Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200907868/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2009, kenmerk 2009-47834, heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Hoorn bij besluit van 16 juni 2009 vastgestelde uitwerkingsplan "Bangert en Oosterpolder Uitwerking fase 4".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200907868/1/R1.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2009, kenmerk 2009-47834, heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Hoorn bij besluit van 16 juni 2009 vastgestelde uitwerkingsplan "Bangert en Oosterpolder Uitwerking fase 4".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2009, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2010, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.C. Dekker, werkzaam bij Dekker Consultants B.V.,[appellant sub 2], vertegenwoordigd door ing. H.H.H. Hendriks, werkzaam bij Hendriks Agrarische Makelaardij, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is als partij het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door G.R.M. Koopman en A.J.M. van der Lee, werkzaam bij de gemeente, ter zitting gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij het besluit over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient het college van gedeputeerde staten te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op het college van gedeputeerde staten de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college van gedeputeerde staten er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellante sub 1] heeft ter zitting de beroepsgrond ingetrokken dat zij betwist dat de bevoegdheid tot het ondertekenen van het goedkeuringsbesluit door het college van gedeputeerde staten is gemandateerd aan de sectormanager Vergunningen.

2.3. [appellante sub 1] betoogt dat het uitwerkingsplan, dat een langzaamverkeersverbinding mogelijk maakt op haar perceel met de bestemming "Groen", gelegen ten westen van het perceel Dorpsstraat 310, in strijd is met het bestemmingsplan, waarin het eerstgenoemde perceel de bestemming "Gemengd lint (uit te werken) - GLU" heeft. [appellante sub 1] betoogt dat uit de voorschriften bij het bestemmingsplan volgt dat de langzaamverkeersverbinding alleen mogelijk kan worden gemaakt ter plaatse van de aanduiding "gebiedsontsluiting langzaam verkeer" op de bestemmingsplankaart. Een dergelijke aanduiding ontbreekt voor haar perceel.

2.3.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich met het college van burgemeester en wethouders op het standpunt dat de bestemming voor het perceel in het uitwerkingsplan niet in strijd is met de bestemming voor het perceel in het bestemmingsplan, omdat ingevolge artikel 6, eerste lid, onder 6, van de voorschriften bij het bestemmingsplan een langzaamverkeersverbinding op het perceel van [appellante sub 1] kan worden gerealiseerd.

2.3.2. In het bestemmingsplan "Bangert en Oosterpolder Herziening ex artikel 30 WRO" heeft het perceel van [appellante sub 1] de bestemming "Gemengd lint (uit te werken) - GLU". Uit artikel 6, eerste lid, sub e van de voorschriften bij het bestemmingsplan volgt dat verkeers- en verblijfsdoeleinden binnen deze bestemming mogelijk zijn. Uit artikel 6, eerste lid, onder 6, van de voorschriften bij het bestemmingsplan volgt dat ter plaatse van de aanduiding "gebiedsontsluiting langzaam verkeer", welke niet staat vermeld ter hoogte van het perceel van [appellante sub 1], de gronden tevens bestemd zijn voor hoofdroutes voor het langzaam verkeer. Ingevolge het derde lid wordt deze bestemming door het college van burgemeester en wethouders uitgewerkt.

In het uitwerkingsplan heeft het perceel de bestemming "Groen". Ingevolge artikel 2 van de voorschriften van het uitwerkingsplan zijn verkeers- en verblijfsdoeleinden binnen deze bestemming toegestaan.

2.3.3. Op het perceel kan een langzaamverkeersverbinding gerealiseerd worden, omdat verkeers- en verblijfsdoeleinden ter plaatse zijn toegestaan. Anders dan [appellante sub 1] betoogt betekent het feit dat in artikel 6, tweede lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan is bepaald dat het wonen als hoofdfunctie van de linten wordt gehandhaafd niet dat een langzaamverkeersverbinding nergens binnen de gronden met de bestemming "Gemengd lint (uit te werken) - GLU" zou zijn toegestaan. In artikel 6, eerste lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan worden immers expliciet ook andere doeleinden dan wonen mogelijk gemaakt.

Voorts volgt, anders dan [appellante sub 1] betoogt, uit artikel 6, eerste lid, onder 6, van de voorschriften bij het bestemmingsplan evenmin dat alleen ter plaatse van de aanduiding "gebiedsontsluiting langzaam verkeer" een langzaamverkeersverbinding kan worden gerealiseerd. Met de aanduiding "gebiedsontsluiting langzaam verkeer" wordt niet gedoeld op alle fietspaden binnen het gebied "Bangert en Oosterpolder", maar alleen op de routes ter ontsluiting van het gebied voor langzaam verkeer. Deze vormen de hoofdverbindingen naar het bestaande stedelijk gebied en naar het buitengebied en zijn geprojecteerd over de linten. Daarnaast zijn er fietspaden die vanuit fase 4 op deze hoofdroutes aansluiten, zoals het pas dat is voorzien op het perceel van [appellante sub 1]. Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat het bestemmingsplan "Bangert en Oosterpolder Herziening ex artikel 30 WRO" voor de Dorpsstraat en de aangrenzende bebouwing moet worden uitgewerkt alvorens wordt aangevangen met de uitwerking van fase 4, is de Afdeling van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders zich ter zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om te wachten met de uitwerking van fase 4. Daarnaast merkt de Afdeling op dat het bestemmingsplan "Bangert en Oosterpolder Herziening Dorpsstraat e.o." op 16 februari 2010 is vastgesteld door de raad en inmiddels in rechte onaantastbaar is.

2.4. Verder betoogt [appellante sub 1] dat de langzaamverkeersverbinding op het perceel in strijd is met de toelichtingen bij het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan. Uit paragraaf 5.3.2 van de toelichting bij het bestemmingsplan volgt dat de linten, waaronder de Dorpsstraat, geen ontsluitingsfunctie hebben. Uit paragraaf 4.3 van de toelichting bij het uitwerkingsplan volgt dat er weliswaar binnen de bestemming "Groen" behalve groen onder meer waterpartijen en verkeersfuncties mogelijk zijn en dat uitruil met de bestemmingen voor verkeer en water mogelijk is, maar dat de uitruil niet zover mag gaan dat een bestemmingsvlak substantieel wordt verhard of verwaterd. Dat is bij haar perceel thans wel het geval, aldus [appellante sub 1].

2.4.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich met het college van burgemeester en wethouders op het standpunt dat juist uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt dat een langzaamverkeersverbinding is beoogd op het perceel. Daarnaast heeft het college van burgemeester en wethouders ter zitting gesteld dat het perceel van [appellante sub 1] niet geheel verhard en verwaterd zal worden.

2.4.2. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt dat de linten geen ontsluitingsfunctie hebben voor autoverkeer. Dat de linten geen ontsluitingsfunctie hebben voor langzaam verkeer volgt niet uit de toelichting. Uit figuur 13 van de toelichting bij het bestemmingsplan volgt voorts dat een langzaamverkeersverbinding op het perceel van [appellante sub 1] is beoogd. Uit de ter zitting getoonde inrichtingschets van het uitwerkingsplan volgt dat er tevens groen is voorzien op het perceel van [appellante sub 1]. Verder sluit artikel 2 van de voorschriften bij het uitwerkingsplan, hetgeen bepalend is, niet uit dat het perceel zo wordt ingericht dat voldoende groen overblijft en er derhalve geen sprake is van een substantiële verharding en verwatering. Gelet hierop is de langzaamverkeersverbinding in overeenstemming met de toelichtingen bij het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan.

2.5. Ten slotte voert [appellante sub 1] aan dat het college van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders onvoldoende rekening hebben gehouden met haar belang om te kunnen bouwen op het perceel en dat zij, nu de uitwerking het niet mogelijk maakt ter plaatse een woning te bouwen, financieel nadeel ondervindt.

2.5.1. Afgezien van het antwoord op de vraag of de stedenbouwkundige visie "Zicht op de linten, deel I (Dorpsstraat)" het mogelijk maakt om woningen op het perceel te realiseren, is ter zitting vast komen te staan dat [appellante sub 1] geen concreet bouwvoornemen heeft, zodat het college van burgemeester en wethouders terecht geen aanleiding heeft gezien aan het perceel een woonbestemming toe te kennen.

Verder hebben het college van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de langzaamverkeersverbinding op die locatie noodzakelijk is, omdat deze zorg draagt voor een goede fietsontsluiting voor de ten noorden en ten zuiden van de Dorpsstraat te ontwikkelen woonwijken.

Wat de eventueel nadelige invloed van de gekozen bestemming op de waarde van het perceel betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college van gedeputeerde staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plandeel aan de orde zijn. Daarbij is van belang dat ingevolge artikel 6, vierde lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan op gronden met de bestemming "Gemengd lint (uit te werken) - GLU" een bouwverbod gold. Dit bouwverbod hield in dat op die grond niet mocht worden gebouwd dan nadat het plan voor de desbetreffende gronden is uitgewerkt, en alsdan uitsluitend overeenkomstig het geldend uitwerkingsplan.

De Afdeling is van oordeel dat in redelijkheid aan het algemeen belang bij de ontwikkeling van de doorsteek over het perceel van [appellante sub 1] een groter gewicht toegekend mocht worden dan aan het belang van [appellante sub 1] om te kunnen bouwen op haar perceel.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

2.7. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen zienswijze heeft ingediend.

2.7.1. [appellant sub 2] stelt dat hij op 11 mei 2009 een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpraadsbesluit van 24 maart 2009 tot onteigening van zijn gronden en tevens tegen het ontwerpuitwerkingsplan "Bangert en Oosterpolder Uitwerking fase 4". Het college van burgemeester en wethouders is er ten onrechte van uitgegaan dat de zienswijze alleen betrekking heeft op het onteigeningsbesluit en heeft derhalve ten onrechte de zienswijze niet opgenomen in de zienswijzennota met betrekking tot het uitwerkingsplan, aldus [appellant sub 2].

2.7.2. [appellant sub 2] heeft in zijn zienswijze verschillende aspecten met betrekking tot het uitwerkingsplan naar voren gebracht en tevens uitdrukkelijk verzocht het uitwerkingsplan te herzien. Gelet hierop is de Afdeling, anders dan het college van burgemeester en wethouders, van oordeel dat de zienswijze ingediend door [appellant sub 2] ook betrekking heeft op het ontwerpuitwerkingsplan. Daarnaast heeft [appellant sub 2] de zienswijze tijdig ingediend. Derhalve is het beroep van [appellant sub 2] ontvankelijk. Nu het college van burgemeester en wethouders in het kader van het uitwerkingsplan niet op deze zienswijze is ingegaan, moet worden geoordeeld dat het uitwerkingsplan niet is voorbereid met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Het college van gedeputeerde staten heeft dit niet onderkend.

2.7.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de plandelen waarin de percelen van [appellant sub 2] met de voorziene langzaamverkeersverbinding zijn gelegen zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door deze plandelen niettemin goed te keuren, heeft het college van gedeputeerde staten gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.8. De Afdeling ziet aanleiding te bezien of de rechtsgevolgen van het besluit in zoverre in stand kunnen worden gelaten.

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat voor de bestemmingen "Groen" en "Wonen 1" op de percelen, kadastraal bekend als [gemeente], sectie […], nummers […], […] en […], in het uitwerkingsplan geen ruimtelijk ontwikkelingsbelang en woningbouwbelang bestaat.

[appellant sub 2] betoogt dat het langzaam verkeer goede verbindingen heeft via andere doorsteken zoals de Strip, het Unjerpad en de Butterwoud en dat de noodzaak van de doorsteek op zijn percelen niet voldoende is onderzocht. [appellant sub 2] betoogt tevens dat de locatie van deze doorsteek ongeschikt is, omdat de langzaamverkeersontsluiting geen aansluiting vindt op een reeds bestaande langzaamverkeersverbinding. Daarenboven heeft de raad volgens [appellant sub 2] zelf in het bestemmingsplan aangegeven dat de linten, waaronder de Dorpsstraat, geen ontsluitingsfunctie hebben voor het plangebied.

Voorts heeft de bestemming "Wonen 1" geen prioriteit, omdat er voldoende huizen in de nabije omgeving te koop staan, aldus [appellant sub 2].

2.9.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich met het college van burgemeester en wethouders op het standpunt dat ten behoeve van doorgaande langzaamverkeersroutes een doorsteek ter hoogte van de Dorpstraat 258 noodzakelijk is, omdat de bestaande doorsteken bij de Strip en de Butterwoud te ver van elkaar zijn gelegen. Daarnaast heeft het college van burgemeester en wethouders ter zitting aangegeven dat de bestaande doorsteek bij het Unjerpad niet voldoende breed is en daarom gezocht is naar een locatie nabij het Unjerpad voor een fietsroute die wel aan de vereiste breedte kan voldoen. Wat betreft het woningbouwbelang is er ondanks de economische crisis nog steeds vraag naar nieuwbouwwoningen, met name naar de categorieën "woningen goedkoop" en "woningen middelduur laag", aldus het college van gedeputeerde staten.

2.9.2. Uit het uitwerkingsplan volgt dat de door [appellant sub 2] bestreden plandelen de bestemming "Groen" onderscheidenlijk "Wonen 1" hebben.

Ingevolge artikel 2, onder 2.1, sub c, van de voorschriften bij het uitwerkingsplan zijn de gronden met de bestemmingen "Groen" onder meer bestemd voor verkeers- en verblijfsdoeleinden.

Ingevolge artikel 6, onder 6.1, sub d, van de voorschriften bij het uitwerkingsplan zijn de gronden met de bestemming "Wonen 1" onder meer bestemd voor eengezins- en meergezinswoningen.

2.9.3. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat onduidelijk is of binnen de bestemming "Groen" een langzaamverkeersverbinding kan worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat een dergelijke verbinding valt onder verkeers- en verblijfsdoeleinden.

Het uitgangspunt van het college van burgemeester en wethouders is geweest om de linten zoveel mogelijk intact te laten en derhalve is gezocht naar open plekken in de desbetreffende linten. De doorsteken zijn voorzien op locaties waar geen bestaande bebouwing is gesitueerd en er is zoveel mogelijk een koppeling gelegd met bestaande waterlopen. Tevens volgt uit figuur 13 van de toelichting bij het bestemmingsplan dat de doorsteek aansluiting vindt op andere langzaamverkeersverbindingen. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, volgt uit de algemene beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3, tweede lid, sub b, van de voorschriften bij het bestemmingsplan dat de linten een belangrijke rol vervullen in de ontsluiting voor het langzaam verkeer. De noodzaak van de doorsteek op de gronden van [appellant sub 2] is het creëren van een doorgaande route van fase 1 via fase 4 en het wijkpark richting het centrum. Daarnaast ontstaat met deze verbinding een korte route naar het groengebied rondom fase 1 en ontstaat tevens een doorkijk naar het groengebied. Tevens is het mogelijk om op deze locatie een fietspad te realiseren dat voldoende breed, goed toegankelijk, bruikbaar en veilig is. Verder zijn de doorsteken bij de Strip en de Butterwoud te ver van elkaar gelegen. Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een doorsteek op deze locatie nodig is. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat andere locaties die aan dezelfde uitgangspunten voldoen beschikbaar zijn. Voorts volgt uit het vorenstaande dat, anders dan [appellant sub 2] betoogt, ruimtelijke overwegingen aan de keuze voor de locatie van de voorgenomen langzaamverkeersverbinding ten grondslag liggen. Bovendien is het niet onredelijk dat ook financiële argumenten een rol hebben gespeeld bij de keuze van de locatie.

2.9.4. Met betrekking tot de plandelen met de bestemming "Wonen 1" is de Afdeling van oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is dat wanneer de economie weer aantrekt de vraag naar nieuwbouwwoningen opnieuw zal stijgen, zodat de start van een nieuwe woningbouwfase noodzakelijk en urgent is.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] inhoudelijk heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand te laten.

2.11. Het college van gedeputeerde staten dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 2] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 1] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 21 augustus 2009, kenmerk 2009-47834, voor zover het betreft de plandelen die zien op de percelen van [appellant sub 2], kadastraal bekend als gemeente Hoorn, sectie […], nummers […], […] en […];

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover vernietigd;

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 1] ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

410-668.