Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
201003902/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft de raad van de gemeente Bladel het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010 gemeente Bladel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003902/2/R3.

Datum uitspraak: 30 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Bladel,

2. [verzoekers sub 2] (hierna tezamen in enkelvoud: [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Bladel,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Bladel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft de raad van de gemeente Bladel het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010 gemeente Bladel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 19 juli 2010, waar [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, en de raad, vertegenwoordigd door P.A.M. Stappaerts, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

2.2. [verzoeker sub 1] verzoekt het bestreden besluit te schorsen wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor zijn perceel [locatie A] in [plaats]. Hij betoogt dat de omvang van het bouwvlak ten onrechte naar aanleiding van de zienswijze van het provinciebestuur is verkleind ten opzichte van het ontwerp, omdat het provinciebestuur volgens hem ten onrechte heeft gesteld dat de omvang van het bouwvlak in het ontwerp in strijd is met het reconstructieplanbeleid voor extensiveringsgebieden. Voorts voert hij aan dat een bouwvlak van ten minste 1,4 hectare noodzakelijk is om tijdig te kunnen voldoen aan gewijzigde wet- en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn.

2.2.1. In zijn zienswijze over het ontwerp heeft het provinciebestuur naar voren gebracht dat het van belang is dat de uitgangspunten van het reconstructieplan op een goede wijze worden doorvertaald in de regels van het plan. Voor de intensieve veehouderij is van belang dat in extensiveringsgebieden geen vergroting van bedrijven of bouwblokken plaatsvindt ten opzichte van het geldende plan. In het vigerende plan zijn verbale bouwblokken opgenomen van 1,5 hectare. Voor zover deze mogelijkheden niet zijn benut, kunnen hier geen rechten aan ontleend worden. In deze gevallen dient te worden uitgegaan van het "bouwblok op maat"-principe zoals opgenomen in het reconstructieplan. Op een aantal locaties binnen extensiveringsgebieden, zoals de locatie [locatie A], wordt niettemin substantiële ruimte (meer dan 15%) geboden voor verdere ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven. Dit is in strijd met de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: de wet), die bepaalt dat in extensiveringsgebieden geen uitbreiding van intensieve veehouderijen mag plaatsvinden, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.2.2. In reactie op voornoemde zienswijze heeft de raad ten aanzien van het perceel [locatie A] opgemerkt dat het bouwvlak in het ontwerp ongeveer 12.900 m² is en dat de feitelijke bebouwing een oppervlakte van ongeveer 9.000 m² beslaat. In het ontwerp was rekening gehouden met een milieuvergunning die is verleend voor uitbreiding met twee stallen. Nu voor de uitbreiding geen bouwvergunning is aangevraagd of verleend, wordt tegemoet gekomen aan de zienswijze, aldus de raad.

2.2.3. Volgens §11.6.1 van deel B van het reconstructieplan Beerze Reusel geldt in het algemeen dat uitbreiding van intensieve veehouderij op grond van de wet in extensiveringsgebieden niet is toegestaan. Onder uitbreiding wordt een vergroting van het bestaande bouwblok verstaan. Voor een bestaand bedrijf gelden de volgende beleidsuitgangspunten.

Aan bestaande intensieve veehouderijen wordt een "bouwblok op maat" toegekend. Het vertrekpunt hierbij is het respecteren van in (actuele) bestemmingsplannen toegekende bouwrechten. De volgende randvoorwaarden worden hierbij in acht genomen:

3. Bouwrechten in bestemmingsplannen die gebaseerd zijn op het Streekplan van 1992 en 2002 worden gerespecteerd en zijn vervat in een daarop gebaseerd bouwblok. Bouwblokken in bestemmingsplannen, die gebaseerd zijn op het Streekplan van 1992 en 2002, maar ten aanzien waarvan goedkeuring is onthouden aan de bouwrechten, dan wel waarin geen directe bouwrechten zijn vastgelegd, worden vervat in een "bouwblok op maat", conform bijlage 5.2.

4. Bestaande intensieve veehouderijbedrijven, waarvan de bouwrechten zijn vastgelegd in een bestemmingsplan dat niet is gebaseerd op het Streekplan van 1992 en 2002 maar die een aantoonbaar concreet initiatief tot uitbreiding hebben dat past binnen de vigerende bestemmingsplanregeling, krijgen een beoordeling volgens "bouwblok op maat", conform bijlage 5.2.

5. Bouwrechten die zijn vastgelegd in bestemmingsplannen die niet zijn gebaseerd op het Streekplan van 1992 en 2002 en waarbij geen sprake is van aantoonbaar concrete initiatieven, komen te vervallen. Hier wordt ter bepaling van de bouwrechten een strakke lijn om de bebouwing van de intensieve veehouderij getrokken (nauw begrensd bouwblok).

Onder een bestemmingsplan dat is gebaseerd op het streekplan van 1992 en 2002 wordt verstaan: een bestemmings- of wijzigingsplan waarin directe bouwrechten zijn vastgelegd en waarover het college van gedeputeerde staten een besluit omtrent goedkeuring van dat plan hebben genomen na 17 juli 1992 en vóór 22 april 2005.

Onder een bouwrecht wordt verstaan: een rechtstreeks - zonder vrijstellings- of wijzigingsprocedure - aan een bestemmingsplan dan wel een daarbinnen opgenomen bouwblok te ontlenen recht om bebouwing te mogen oprichten, uitgezonderd omschakeling.

In bijlage 5.2 bij deel B van het reconstructieplan is opgenomen dat in de extensiveringsgebieden in de bestemmingsplannen die gebaseerd zijn op het Streekplan 1992 al een bouwblok op maat aan intensieve veehouderijen is toegekend en dat deze bouwblokken in stand blijven, maar niet meer kunnen worden uitgebreid.

2.2.4. Niet in geschil is dat in het vorige bestemmingsplan Buitengebied (1998) voor het perceel [locatie A] een zogenoemd verbaal bouwblok van 1,5 hectare was opgenomen, zodat aan dat plan een recht om bebouwing te mogen oprichten kon worden ontleend ter grootte van 1,5 hectare. Voorts heeft de raad niet aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat het vorige plan niet is gebaseerd op het Streekplan 1992 in vorenbedoelde zin, noch dat goedkeuring is onthouden aan de hierin opgenomen bouwrechten voor het perceel [locatie A], dan wel dat deze geen directe bouwrechten betroffen. Niettemin heeft de raad, in afwijking van de hiervoor onder 3. genoemde randvoorwaarde, geen bouwblok van 1,5 hectare opgenomen in het plan zoals in het voorgaande bestemmingsplan.

2.2.5. In het voornoemde reconstructieplanbeleid ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de uitleg van het college van gedeputeerde staten dat in het voorliggende geval een zogenoemd bouwblok op maat moet worden toegekend omdat de bouwrechten in het voorgaande plan niet zijn benut. Met de motivering dat voor de gewenste uitbreiding nog geen bouwvergunning is aangevraagd of verleend, stelt de raad zich kennelijk op het standpunt dat geen sprake is van een aantoonbaar concreet initiatief. Deze randvoorwaarde geldt echter niet voor de aan de orde zijnde situatie dat aan het vorige plan bouwrechten konden worden ontleend en dat plan is gebaseerd op het Streekplan 1992. Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de raad vooralsnog niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor het perceel [locatie A] niet een bouwvlak in overeenstemming met het voorgaande plan kon worden opgenomen, zodat de voorzitter aanleiding ziet het in geding zijnde plandeel te schorsen.

2.2.6. Aangezien in de hoofdzaak de toepassing van hetzelfde reconstructieplanbeleid aan de orde is ten aanzien van andere partijen dan in deze procedure, ziet de voorzitter, hoewel partijen ter zitting daarvoor toestemming hebben gegeven, geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Het verzoek van [verzoeker sub 2]

2.3. [verzoeker sub 2] verzoekt het bestreden besluit te schorsen wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" en de aanduiding "uitvaartcentrum (uv)" voor het perceel Groenstraat 7 in Hoogeloon en wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-LW)" met de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch met waarden - informatiecentrum/opslag voor natuurbeheer (saw-io)", "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak 120 m² (h 120)" voor het perceel ten noorden hiervan.

[verzoeker sub 2] vreest door het nieuwe gebruik en de daarbij behorende bebouwing en bedrijfswoning op het perceel Groenstraat 7 te worden beperkt in de bedrijfsvoering van zijn paardenhouderij aan de [locatie B], die is gelegen op minder dan 50 meter afstand van het bouwvlak voor het uitvaartcentrum. Daarnaast betoogt hij dat het plan in strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid voorziet in een toename van het gebruik als bedrijfsbebouwing ten opzichte van het voorheen geldende plan en in de nieuwbouw van een bedrijfswoning, nu niet de aanleg van nieuwe natuur is gewaarborgd ter compensatie van deze bebouwing. Verder is volgens [verzoeker sub 2] onvoldoende onderzoek verricht naar de economische uitvoerbaarheid van het uitvaartcentrum.

Voorts stelt [verzoeker sub 2] dat de bestemmingsregeling voor het perceel ten noorden van het perceel Groenstraat 7 ingrijpend is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp en betoogt hij dat deze wijzigingen ten onrechte niet zijn gemotiveerd.

2.3.1. Voornoemde plandelen behelzen de planologische inpassing van de omvorming van het agrarische bedrijf naar uitvaartonderneming en de inrichting van de voormalige werktuigloods tot een toeristisch-recreatief informatiepunt met opslag voor natuur- en landschapsbeheeractiviteiten, waarvoor op 8 december 2009 een projectbesluit is genomen. [verzoeker sub 2] voert aan dat hij beroep heeft ingesteld tegen dat besluit en dat de inwerkingtreding van het plan van invloed is op de beoordeling van zijn beroep in de projectbesluitprocedure wanneer, zoals ter zitting namens de initiatiefnemers is verklaard, op korte termijn een aanvraag voor een bouwvergunning wordt gedaan.

2.3.2. De plandelen zijn gewijzigd vastgesteld naar aanleiding van de zienswijze van de initiatiefnemers over het ontwerp, waarin voor het perceel Groenstraat 7 een agrarische bestemming was opgenomen. Bij de reactie op hun zienswijze is volstaan met de opmerking dat het gemeentebestuur heeft ingestemd met de plannen en dat daartoe een projectbesluit is genomen. Dit terwijl [verzoeker sub 2] een zienswijze naar voren had gebracht over het ontwerp-projectbesluit en vóór de vaststelling van het plan beroep heeft ingesteld tegen het projectbesluit en partijen ook in die procedure aanzienlijk van standpunten verschillen. In dit licht acht de voorzitter niet uitgesloten dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat in het kader van het bestemmingsplan onvoldoende inzicht is geboden in de betrokken belangen en in de afweging daarvan. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding de in geding zijnde plandelen te schorsen.

2.4. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Bladel van 22 februari 2010, nr. R2010.004, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010 gemeente Bladel" voor zover het betreft:

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel locatie A] in ]plaats];

- het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" en de aanduiding "uitvaartcentrum (uv)" voor het perceel Groenstraat 7 in Hoogeloon;

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-LW)" met de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch met waarden - informatiecentrum/opslag voor natuurbeheer (saw-io)", "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak 120 m² (h 120)" voor het perceel ten noorden van het perceel Groenstraat 7;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Bladel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 2] in verband met de behandeling van hun verzoeken opgekomen proceskosten tot een bedrag van ieder € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de raad van de gemeente Bladel aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoeker sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoekers sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010

516.