Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200909793/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard, omdat deze niet aan de eisen van geschiktheid voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909793/1/H3.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 november 2009 in zaak nr. 09/205 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard, omdat deze niet aan de eisen van geschiktheid voldoet.

Bij besluit van 9 januari 2009 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2009, hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2010, waar [appellant] in persoon en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid bepaalt het CBR de aard van het onderzoek en door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de krachtens die bepalingen vastgestelde Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek respectievelijk de onderzoeken inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid, aldus de bijlage.

2.2. [appellant] is op 17 mei 2008 aangehouden, waarbij een ademalcoholgehalte van 810 µg/l is vastgesteld. Daarop heeft het CBR bij besluit van 2 juni 2008 gevorderd dat hij aan een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 meewerkt. Aan dit besluit is voorts ten grondslag gelegd dat hij eerder, op 13 september 2007, is aangehouden en daarbij een ademalcoholgehalte van 710 µg/l is vastgesteld.

2.3. Het CBR heeft het besluit van 24 oktober 2008 doen steunen op de uitkomst van een op 13 augustus 2008 uitgevoerd onderzoek naar de geschiktheid. De keurend psychiater heeft daarbij aan de hand van de DSM-IV(-TR)-classificatie de diagnose misbruik van alcohol gesteld, maar is ook buiten deze classificatie om op basis van alle relevante gegevens tot de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gekomen. Volgens het verslag van bevindingen van het onderzoek is aannemelijk dat [appellant] na de laatste aanhouding, op of omstreeks 18 mei 2008, met misbruik van het middel is gestopt.

Omdat ten tijde van het onderzoek nog geen recidiefvrije periode van een jaar was verstreken, heeft het CBR [appellant] ongeschikt geacht voor het besturen van motorrijtuigen.

2.4. [appellant] beschikt, nadat hij bij een nader onderzoek geschikt is bevonden tot het besturen van motorrijtuigen, inmiddels over een rijbewijs. Anders dan het CBR betoogt, geeft dat geen grond voor het oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep. [appellant] heeft gesteld dat hij door de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs schade heeft geleden, omdat de kosten van voormeld nader onderzoek voor zijn rekening kwamen en hij een chauffeur heeft moeten inhuren om zijn beroep te kunnen blijven uitoefenen. Daarmee heeft hij tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van deze ongeldigverklaring schade heeft geleden. Dat is voldoende om belang bij het hoger beroep aan te nemen.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat in een geval, als dit, waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig is of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Zij heeft dat in dit geval niet aangenomen. In een door [appellant] overgelegd rapport van een door hem geraadpleegde psychiater heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor dat oordeel.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de aan het besluit van 24 oktober 2008 ten grondslag gelegde psychiatrische diagnose alleen is gebaseerd op een vermoeden van het rijden onder invloed. Dit ten onrechte, nu hij van het feit van 13 september 2007 is vrijgesproken, omdat op basis van de stukken niet kon worden vastgesteld dat de ademanalyse overeenkomstig de voorschriften was uitgevoerd. Voorts heeft zij volgens hem miskend dat het CBR de diagnose niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen, nu de door hem geraadpleegde psychiater deze heeft weersproken.

2.6.1. Het psychiatrisch rapport waarop het besluit van 24 oktober 2008 steunt, bevat de resultaten van psychiatrisch, lichamelijk en laboratoriumonderzoek. Op grond van de bij deze onderzoeken verkregen gegevens heeft de psychiater geoordeeld dat [appellant] ten tijde van zijn aanhouding op 17 mei 2008 een verhoogde alcoholtolerantie had. Deze tolerantie is volgens de psychiater een indicatie voor overmatig alcoholgebruik in de periode, voorafgaand aan de aanhouding. De psychiater concludeert voorts een voortdurend gebruik van alcohol en een weinig verantwoordelijke omgang met alcohol door [appellant]. Hij komt tot die conclusie op grond van het feit dat [appellant] naar aanleiding van de aanhouding op 13 september 2007 in 2008 het volgen van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) is opgelegd, maar desondanks kort hierna opnieuw is aangehouden wegens het besturen van een voertuig met een te hoog alcoholpromillage in het bloed. Op basis van het totaal van de verkregen gegevens stelt de psychiater de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin.

2.6.2. Onder deze op zichzelf door [appellant] niet bestreden omstandigheden mist het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de psychiater zijn diagnose uitsluitend op een verdenking van rijden onder invloed heeft gebaseerd feitelijke grondslag. Weliswaar heeft het feit dat [appellant] tweemaal binnen een jaar vanwege deze verdenking is aangehouden, bijgedragen aan de conclusie dat bij [appellant] sprake is van herhaaldelijk gebruik van alcohol in gevaarlijke situaties in de zin van de DSM-IV(-TR)-classificatie, maar die conclusie vormt slechts één van de ondersteunende elementen voor de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin.

Zoals de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, komt voorts de vrijspraak ter zake van de bij de aanhouding op 13 september 2007 geconstateerde feiten niet de betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. Uit die vrijspraak valt niet af te leiden dat het vastgestelde alcoholpromillage niet juist is, louter dat het strafrechtelijke bewijs voor die feiten door het openbaar ministerie niet is geleverd. Het op ambtsbelofte of ambtseed opgemaakte proces-verbaal vormt voldoende grondslag voor het vermoeden, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, nu geen tegenbewijs is geleverd.

2.6.3. De keurend psychiater heeft bij brief van 14 december 2008 een reactie op het bericht van de door [appellant] geraadpleegde psychiater gegeven. Hierin zet hij uiteen dat tussen hem en die psychiater, ook in termen van diagnostiek, een belangrijk verschil van inzicht bestaat over de omgang van [appellant] met alcohol en de geraadpleegde psychiater de omgang van [appellant] met alcohol vergoelijkt. De keurend psychiater heeft in diens rapport geen aanleiding gezien om zijn diagnose te wijzigen. Het vorenstaande in aanmerking nemend, heeft het CBR zich op die diagnose mogen baseren en heeft de rechtbank met juistheid in dat bericht geen grond gevonden voor het oordeel dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet aan de eisen van geschiktheid, zoals nader omschreven in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000, voldeed.

Evenzeer met juistheid heeft zij overwogen dat de toepasselijke wettelijke voorschriften het CBR geen ruimte boden voor een afweging van persoonlijke belangen.

2.6.4. De conclusie is dat het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

307-598.