Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200910270/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2008 heeft het college aan Vexpro geweigerd vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van drie vrijstaande woningen met garage (hierna: het project) op het perceel Langendijk 182 te Tilburg (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200910270/1/H1.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vexpro B.V., gevestigd te Gilze,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 november 2009 in zaak nr. 09/501 in het geding tussen:

Vexpro

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2008 heeft het college aan Vexpro geweigerd vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van drie vrijstaande woningen met garage (hierna: het project) op het perceel Langendijk 182 te Tilburg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 november 2008 heeft het college het door Vexpro daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 april 2008 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 11 november 2009, verzonden op 23 november 2009, heeft de rechtbank het door Vexpro daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Vexpro bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2010, waar Vexpro, vertegenwoordigd door [directeur], en het college, vertegenwoordigd door drs. I.M.A. Pols, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vaststaat dat het project in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reeshof Noordwest" (hierna: het bestemmingsplan). Het college is niet bereid vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan.

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge de algemene voorwaarde in artikel I, eerste lid, aanhef en onder c, van de regeling "Categorieën van gevallen ex artikel 19, lid 2, WRO provincie Noord-Brabant 2006" van 16 mei 2006 (hierna: de regeling), kan vrijstelling met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO worden verleend indien er geen sprake is van strijd met het provinciaal of nationaal ruimtelijk beleid.

2.3. Vexpro betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd was vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Zij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het project niet in strijd is met het provinciale beleid, zoals bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de regeling. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het perceel is gelegen in een gebied dat op de kaart behorende bij het door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij besluit van 21 december 2004 vastgestelde streekplanuitwerking Uitwerkingsplan Breda-Tilburg (hierna: het uitwerkingsplan) is aangeduid als landschappelijk raamwerk. Daarnaast betoogt zij dat de schaal van de kaart bij het uitwerkingsplan met zich brengt dat op grond van die kaart niet inzichtelijk is welke aanduidingen op perceelsniveau gelden.

Voorts betoogt zij dat de rechtbank heeft miskend dat het project valt binnen de door het college van gedeputeerde staten aangewezen categorie van gevallen, zoals bedoeld in artikel III (Categorie stedelijk gebied), aanhef en onderdeel b, van de regeling. Zij voert hiertoe aan dat uit de beschrijving in hoofdlijnen van het bestemmingsplan volgt dat het perceel is gelegen binnen de bebouwde kom en in een gebied dat is aan te duiden als stedelijk gebied. Uit de Ruimtelijke structuurvisie Tilburg 2020 volgt tevens dat het perceel is gelegen in gebied dat is aangeduid als bestaand stedelijk gebied, zo stelt Vexpro.

2.3.1. Het provinciaal ruimtelijk beleid bestaat, onder meer, uit het uitwerkingsplan. Ter zitting in hoger beroep is komen vast te staan en door Vexpro is verder ook niet meer betwist dat ingevolge de kaart behorende bij het uitwerkingsplan, het perceel is gelegen in een gebied dat is aangeduid als landschappelijk raamwerk. In paragraaf 6.2.1. van het uitwerkingsplan is uiteengezet dat in het landschappelijk raamwerk stedelijke ontwikkelingen alleen toelaatbaar zijn als daar grote maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en nadat onderzoek heeft aangetoond dat er geen reële alternatieve locaties voorhanden zijn. Door Vexpro is niet betwist dat aan het project geen groot maatschappelijk belang ten grondslag ligt, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met het uitwerkingsplan. Voor zover Vexpro heeft betoogd dat de Ruimtelijke structuurvisie Tilburg 2020 (hierna: de structuurvisie) van latere datum is dan het uitwerkingsplan en dit het actuele ruimtelijke beleid vormt waaraan het project getoetst dient te worden in plaats van aan het uitwerkingsplan, slaagt dit betoog niet, nu de structuurvisie geen provinciaal ruimtelijk beleid is, zoals bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onder c, van de regeling, maar gemeentelijk beleid. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat reeds vanwege de strijd met het uitwerkingsplan het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd was vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Hetgeen Vexpro voor het overige in dit kader heeft betoogd behoeft, nu niet is voldaan aan de algemene voorwaarde uit de regeling, geen bespreking.

Het betoog faalt.

2.4. Vexpro betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het heeft geweigerd vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, te verlenen aan het project. Vexpro voert daartoe aan dat het college zich niet had mogen beperken tot een beoordeling van het provinciaal ruimtelijk beleid, maar een volledige belangenafweging had moeten maken.

2.4.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

2.4.2. Anders dan Vexpro betoogt, heeft het college aan de weigering niet slechts een afweging met betrekking tot het provinciaal ruimtelijk beleid ten grondslag gelegd. Ook de omstandigheden dat het perceel is gelegen in een recent in werking getreden bestemmingsplan en dat de geconstateerde strijdigheid met het provinciaal beleid met zich brengt dat het niet voor de hand ligt dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een verklaring van geen bezwaar zal afgeven zijn door het college aan de weigering ten grondslag gelegd. Hiermee heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het de vrijstelling heeft geweigerd.

Voor zover Vexpro bij haar betoog de toelichting op het bestemmingsplan "Noordwesttangent" betrekt, komt aan deze toelichting geen betekenis toe, reeds nu dit bestemmingsplan niet van toepassing is op het perceel. Voor zover Vexpro betoogt dat het project niet in strijd is met het nieuw op te stellen streekplan in 2012 wordt overwogen dat deze vraag thans niet ter beoordeling voor ligt. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

414-627.