Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
201002159/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een vleesvarkenshouderij en akkerbouwbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 januari 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201002159/1/M2.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats], gemeente Noordoostpolder,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder ,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een vleesvarkenshouderij en akkerbouwbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 januari 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2010, waar [appellant] en anderen, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door G.A. Dekker-van Ooijen, in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord

2. Overwegingen

2.1. [appellant] en anderen voeren aan dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat er onduidelijkheid bestaat over de wettelijke basis.

De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit voldoende inzicht geeft in de wettelijke basis waarop het is gebaseerd. Deze beroepsgrond faalt.

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat niet volstaan kon worden met het verwijzen naar de geluidvoorschriften uit de onderliggende vergunning. Ze zijn van mening dat deze voorschriften van rechtswege zijn vervallen, omdat de stal niet binnen drie jaar is gerealiseerd.

2.2.1. Het college stelt dat de omstandigheid dat een deel van de onderliggende vergunning niet is opgericht niet tot gevolg heeft dat de geluidvoorschriften voor de gehele inrichting van rechtswege zijn komen te vervallen.

2.2.2. De Afdeling stelt vast dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met het niet realiseren van een stal de aan de onderliggende vergunning verbonden geluidvoorschriften niet zijn komen te vervallen. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] en anderen voeren aan dat het onduidelijk is of aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan. Er is ten onrechte geen akoestisch onderzoek overgelegd waaruit dit zou blijken. Uit de considerans van het bestreden besluit blijkt volgens hen dat er een toename van het aantal vervoersbewegingen in de avondperiode plaatsvindt. Dit zou een hogere geluidbelasting kunnen veroorzaken.

2.3.1. Het college stelt dat is aangesloten bij de normstelling uit de onderliggende vergunning. Uit een geluidberekening blijkt volgens het college dat de nieuwe situatie niet meer geluidemissie veroorzaakt dan de oude situatie.

2.3.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in de aangevraagde situatie het aantal ventilatoren zal worden teruggebracht van vijf naar drie en dat die ventilatoren op een grotere afstand van geluidgevoelige objecten zullen worden gesitueerd. Uit door het college uitgevoerde berekeningen blijkt dat dit een dusdanige afname van de geluidemissie met zich meebrengt dat ook als rekening wordt gehouden met de toegenomen vervoersbewegingen aan de geluidnormen kan worden voldaan. Nu ook anderszins niet van een toename van de geluidemissie is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een nader akoestisch onderzoek niet nodig was en dat geen nieuwe geluidvoorschriften aan de vergunning behoefden te worden verbonden. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] en anderen stellen dat de uitzondering op de geluidvoorschriften voor laden en lossen die in de onderliggende vergunning was opgenomen, is komen te vervallen. Hierdoor kan er volgens hen gesproken worden van een fictieve weigering.

2.4.1. Het college stelt dat uit de geluidberekening blijkt dat de uitzondering waar [appellant] en anderen naar verwijzen, niet langer nodig is om aan de geluidvoorschriften te kunnen voldoen.

2.4.2. Uit door het college uitgevoerde berekeningen blijkt dat de nieuwe situatie een dusdanige afname van de geluidemissie met zich meebrengt dat de in de onderliggende vergunning opgenomen uitzondering voor het laden en lossen niet langer noodzakelijk is. Van een fictieve weigering kan derhalve niet gesproken worden. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat de door de inrichting veroorzaakte indirecte hinder ten onrechte niet is getoetst aan de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van februari 1996.

2.5.1. Het college stelt dat de inrichting is gelegen aan een doorgaande weg, waaraan een groot aantal andere landbouwbedrijven gelegen is. Volgens het college is het verkeer van en naar de inrichting daardoor niet akoestisch herkenbaar ten opzichte van het overige verkeer.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend kunnen worden, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich in ieder geval ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer zal onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

Gezien de ligging van de inrichting zal het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van woningen van derden akoestisch niet te onderscheiden zijn van het overige verkeer. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] en anderen voeren aan dat uit de geluidberekeningen blijkt dat er zich ventilatoren aan de zijkant van de stal bevinden. Volgens hen zijn deze ventilatoren ten onrechte niet meegenomen bij de geurberekeningen.

2.6.1. Het college stelt dat uit de bij de aanvraag gevoegde tekening blijkt dat er zich geen ventilatoren aan de zijkant van de stal bevinden. De ventilatoren waar [appellant] en anderen naar verwijzen zien op de oude situatie.

2.6.2. De Afdeling stelt vast dat de aanvraag en daarbij behorende tekeningen deel uitmaken van de vergunning. Uit de bij de aanvraag gevoegde tekening blijkt dat er zich geen ventilatoren aan de zijkant van de stal bevinden. Het college heeft deze ventilatoren op goede gronden niet bij de geurberekeningen betrokken. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant] en anderen voeren aan dat de verwijzing in vergunningvoorschrift 2.2 niet duidelijk is. Het is niet duidelijk om welke van de drie vergunningen het hier gaat.

2.7.1. Het college stelt dat uit de considerans blijkt dat het om de voorschriften uit vergunning 97-084 gaat.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat voldoende duidelijk is naar welke voorschriften hier wordt verwezen. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Klap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

315.