Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
201001242/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeseendenbedrijf met paarden op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 december 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/198

Uitspraak

201001242/1/M2.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeseendenbedrijf met paarden op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 december 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2010, waar [appellanten], in persoon, en het college vertegenwoordigd door K.A. Uilen en K.W. Roeberts, in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door drs. ing. B.A.S. Domhof, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellant] voert aan dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot een waardevermindering van zijn woning en een daling van het dierenwelzijn van de eenden. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en falen reeds om die reden.

2.3. [appellant] voert aan dat het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek door het zelfde adviesbureau dat het gehele vergunningtraject voor de aanvrager heeft verzorgd is verricht. Volgens hem worden hierdoor de gevolgen voor de omwonenden gebagatelliseerd. Zo wordt er volgens hem ten onrechte uitgegaan van de afstand tot zijn woning in plaats van de afstand tot de inrit en wordt er gesteld dat een uitbreidingsvergunning nodig is als er 's nachts meer aan- en afvoerbewegingen zouden plaatsvinden dan geprognotiseerd.

2.3.1. Het college stelt dat het onderzoek beoordeeld is door het milieuteam, de GGD IJsselland en dat daarbij is gebleken dat het akoestisch onderzoek overeenkomstig de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, 1999 is uitgevoerd. Daarbij moet worden uitgegaan van de afstand tot de gevel van een woning en niet van de afstand tot een op- en afrit.

2.3.2. De Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, 1999 gaat uit van de afstand tot de gevel van een woning en niet van de afstand tot een op- en afrit. De Afdeling overweegt dat uit hetgeen [appellant] aanvoert noch anderszins is gebleken dat het akoestisch onderzoek niet aan de daar aan gestelde eisen voldoet. Deze beroepsgrond faalt.

2.3.3. Voor zover [appellant] aanvoert dat er mogelijkerwijs 's nachts meer aan- en afvoerbewegingen zouden plaatsvinden dan vergund ziet deze beroepsgrond niet op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning. Om die reden kan deze beroepsgrond in zoverre niet slagen.

2.4. [appellant] voert aan dat het college gezondheidsrisico's bij intensieve veehouderijen onvoldoende serieus neemt. In dit verband wijst hij op het verspreidingsrisico van de Q-koorts.

2.4.1. Het college stelt dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit getoetst is aan alle voor een milieuvergunning van belang zijnde milieuonderdelen, zoals geluid, geur, stof en ammoniak. Als de vergunningvoorschriften worden nageleefd hoeft volgens het college niet voor gezondheidsrisico's te worden gevreesd.

2.4.2. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting een zodanige bijdrage aan de verspreiding van de met geitenhouderijen en niet met eenden- of paardenhouderijen geassocieerde Q-koorts kan opleveren dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden, dan wel dat de gevraagde vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat anderszins voor gezondheidsrisico's ten gevolge van het inwerking zijn van de inrichting behoeft te worden gevreesd. De beroepsgrond faalt.

2.5. Gelet op het bovenstaande overweegt de Afdeling dat het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht niet voor inwilliging in aanmerking komt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Klap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

315.