 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2010, waar [appellant] in persoon en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, legt het CBR, indien een zodanige mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid te onderwerpen.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, is degene die zich dient te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden het tijdstip waarop en de plaats waar betrokkene de hem opgelegde educatieve maatregelen dient te ondergaan door het CBR vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid worden, indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats waarop betrokkene de hem opgelegde educatieve maatregelen dient te ondergaan door het CBR opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. Bij besluit van 13 november 2007 heeft het CBR [appellant] verplicht aan een EMA deel te nemen. Aan het besluit van 8 december 2008 heeft het ten grondslag gelegd dat [appellant] niet bij het voorgesprek is verschenen en niet is gebleken van een geldige reden van verhindering. Dat [appellant] is strafrechtelijk vrijgesproken van de feiten die tot het besluit van 13 november 2007 hebben geleid, is geen geldige reden van verhindering. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij stelt, de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst om de EMA met succes te kunnen volgen, aldus het CBR.

2.3. [appellant] voert aan dat hij vanwege lichamelijke en geestelijke problemen niet ter zitting bij de rechtbank heeft kunnen verschijnen. Voor zover hij hiermee beoogt te betogen dat de rechtbank hem ten onrechte geen gelegenheid heeft geboden zijn beroepschrift op een andere dag mondeling toe te lichten, faalt dit betoog. Nog daargelaten dat in de brief van 23 oktober 2009, waarbij [appellant]'s gemachtigde aan de rechtbank heeft medegedeeld dat [appellant] en hijzelf niet ter zitting zouden verschijnen, niet is gesteld dat [appellant] daartoe vanwege gezondheidsredenen niet in staat was, is gesteld noch gebleken dat ook de gemachtigde verhinderd was om [appellant] ter zitting te vertegenwoordigen, dan wel het voor deze niet mogelijk was zich te laten vervangen.

2.4. [appellant] klaagt voorts dat de rechtbank, door te oordelen dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet de vereiste medewerking aan de EMA heeft verleend, terwijl daarvoor geen geldige reden aanwezig was, heeft miskend dat hij is vrijgesproken en hij door onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal de brieven van het CBR niet heeft begrepen.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht onderzocht of het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] de vereiste medewerking aan de EMA niet heeft verleend.

[appellant] was verplicht medewerking aan de hem opgelegde EMA te verlenen. Niet in geschil is dat hij niet voor het voorgesprek, waarvoor hij bij brief van 30 september 2008 door het CBR was opgeroepen, is verschenen. De rechtbank heeft terecht in de gestelde omstandigheid dat [appellant] de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst om de hem door het CBR toegestuurde brieven te begrijpen en om de EMA met succes te kunnen afronden geen grond gevonden voor het oordeel dat hem dat niet tegengeworpen mocht worden. Het was aan hem om er voor te zorgen dat hij begreep wat in die brieven stond en hij had tijdens het voorgesprek zijn gestelde problemen met de Nederlandse taal bij het volgen van de EMA aan de orde kunnen stellen.

Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat ook de gestelde omstandigheid dat [appellant] voor de feiten die tot het opleggen van de EMA hebben geleid is vrijgesproken er niet aan afdoet dat hij de vereiste medewerking aan de EMA niet heeft verleend en het CBR onder die omstandigheid tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] moest besluiten. Het betoog slaagt niet.

2.5. Dat [appellant] het rijbewijs, zoals hij stelt, nodig heeft, onder meer voor het doen van boodschappen en het vervoer van zijn kinderen, heeft hij voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Reeds omdat dat bij de rechtbank niet is aangevoerd, kan deze beroepsgrond niet slagen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

307-598.