Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
201005116/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Orgaworld B.V. (hierna: Orgaworld) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het composteren van diverse afvalstoffen op het perceel Zeeasterweg 40 te Lelystad. Dit besluit is op 15 april 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005116/2/M1.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Orgaworld B.V. (hierna: Orgaworld) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het composteren van diverse afvalstoffen op het perceel Zeeasterweg 40 te Lelystad. Dit besluit is op 15 april 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brieven van 4 juni 2010 en 23 juni 2010.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 juli 2010, waar [verzoekers], waarvan [verzoeker A] in persoon, allen bijgestaan door mr. E. Wijnne-Oosterhoff, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.H. Brinke-Schulte, advocaat te Lelystad, en R. Biemond, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Orgaworld, vertegenwoordigd door mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te Rosmalen, B. Raedts, H.J.M. Kaskens en L.F.C. Steens, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekers] betogen dat de inrichting van Orgaworld tezamen met de aangrenzende stortplaats en milieustraat één inrichting vormen. Hiertoe voeren zij aan dat de drie inrichtingen gebruik maken van dezelfde toegangsweg en weegbrug. Tevens verwerkt Orgaworld groenafval dat afkomstig is van de milieustraat, aldus [verzoekers].

2.2.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, als één inrichting beschouwd.

2.2.2. Niet gebleken is dat Orgaworld zeggenschap heeft over de activiteiten die binnen de aangrenzende inrichtingen plaatsvinden. Ook anderszins is niet gebleken van organisatorische bindingen tussen de inrichtingen. Niet in geschil is dat Orgaworld groenafval accepteert van de milieustraat en de inrichtingen gebruik maken van dezelfde toegangsweg en weegbrug. Gelet hierop is er in enige mate sprake van functionele en/of technische bindingen. De voorzitter gaat er evenwel op voorhand vanuit dat deze onvoldoende zijn om te kunnen spreken van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer. Er bestaat in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. [verzoekers] betogen verder dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen mer-beoordelingsplicht geldt. Hiertoe voeren zij aan dat met de aangevraagde uitbreiding van de hoeveelheid te composteren afvalstoffen de drempelwaarde van 100 ton/dag, zoals opgenomen in categorie 18.3 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer), wordt overschreden. Deze overschrijding zal met name in de zomer plaatsvinden als het aanbod van te composteren afvalstoffen hoog is. Tevens is volgens hen geen rekening gehouden met toekomstige uitbreidingen.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de drempelwaarde van 100 ton/dag niet wordt overschreden. De inrichting is 6 dagen per week, 52 weken per jaar geopend zodat het aantal werkdagen circa 300 bedraagt. De toename van de jaarlijkse hoeveelheid te verwerken afvalstoffen bedraagt 25.000 ton zodat onder de drempelwaarde wordt gebleven, aldus het college. Dat in de zomermaanden meer te composteren afvalstoffen worden aangevoerd, als gevolg waarvan meer dan 100 ton per dag wordt geaccepteerd, doet hieraan volgens het college niet af omdat de drempelwaarde een jaargemiddelde betreft.

2.3.2. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit mer in samenhang bezien met artikel 7.2, eerste lid, onder b en vierde lid, van de Wet milieubeheer geldt een mer-beoordelingsplicht voor activiteiten die tot een categorie behoren die in onderdeel D van de bijlage van het Besluit mer is beschreven.

In categorie 18.2 van onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit mer is aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan de procedure bedoeld in de artikelen 7.8a tot en met 7.8e van de wet van toepassing is, de oprichting van een inrichting bestemd voor het bewerken, verwerken of vernietigen van dierlijke of overige organische meststoffen, groenafval en GFT, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met een capaciteit van 100 ton per dag of meer.

In categorie 18.3 van onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit mer, voor zover hier van belang, is aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan de procedure bedoeld in de artikelen 7.8a tot en met 7.8d van de wet van toepassing is, de wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het beheer van afvalstoffen, bedoeld in de categorieën 18.1 of 18.2 van onderdeel D van deze bijlage, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op het beheer van afvalstoffen in een hoeveelheid van 100 ton per dag of meer.

2.3.3. De voorzitter overweegt dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat de technische capaciteit van de inrichting, welke capaciteit bepalend is voor de toepassing van het hier toepasselijke onderdeel van het Besluit mer, de drempelwaarde van 100 ton per dag of meer niet overschrijdt. Nu ook niet is gebleken van voorzienbare toekomstige ontwikkelingen, gaat de voorzitter er voorshands vanuit dat het college de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden gemaakt, als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, terecht achterwege heeft gelaten.

Onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van 16 december 2009 inzake nr. 200809273/1/M2 overweegt de voorzitter dat in de bodemzaak zal moeten worden beoordeeld of is gebleken van andere factoren, als bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten - zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 - waarom gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08 (www.curia.europa.eu), ook bij het niet overschrijden van een drempelwaarde toch een milieu-effectrapport had moeten worden opgesteld. De onderhavige procedure leent zich hier niet voor een onderzoek op dit punt.

2.3.4. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter in het aspect milieu-effectrapportage geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. [verzoekers] betogen tevens dat onvoldoende is onderzocht wat de gevolgen zijn van de activiteiten van Orgaworld voor hun gewassen en de voedselveiligheid. In dit verband vrezen zij met name gewasschade als gevolg van de emissie van ammoniak en de verspreiding van nematoden.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat, nu alle binnen de inrichting afgezogen lucht wordt behandeld in een gaswasser die een deel van de vrijkomende ammoniak afvangt, de emissie van ammoniak lager zal zijn dan de in de Nederlandse emissierichtlijn lucht vermelde grensmassastroom en in zoverre niet gevreesd hoeft te worden voor gewasschade, aldus het college. [verzoekers] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. In aanmerking genomen de omstandigheid dat de composteringsactiviteiten van Orgaworld al geruime tijd onder een eerder verleende vergunning hebben plaatsgevonden, en daarbij niet is gebleken van een verhoogd risico op nematoden, acht de voorzitter het op voorhand niet aannemelijk dat dit risico zal toenemen vanwege het vergroten van de composteringscapaciteit. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Voorts betogen [verzoekers] dat onduidelijk is welke afvalstoffen Orgaworld mag accepteren.

2.5.1. De voorzitter overweegt dat bijlage VII van de vergunningaanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, een lijst van de te verwerken afvalstoffen bevat. Het betoog mist dan ook feitelijke grondslag.

2.6. [verzoekers] betogen dat de vergunning op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer had moeten worden geweigerd omdat de aanpassing van de schoorsteen van de composteringshal in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

2.6.1. Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, bepaalt, voor zover hier van belang, dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.6.2. De voorzitter gaat er voorshands van uit dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning niet met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer wegens strijd met het bestemmingsplan behoefde te worden geweigerd, nu in een aan Orgaworld gerichte brief van het college van burgemeester en wethouders van Lelystad van 22 juni 2010 onder meer is vermeld dat het veranderen van de schoorsteen geen strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan.

2.7. [verzoekers] betogen dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet toereikend zijn. Tevens zijn deze geluidgrenswaarden volgens hen niet naleefbaar omdat met de voorgeschreven geluiddemper op de schoorsteen geen geluidreductie van 10 dB(A) kan worden bereikt. Daarnaast voeren zij aan dat, nu het aantal transportbewegingen toeneemt, het onzeker is of de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting wordt beperkt tot het niveau dat volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de circulaire) aanvaardbaar is. Tot slot voeren zij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid afkomstig van de aangrenzende inrichtingen.

2.7.1. Bij de beoordeling van de geluidbelasting ten gevolge van de inrichting heeft het college hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 van de Handreiking is vermeld dat bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden voor een bestaande inrichting bij herziening van vergunningen de richtwaarden van tabel 4 uit dat hoofdstuk steeds opnieuw worden getoetst. Deze richtwaarden zijn afhankelijk van de aard van de woonomgeving zoals die in tabel 4 zijn weergegeven. Voor bestaande inrichtingen is overschrijding van de richtwaarden mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

Met uitzondering van de voor het beoordelingspunt Zeeasterweg 33 geldende grenswaarde voor de dagperiode, zijn de aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet hoger dan de richtwaarden van tabel 4 uit hoofdstuk 4 van de Handreiking die worden aanbevolen voor een landelijke omgeving. Het college heeft met betrekking tot het beoordelingspunt Zeeasterweg een grenswaarde voor de dagperiode van 41 dB(A) aan de vergunning verbonden die aansluit bij het referentieniveau voor het omgevingsgeluid. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden voldoende bescherming bieden tegen onaanvaardbare geluidhinder.

2.7.2. Met betrekking tot de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden stelt het college zich op het standpunt dat de geluidbelasting vanwege de schoorsteen met een geluiddemper kan worden teruggebracht tot 10 dB(A). Tezamen met het aanbrengen van een demper op een luchttoevoerrooster en het verplaatsen van de verkleiner kan aan de gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan, aldus het college. In hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd, ziet de voorzitter op voorhand geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld.

2.7.3. Met betrekking tot indirecte hinder vanwege het vrachtverkeer van en naar de inrichting, stelt het college zich op het standpunt dat dit verkeer zich ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen in haar rij-, rem- en stopgedrag niet zal onderscheiden van het overige verkeer op de Larsserringweg en buiten de reikwijdte van de circulaire valt. Niet aannemelijk is geworden dat het college zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld.

2.7.4. Met betrekking tot de cumulatie van geluid overweegt de voorzitter dat de Handreiking, die in dit geval als beoordelingskader is gehanteerd, voorziet in de cumulatie van geluidhinder vanwege de inrichting en de geluidbelasting vanwege andere geluidbronnen. De reeds aanwezige, door andere bronnen veroorzaakte geluidbelasting komt tot uitdrukking in het referentieniveau van het omgevingsgeluid (en - in zekere zin - ook in de richtwaarden) en wordt als zodanig betrokken bij de grenswaarden die met betrekking tot de nieuw op te richten inrichting worden gesteld.

2.7.5. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter in het aspect geluid geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. [verzoekers] betogen dat het college bij de beoordeling van de geurhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de cumulatie van geur afkomstig van de aangrenzende inrichtingen.

2.8.1. Het college stelt zich, kort weergegeven, op het standpunt dat er geen algemeen geaccepteerde methode bestaat om geuren te cumuleren en cumulatie in beginsel alleen aan de orde kan zijn indien verschillende inrichtingen zodanig gelijke geurcomponenten uitstoten, dat deze als dezelfde geur te beschouwen zijn. Nu de geuren van de stortplaats en van Orgaworld niet met elkaar vergelijkbaar zijn, is cumulatie achterwege gebleven, aldus het college.

2.8.2. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting valt af te leiden dat de betrokken inrichtingen geur emitteren die zodanig gelijke geurcomponenten bevat dat de door elk van de inrichtingen veroorzaakte geur voor de geurbeleving als dezelfde geur is te beschouwen. Daarom moet voorshands worden aangenomen dat van cumulatie van geurhinder geen sprake kan zijn. Er bestaat in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9. [verzoekers] stellen dat de gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de luchtkwaliteit onjuist zijn vastgesteld. Hiertoe voeren zij, kort weergegeven, aan dat in de berekening van de luchtkwaliteit een te klein aantal transportbewegingen is betrokken.

2.9.1. De definitieve beantwoording van de vraag of de gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de luchtkwaliteit op een juiste wijze zijn bepaald, vergt nader onderzoek waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Vooralsnog ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat is uitgegaan van een onjuist aantal transportbewegingen en het bestreden besluit dusdanige gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit dat de vergunning om die reden geweigerd had moeten worden. In zoverre bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.10. [verzoekers] betogen tot slot dat onvoldoende is onderzocht wat de gevolgen zijn van de activiteiten van Orgaworld voor de nabij gelegen ecologische hoofdstructuur.

2.10.1. Blijkens de considerans van het bestreden besluit zijn de mogelijke gevolgen van de activiteiten van Orgaworld voor de ecologische hoofdstructuur in de besluitvorming betrokken. In hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd, ziet de voorzitter op voorhand geen grond voor de conclusie dat deze gevolgen onvoldoende zijn onderzocht.

2.11. De voorzitter ziet, na afweging van alle betrokken belangen, onvoldoende aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. De Hek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

542.