Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
200903145/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2009, kenmerk 1432606, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Reparatieherziening bestemmingsplan Buitengebied" (hierna: de herziening).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903145/1/R3.

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], en andere (hierna: [appellanten sub 1]),

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], en anderen (hierna: [appellanten sub 3]),

4. de raad van de gemeente Oosterhout,

5. de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Oosterhout (hierna: ZLTO Oosterhout), gevestigd te Oosterhout,

6. de vereniging Glastuinbouwvereniging Oosteind (hierna: de Glastuinbouwvereniging), gevestigd te Oosterhout,

7. [appellante sub 7], gevestigd te [plaats], en andere (hierna: [appellanten sub 7]),

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellante sub 9], gevestigd te [plaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellanten sub 11], beiden wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12 A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 12 B], wonend te [woonplaats], (hierna: [appellanten sub 12]),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2009, kenmerk 1432606, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Reparatieherziening bestemmingsplan Buitengebied" (hierna: de herziening).

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2009, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2009, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2009, de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2009, ZLTO Oosterhout bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, de Glastuinbouwvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, [appellanten sub 7] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 6 mei 2009, [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, [appellante sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, [appellant sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, [appellanten sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2009, en [appellanten sub 12] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 10 april 2009, beroep ingesteld. De raad heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 19 mei 2009. [appellant sub 10] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 23 juli 2009.

[appellanten sub 3] en [appellanten sub 11] hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2010, waar zijn verschenen [appellanten sub 1], [appellant sub 2 A], [appellanten sub 3] en [appellant sub 8], allen bijgestaan door mr. A.M.L. Josten, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, de raad, vertegenwoordigd door H. Hoppenbrouwers, werkzaam bij de gemeente, ZLTO Oosterhout, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. Mol en G.L.J. Donkers, de Glastuinbouwvereniging, vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen, werkzaam bij ABAB vastgoedadvies, [appellanten sub 7], vertegenwoordigd door mr. A.C.P.M. van Dun, advocaat te Tilburg, en E. Polder, [appellante sub 9], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellanten sub 11], bijgestaan door mr. A.J.M. van Kooten, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van de Laar, werkzaam bij de provincie.

2. Overwegingen

Intrekking

2.1. Ter zitting heeft ZLTO Oosterhout de beroepsgrond met betrekking tot de maximale oppervlakten voor teeltondersteunende kassen ingetrokken.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. De herziening is een plan in de zin van artikel 30, eerste lid, van de WRO in verband met de onthouding van goedkeuring door het college in zijn besluit van 22 februari 2005 aan onder meer het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op het gebied ten zuiden van de Provincialeweg in Oosteind in het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan). De Afdeling heeft de onthouding van goedkeuring aan dit plandeel in haar uitspraak van 8 november 2006 in zaak nr. 200502427/1 in stand gelaten.

Uitgangspunt is dat het college de herziening dient te beoordelen met inachtneming van zijn besluit omtrent goedkeuring van 22 februari 2005 en de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2006. Dit is anders voor zover er een zodanige wijziging van feiten en omstandigheden heeft plaatsgevonden sinds de datum van dit besluit en deze uitspraak dat daarvan kan dan wel moet worden afgeweken. In dit geval is tussen het besluit van 22 februari 2005 en het in geding zijnde besluit het provinciale beleid gewijzigd. Ten tijde van het in geding zijnde besluit golden de op 1 juli 2008 in werking getreden Interimstructuurvisie Brabant in Ontwikkeling van 27 juni 2008 en de Paraplunota ruimtelijke ordening van juli 2008, zodat deze beleidsdocumenten het toetsingskader vormen voor de herziening. Voor het beleid inzake glastuinbouw wordt in de Paraplunota verwezen naar de Beleidsnota Glastuinbouw, inclusief teeltondersteunende kassen 2006 van november 2006 en de Beleidsnota Teeltondersteunende voorzieningen van 25 september 2007. Verder golden ten tijde van het besluit omtrent goedkeuring het Gebiedsplan Wijde Biesbosch van 22 april 2005, dat blijkens de tekst als aanvulling dient op het ruimtelijke toetsingskader van het college en de provinciale beleidsnota's, en het Uitwerkingsplan Stedelijke Regio Breda-Tilburg van 21 december 2004, dat het provinciale beleid op onderdelen nader uitwerkt.

"Ruimte-voor-Ruimte"-regeling

2.4. Het college heeft gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan artikel 20, drieëntwintigste lid, onder e, van de voorschriften van de herziening voor zover dit artikelonderdeel ziet op het groen omlijnde plandeel dat betrekking heeft op het gebied ten zuiden van de Provincialeweg. Het college wijst er in dit verband op dat met dit artikelonderdeel wordt beoogd de sloop van bedrijfsgebouwen in het buitengebied te bevorderen. Sloop van kassen in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg is volgens het college echter in strijd met het provinciale beleid vanwege de aanwijzing van dit gebied als doorgroeigebied voor de glastuinbouw.

2.4.1. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] betogen dat artikel 20, drieëntwintigste lid, onder e, van de voorschriften van de herziening rechtsonzeker is nu de daarin opgenomen begrippen bebouwingscluster en bebouwingslint niet zijn gedefinieerd. Voorts betogen zij dat het college op onjuiste gronden goedkeuring heeft onthouden aan de in dit artikelonderdeel opgenomen voorwaarden voor vervangende woningbouw na de sloop van kassen. Volgens hen had het college goedkeuring aan het artikelonderdeel moeten onthouden omdat de mogelijkheden tot vervangende woningbouw te beperkt zijn.

2.4.2. Anders dan [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] stellen, zijn de begrippen bebouwingscluster en bebouwingslint gedefinieerd in artikel 1, zestiende lid en achttiende lid, van de voorschriften, zodat de beroepen in zoverre feitelijke grondslag missen.

Voor zover de beroepen zijn gericht tegen de motivering van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan artikel 20, drieëntwintigste lid, onder e, van de voorschriften van de herziening overweegt de Afdeling als volgt. Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden. Vaststaat dat vóór 1 juli 2008 geen ontwerpplan ter inzage is gelegd waarin de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan artikel 20, drieëntwintigste lid, onder e, van de voorschriften in acht is genomen, zodat naar aanleiding van het bestreden besluit in zoverre eventueel een plan op grond van de Wro zou kunnen worden vastgesteld. Artikel 30 van de WRO heeft, zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 16 juli 2008, in zaak nr. 200705923/1, heeft overwogen, geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen plan. Gelet hierop staat de motivering die ten grondslag ligt aan de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan artikel 20, drieëntwintigste lid, onder e, van de voorschriften in de onderhavige procedure per 1 juli 2008 niet meer ter beoordeling.

Gezien het voorgaande kunnen [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] in zoverre met hun beroep niet bereiken hetgeen zij daarmee nastreven. De beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] dienen in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Formeel bezwaar

2.5. Voor zover [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] stellen dat de digitaal beschikbaar gestelde plankaart afwijkt van de papieren versie van de plankaart overweegt de Afdeling dat de digitale versie van de plankaart niet de door de raad vastgestelde en door het college in het besluit omtrent goedkeuring beoordeelde plankaart betreft en derhalve, anders dan de papieren versie, geen deel uitmaakt van de herziening. Gelet op het voorgaande heeft het college in mogelijke afwijkingen in de digitale versie van de plankaart geen aanleiding hoeven zien om goedkeuring aan de herziening te onthouden.

Artikel 7, vierde lid, van de voorschriften en omvang bestemmingsvlakken met medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-"

Mogelijkheden oprichting kassen bestaande glastuinbouwbedrijven bij recht

2.6. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de zin "Kassen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van als zodanig aangeduide glastuinbouwbedrijven en daaraan aansluitende gronden tot een maximum van 2 hectare" in het bij de herziening vastgestelde vierde lid van artikel 7 van de voorschriften. Het college heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat deze bepaling, die kennelijk betrekking heeft op de tuinbouwkassen buiten de bouwvlakken, in strijd is met het stelsel van het bestemmingsplan, dat uitgaat van bouwvlakken met mogelijkheid tot uitbreiding door een wijzigingsbevoegdheid. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het met bouwvlakken bestemmingsvlakken heeft bedoeld.

2.6.1. [appellanten sub 11] kunnen zich in zoverre niet met het bestreden besluit verenigen. Zij voeren hiertoe aan dat bij gebrek aan maximering van de toegestane uitbreiding bij recht de landschappelijke waarden in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg zullen worden aangetast.

2.6.2. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] betogen dat de mogelijkheden voor bestaande glastuinbouwbedrijven om bij recht nieuwe kassen op te richten in dit gebied te beperkt zijn. In dit verband wijzen zij erop dat het gebied in het provinciale beleid is aangewezen als vestigingsgebied dan wel doorgroeigebied voor de glastuinbouw. Volgens enkelen van hen heeft het college voorts ten onrechte niet onderkend dat door schaalvergroting water en energie worden bespaard en de werkgelegenheid wordt bevorderd.

2.6.3. Aan het gebied ten zuiden van de Provincialeweg is de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. Met betrekking tot de in dit gebied gelegen glastuinbouwbedrijven van [appellanten sub 1], [appellanten sub 3], [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] zijn, voor zover thans van belang, voorts de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" en de aanduiding "glastuinbouwbedrijf" toegekend.

2.6.4. Ingevolge artikel A van de voorschriften, voor zover thans van belang, zijn op de herziening de voorschriften van het bestemmingsplan van toepassing, voor zover de herziening niet zelf in voorschriften voorziet.

2.6.5. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften, voor zover thans van belang, geldt, waar een hoofdbestemming samenvalt met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" primair het bepaalde ten aanzien van de medebestemming. De bepalingen met betrekking tot de hoofdbestemming zijn in dat geval uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de medebestemming.

2.6.6. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de voorschriften zijn de gronden die op plankaart 1 zijn aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering en de instandhouding van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de voorschriften, voor zover thans van belang, zijn kassen uitsluitend toegestaan ten behoeve van als zodanig aangeduide glastuinbouwbedrijven en daaraan aansluitende gronden tot een maximum van 2 hectaren.

2.6.7. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de voorschriften zijn de gronden die op een detailplankaart zijn aangewezen voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" overeenkomstig de aanduidingen op het renvooi van de kaart en op de kaart mede bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Ingevolge het derde lid van dit artikel, aanhef en onder a, b en c, zijn op de gronden in verband met de bestemming toegelaten: tijdelijke kassen, ondersteunende kassen en tunnels alsmede overige kassen ten behoeve van een op de kaart als zodanig aangeduid glastuinbouwbedrijf. Ingevolge het vierde lid van dit artikel, aanhef en onder a, zijn gebouwen en bouwwerken slechts binnen het bouwvlak toegestaan, met uitzondering van kassen ten behoeve van als zodanig aangeduide glastuinbouwbedrijven, welke binnen het gehele bestemmingsvlak zijn toegestaan. Ingevolge artikelonderdeel e, voor zover thans van belang, is de nieuwbouw van kassen uitgesloten, behoudens ten behoeve van de op de detailplankaart als glastuinbouwbedrijf aangeduide bedrijven.

2.6.8. Voor zover [appellanten sub 11] aanvoeren dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan de maximaal toegelaten oppervlakte van 2 hectaren in bedoelde bepaling in artikel 7, vierde lid, van de voorschriften overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling acht de uit artikel 15, eerste, derde en vierde lid, van de voorschriften voortvloeiende systematiek waarbij de oprichting van kassen uitsluitend is toegestaan ter plaatse van bestemmingsvlakken met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" en de aanduiding "glastuinbouwbedrijf" op zichzelf niet onredelijk. Bij inwerkingtreding van bedoelde bepaling zou het glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan om kassen - tot maximaal 2 hectaren - ook buiten het bestemmingsvlak met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" te bouwen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit afwijkt van eerdergenoemde plansystematiek.

2.6.9. Het betoog van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] dat de mogelijkheden voor bestaande glastuinbouwbedrijven om bij recht uit te breiden in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg te beperkt zijn, vat de Afdeling in de eerste plaats aldus op dat wordt aangevoerd dat het college terecht goedkeuring heeft onthouden aan de beperking van de maximaal toegelaten oppervlakte aan kassen in artikel 7, vierde lid, van de voorschriften, doch ten onrechte tevens goedkeuring heeft onthouden aan de zinsnede "Kassen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van als zodanig aangeduide glastuinbouwbedrijven en daaraan aansluitende gronden" in dit artikellid. In de tweede plaats vat de Afdeling het betoog aldus op dat wordt aangevoerd dat de voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" bestemde bestemmingsvlakken in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg te klein zijn.

2.6.10. Zoals de Afdeling hiervoor, onder 2.6.8, heeft overwogen, acht zij de uit artikel 15, eerste, derde en vierde lid, van de voorschriften voortvloeiende systematiek waarbij de oprichting van kassen uitsluitend is toegestaan ter plaatse van bestemmingsvlakken met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" en de aanduiding "glastuinbouwbedrijf", op zichzelf niet onredelijk. Bij het van toepassing worden van eerdergenoemde zinsnede zonder maximumoppervlakte, zoals door appellanten voorgestaan, zouden ongelimiteerde mogelijkheden ontstaan tot uitbreiding van de kassen ook buiten het bestemmingsvlak met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-". Gelet hierop heeft het college in redelijkheid goedkeuring kunnen onthouden aan deze zinsnede in artikel 7, vierde lid, van de voorschriften.

2.6.11. Wat betreft de omvang van de bestemmingsvlakken met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" van de als zodanig aangeduide glastuinbouwbedrijven in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg overweegt de Afdeling dat anders dan appellanten veronderstellen het college de mogelijkheid tot uitbreiding van kassen om bedrijfseconomische en milieutechnische redenen van belang heeft geacht. Het college heeft hierin echter geen aanleiding gezien om niet in te stemmen met de keuze van de raad om in de herziening geen uitbreiding van de kassen mogelijk te maken door toekenning van grotere bestemmingsvlakken dan in het bestemmingsplan aan bedoelde percelen zijn toegekend. Nu de bestemmingsvlakken, naar ter zitting is gebleken, om en nabij 2 hectaren groot zijn en deels niet volledig zijn benut, heeft het college na afweging van alle betrokken belangen hiertoe in redelijkheid kunnen besluiten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in artikel 19, tweede lid, in samenhang met tabel 2 van de voorschriften van het bestemmingsplan een mogelijkheid tot wijziging van de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" is opgenomen in die zin dat aan het plandeel met deze hoofdbestemming de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" wordt toegekend om het bestemmingsvlak te kunnen vergroten.

2.6.12. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 11], [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herziening, wat betreft de zinsnede "Kassen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van als zodanig aangeduide glastuinbouwbedrijven en daaraan aansluitende gronden tot een maximum van 2 hectare" in artikel 7, vierde lid, van de voorschriften, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.6.13. Hetgeen [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] hebben aangevoerd met betrekking tot de omvang van de bestemmingsvlakken met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" geeft gelet op het voorgaande voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op het gebied ten zuiden van de Provincialeweg

Onbesproken bedenkingen de Glastuinbouwvereniging

2.7. Voor zover de Glastuinbouwvereniging betoogt dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door haar in de bedenkingen aangevoerde stelling dat het gebied ten zuiden van de Provincialeweg in de herziening ten onrechte niet is aangeduid als AHS-landbouw, overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Landschapswaarden

2.8. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10] en [appellanten sub 12] betogen dat aan het gebied ten zuiden van de Provincialeweg ten onrechte de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" is toegekend, nu zodanige waarden niet in het gebied aanwezig zijn.

2.8.1. Het college volgt de raad in zijn standpunt dat het gebied landschapswaarden bevat vanwege de openheid van het gebied en de doorkijkjes die het biedt naar naastgelegen gebieden.

2.8.2. Blijkens de kaart behorend bij de Interimstructuurvisie is het gebied ten zuiden van de Provincialeweg in het provinciale beleid aangewezen voor AHS-landbouw. In de Interimstructuurvisie staat dat de concrete begrenzing van de zonering en de daarbij behorende planologische afweging tot op perceelsniveau plaats dient te vinden op gemeentelijk niveau door vastlegging in het bestemmingsplan. Het college is volgens de Interimstructuurvisie in beginsel gehouden de gemeentelijke besluitvorming met betrekking tot de bescherming van natuur- en landschapswaarden zoals neergelegd in het bestemmingsplan te volgen. Met de toekenning van de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" heeft de raad onder meer beoogd de resterende openheid van het gebied te beschermen. Anders dan appellanten stellen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2006 niet dat in het gebied in het geheel geen landschapswaarden aanwezig zijn, maar dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hieraan geen doorslaggevend gewicht behoefde te worden toegekend gelet op de toenmalige aanduiding van het gebied als vestigingsgebied. Omdat het gebied volgens de kaart behorende bij de Beleidsnota Glastuinbouw inmiddels is aangewezen als doorgroeigebied bestaat ruimte voor de raad om een nieuwe afweging te maken.

In aanmerking genomen dat het gebied een halfopen karakter heeft en doorkijkjes biedt naar naastgelegen gebieden, heeft het college de raad in redelijkheid kunnen volgen in het standpunt dat het gebied landschapswaarden kent.

Permanente teeltondersteunende voorzieningen

2.9. ZLTO Oosterhout kan zich er niet mee verenigen dat agrarische bedrijven ingevolge artikel 20, negende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan hun bouwvlak slechts mogen uitbreiden tot 1,5 hectare. Nu permanente teeltondersteunende voorzieningen slechts zijn toegelaten binnen het bouwvlak, kan volgens haar per agrarisch bedrijf maximaal 1,5 hectare aan teeltondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd. Dit is volgens haar ontoereikend voor de glastuinbouwers in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg. Voorts betoogt ZLTO Oosterhout dat bedoelde mogelijkheid tot vergroting van het bouwvlak niet in overeenstemming is met het provinciale beleid.

2.9.1. Het college volgt de raad in zijn standpunt dat de landschapswaarden van het gebied ten zuiden van de Provincialeweg zich verzetten tegen verruiming van de mogelijkheid tot vergroting van bouwvlakken.

2.9.2. Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder a, van de voorschriften zijn gebouwen en bouwwerken slechts binnen het bouwvlak binnen de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" toegestaan.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, in samenhang bezien met tabel 2, van de voorschriften, voor zover thans van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd aan het plandeel met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" toe te kennen ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak/bouwvlak.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de voorschriften, voor zover thans van belang, bevat dit artikel het toetsingskader voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 19, tweede lid, van de voorschriften.

Ingevolge artikel 20, negende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen grondgebonden agrarische bedrijven binnen de gebieden die in het bestemmingsplan zijn aangewezen als AHS-landschap hun bouwvlak uitbreiden met 15% ten opzichte van de omvang zoals aanwezig op het moment van tervisielegging van het ontwerpplan of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwvlak na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn dan 1,5 hectare.

2.9.3. De Afdeling vat het beroep op als zijnde gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op het gebied ten zuiden van de Provincialeweg, nu artikel 20, negende lid, van de voorschriften gelet op artikel A van de voorschriften op zichzelf beschouwd geen deel uitmaakt van de herziening en dit artikellid in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.9.4. In de Beleidsnota Teeltondersteunende voorzieningen is opgenomen dat permanente teeltondersteunende voorzieningen alleen binnen het bouwvlak mogen worden opgericht. Als het bouwvlak te klein is om de permanente teeltondersteunende voorzieningen te realiseren kan een vergroting van het bouwvlak worden aangevraagd ten behoeve van de teeltondersteunende voorzieningen, aldus deze beleidsnota. Voor de maatvoering van bouwvlakken verwijst de beleidsnota naar het Streekplan, dat inmiddels is vervangen door de Interimstructuurvisie en de Paraplunota. Op de kaart behorend bij de Interimstructuurvisie is het gebied ten zuiden van de Provincialeweg aangewezen voor AHS-landbouw. In de Paraplunota staat dat het uitgangspunt is dat agrarische bouwvlakken in de AHS-landbouw mogen worden uitgebreid, tenzij overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard zich daartegen verzetten. Het college heeft de raad in dit verband kunnen volgen in zijn standpunt dat dergelijke bezwaren kunnen worden gevonden in de openheid van het gebied en de doorkijkjes die het gebied biedt naar naastgelegen gebieden, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de in het plan voorziene mogelijkheid tot vergroting van het bouwvlak voor agrarische bedrijven in strijd is met het provinciale beleid. Voorts heeft het college gelet op het belang bij het behoud van deze waarden geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan het belang bij ruimere mogelijkheden tot vergroting van het bouwvlak dan in het plan is voorzien. Daarbij acht de Afdeling van belang dat ZLTO Oosterhout haar stelling dat de in het plan voorziene mogelijkheid tot vergroting van bouwvlakken niet toereikend is voor de glastuinbouwers in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg niet nader heeft onderbouwd.

Uitbreidingsmogelijkheden intensieve veehouderijen

2.10. ZLTO Oosterhout betoogt dat artikel 20, tiende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan de mogelijkheden voor intensieve veehouderijen om hun bouwvlak uit te breiden te veel beperkt. Hierbij wijst zij erop dat in de Paraplunota staat dat buiten de extensiveringsgebieden ontwikkelingsmogelijkheden worden geboden aan intensieve veehouderijen die zijn gevestigd op een duurzame locatie.

2.10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat niet-glastuinbouwbedrijven binnen de bouwvlakken voldoende uitbreidingsmogelijkheden hebben. Voorts volgt het college de raad in zijn standpunt dat in het plangebied geen intensieve veehouderijen op duurzame locaties zijn gevestigd. Het college verwijst verder naar het Gebiedsplan Wijde Biesbosch, waarin staat dat dit gebied bij uitstek geschikt is voor de grondgebonden landbouw.

2.10.2. Ingevolge artikel 20, tiende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen intensieve veehouderijen binnen de zones GHS-landbouw en AHS-landschap eenmalig hun bouwblok uitbreiden, uitsluitend als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. Uitbreiding van intensieve veehouderijen binnen een afstand van 250 meter tot zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden is slechts eenmalig toegestaan, uitsluitend als dit noodzakelijk is vanwege de eisen voor dierenwelzijn. Het gebied ten zuiden van de Provincialeweg is op plankaart 2 "Ontwikkelingen" van het bestemmingsplan aangeduid als "AHS-landschap".

2.10.3. Artikel 20, tiende lid, van de voorschriften maakt gelet op artikel A van de voorschriften op zichzelf beschouwd geen deel uit van de herziening, zodat dit artikellid in deze procedure niet aan de orde kan komen. Nu ter zitting is gebleken dat in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg enkele intensieve veehouderijen zijn gevestigd, wordt het beroep opgevat als zijnde gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op dit gebied.

2.10.4. Het gebied waarop de herziening betrekking heeft, valt in het gebied waarvoor een gebiedsplan is vastgesteld, te weten het Gebiedsplan Wijde Biesbosch. In de Paraplunota is vermeld dat de gebiedsplannen erop zijn gericht de toename van intensieve veehouderijen te beperken. Ontwikkelingsmogelijkheden kunnen alleen worden geboden aan intensieve veehouderijen die zijn gevestigd op een duurzame locatie, aldus het Gebiedsplan. In extensiveringsgebieden is volgens de Paraplunota verdere uitbreiding van een intensieve veehouderij uitgesloten, behoudens eenmalige uitbreiding ten behoeve van dierenwelzijn. In het Gebiedsplan Wijde Biesbosch is voorts vermeld dat het gebied uitermate geschikt is voor vrijwel alle vormen van grondgebonden landbouw. Verder is in de paragraaf over de visie 2016 vermeld dat in 2016 de intensieve veehouderij niet verder is gestimuleerd en dat een aantal bedrijven die dichtbij verzuringsgevoelige of stankgevoelige objecten lagen, elders in het gebied op duurzame locaties betere ontwikkelingskansen zijn geboden.

2.10.5. Uit het voormelde provinciale beleid volgt dat ernaar wordt gestreefd de toename van intensieve veehouderijen te beperken en dat uitbreiding anders dan vanwege de eisen voor dierenwelzijn slechts mogelijk is op duurzame locaties. ZLTO Oosterhout heeft niet aannemelijk gemaakt dat de intensieve veehouderijen in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg zijn gevestigd op duurzame locaties als bedoeld in het provinciale beleid, noch dat in artikel 20, tiende lid, van de voorschriften te weinig rekening met deze intensieve veehouderijen zou worden gehouden. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan intensieve veehouderijen in het gebied niet méér uitbreidingsmogelijkheden hoeven te worden geboden.

Nieuwvestiging glastuinbouwbedrijven

2.11. Van de Sande, ZLTO Oosterhout en [appellant sub 8] betogen dat de herziening ten onrechte niet de mogelijkheid biedt tot nieuwvestiging van of omschakeling naar glastuinbouw. Volgens hen moet het voor knelgevallen en voor te verplaatsen bedrijven mogelijk zijn om zich in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg te vestigen.

2.11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat nieuwvestiging in een als doorgroeigebied aangewezen gebied, zoals het gebied ten zuiden van de Provincialeweg, volgens het provinciale beleid slechts in uitzonderlijke gevallen is toegestaan. In zulke gevallen kan nieuwvestiging worden gerealiseerd door middel van een partiële herziening, aldus het college.

2.11.2. Artikel 20, derde lid, van de voorschriften van de herziening, voor zover thans van belang, bepaalt dat vestiging van nieuwe agrarische bedrijven - waarvoor het opnemen van een geheel nieuw bouwvlak noodzakelijk is - niet is toegestaan. Volgens dit artikellid is het echter denkbaar dat een agrarisch bedrijf vanwege het algemeen belang moet verplaatsen. Aangezien het hier om uitzonderingssituaties gaat is hiervoor in het plan geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Het opnemen van een nieuw bouwvlak in een dergelijke situatie zal volgens dit artikellid geschieden met een partiële herziening van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 20, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan geldt voor het gehele plangebied, in navolging van het provinciale beleid dat is gericht op concentratie van glastuinbouw in speciaal daarvoor aangewezen ontwikkelingsgebieden, dat omschakeling naar glastuinbouw is uitgesloten.

2.11.3. Volgens de Beleidsnota Glastuinbouw is nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf in een doorgroeigebied op een beperkte schaal mogelijk wanneer sprake is van daadwerkelijke sanering van een bedrijf dat ten behoeve van een aanmerkelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit verplaatst dient te worden. In het Gebiedsplan Wijde Biesbosch staat evenwel dat in Oosteind vanuit de landschappelijke waarden slechts ruimte is voor doorgroei en herschikking van bestaande bedrijven.

2.11.4. Gelet op het voormelde provinciale beleid heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om ter plaatse geen nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven dan wel omschakeling naar glastuinbouw mogelijk te maken. Daarbij is van belang dat voor incidentele nieuwvestiging als bedoeld in de Beleidsnota Glastuinbouw een partiële herziening van het plan kan worden vastgesteld.

Uitbreidingsmogelijkheden glastuinbouw

2.12. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de zinsnede "tot een maximale netto glasopstand van 3 hectaren" in artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan voor zover dat artikellid ziet op het met groene lijnen op de kaart van de herziening aangegeven gebied ten zuiden van de Provincialeweg. Het college stelt zich in dit kader op het standpunt dat het maximum van 3 hectaren te gering is gelet op de aanwijzing van het gebied als doorgroeigebied voor de glastuinbouw. In als doorgroeigebied aangeduide gebieden wordt gestreefd naar het bieden van grotere uitbreidingsmogelijkheden dan buiten dergelijke gebieden, aldus het college.

2.12.1. De raad kan zich in zoverre niet met het bestreden besluit verenigen. De raad vreest in dit verband dat het college van burgemeester en wethouders indien geen strijd bestaat met de in het gebied aanwezige waarden, gehouden is toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid van artikel 19 van de voorschriften voor in oppervlakte onbegrensde uitbreidingen.

2.12.2. [appellanten sub 11] betogen dat aan de mogelijkheid om het bestemmingsvlak/bouwvlak van glastuinbouwbedrijven te vergroten een maximum van 2 of 3 hectaren zou moeten worden verbonden om te voorkomen dat de landschappelijke waarden van het gebied worden aangetast.

2.12.3. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] betogen dat de bestemmingsregeling voor het gebied ten zuiden van de Provincialeweg onvoldoende mogelijkheden biedt tot vergroting van het bestemmingsvlak voor de aldaar gevestigde glastuinbouwbedrijven.

2.12.4. Het gebied ten zuiden van de Provincialeweg is bestemd voor "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden". De gronden zijn op plankaart 2 "Ontwikkelingen" van het bestemmingsplan aangeduid als "AHS-landschap".

2.12.5. Ingevolge artikel 19, tweede lid, in samenhang bezien met tabel 2, van de voorschriften, voor zover thans van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd aan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" toe te kennen ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak/bouwvlak.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de voorschriften, voor zover thans van belang, bevat dit artikel het toetsingskader voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 19, tweede lid, van de voorschriften. Ingevolge artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, mogen glastuinbouwbedrijven die liggen in gebieden die in het bestemmingsplan als AHS-landschap zijn aangewezen, uitbreiden tot een maximale netto glasopstand van 3 hectaren, mits dit in overeenstemming is met de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische kwaliteiten van het gebied (hierna: de randvoorwaarden). Ingevolge het vijftiende lid van de voorschriften van het bestemmingsplan, dat behoort tot de voorschriften voor de in het bestemmingsplan voor AHS-landbouw aangewezen gebieden, is uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in beginsel toegestaan tot een maximale netto glasopstand van 3 hectaren, tenzij er overwegende bezwaren zijn van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard.

2.12.6. Anders dan het college in het verweerschrift naar voren heeft gebracht, kan de onthouding van goedkeuring aan genoemde zinsnede in artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan niet aldus worden begrepen dat goedkeuring is verleend aan het groen omlijnde plandeel ten zuiden van de Provincialeweg behoudens voor zover daarmee de zinsnede van toepassing zou worden. Immers in het dictum van het bestreden besluit wordt expliciet goedkeuring onthouden aan de woorden "tot een maximale glasopstand van 3 hectaren".

Aan de zinsnede "tot een maximale netto glasopstand van 3 hectaren" in artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften, dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan, is goedkeuring verleend bij besluit van 22 februari 2005. Nu de zinsnede bij de herziening niet opnieuw is vastgesteld, heeft het college door goedkeuring aan deze zinsnede te onthouden feitelijk de bij besluit van 22 februari 2005 verleende goedkeuring ingetrokken, hetgeen in strijd is met artikel 10:29, tweede lid, van de Awb.

2.12.7. Hetgeen de raad en [appellanten sub 11] hebben aangevoerd geeft gelet op het voorgaande aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, is genomen in strijd met artikel 10:29, tweede lid, van de Awb. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.12.8. De Afdeling vat het beroep van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] op als zijnde gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op het gebied ten zuiden van de Provincialeweg, nu artikel 20, twaalfde en vijftiende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan gelet op artikel A van de voorschriften op zichzelf beschouwd geen deel uitmaken van de herziening en deze artikelleden in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

2.12.9. Voor zover ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging en [appellant sub 8] betogen dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat het in artikel 20, vijftiende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen maximum de mogelijkheden om kassen op te richten in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg in oppervlakte beperkt, overweegt de Afdeling dat het vijftiende lid van artikel 20 van de voorschriften niet op dit gebied van toepassing is, nu dit gebied op plankaart 2 "Ontwikkelingen" van het bestemmingsplan is aangeduid als "AHS-landschap" en deze aanduiding in de herziening niet is gewijzigd.

2.12.10. Voor zover wordt betoogd dat de in artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen randvoorwaarden de mogelijkheden om kassen op te richten in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg te veel beperken, overweegt de Afdeling dat het college hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" te onthouden gelet op het halfopen karakter van het gebied en de doorkijkjes die het gebied biedt naar naastgelegen gebieden.

2.12.11. Voor zover wordt betoogd dat het in artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen maximum de mogelijkheden om kassen op te richten in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg ten onrechte in oppervlakte beperkt, overweegt de Afdeling als volgt.

2.12.12. In het Gebiedsplan Wijde Biesbosch staat dat het gebied ten zuiden van de Provincialeweg ruimte biedt voor doorgroei en herschikking van bestaande bedrijven. In het Uitwerkingsplan Stedelijke Regio Breda-Tilburg staat voorts dat grootschalige nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg niet wenselijk is, maar dat er in het gebied wel mogelijkheden zijn voor uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven. In de Beleidsnota Glastuinbouw staat dat solitair gelegen glastuinbouwbedrijven in beginsel niet verder mogen uitbreiden dan tot 3 hectaren netto glasopstand, maar dat glastuinbouwbedrijven in mogelijke doorgroeigebieden op basis van een afgewogen ruimtelijk plan de mogelijkheid verdienen om te ontwikkelen tot een grotere omvang.

2.12.13. Het in artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften aan toepassing van bedoelde wijzigingsbevoegdheid verbonden maximum van 3 hectaren verdraagt zich gelet op het voorgaande niet met de aanduiding van het gebied ten zuiden van de Provincialeweg als doorgroeigebied voor de glastuinbouw. Het college heeft dan ook niet in redelijkheid goedkeuring kunnen verlenen aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op het gebied ten zuiden van de Provincialeweg zonder veilig te stellen dat de functie van het gebied als doorgroeigebied was verzekerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college blijkens het bestreden besluit en de hieraan ten grondslag gelegde overwegingen ook heeft beoogd inwerkingtreding van bedoeld maximum voor dit gebied te voorkomen.

2.12.14. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herziening, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op het gebied ten zuiden van de Provincialeweg, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door de herziening in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 10] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet daarbij aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring aan bedoeld plandeel te onthouden.

2.12.15. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat bij gebreke van een aan toepassing van de wijzigingsbevoegdheid verbonden maximum de maximaal toe te laten oppervlakte aan glasopstand in aanmerking moet worden genomen bij de vraag of en in hoeverre toepassing zal worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid. Het college van burgemeester en wethouders is in dat geval niet gehouden toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid voor in oppervlakte onbegrensde uitbreidingen. Verder merkt de Afdeling ten overvloede op dat het nieuw vast te stellen plan zich niet hoeft te beperken tot die onderdelen waaraan goedkeuring is onthouden.

Perceel [locatie 1]

2.13. [appellanten sub 2], eigenaren van het perceel aan de [locatie 1], betogen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met een herziening waarin niet is voorzien in de vestiging van een glastuinbouwbedrijf op dit perceel. In dit verband voeren zij aan dat verplaatsing van hun glastuinbouwbedrijf aan de Ekelstraat noodzakelijk is vanwege de geplande aanleg van de N629 tussen Dongen en Oosterhout over hun perceel aan de Ekelstraat. [appellanten sub 2] wijzen er verder op dat voorheen planologisch wel de mogelijkheid bestond om ter plaatse een glastuinbouwbedrijf te vestigen en dat uitvoerig overleg met de gemeente heeft plaatsgevonden over de keuze van de locatie.

2.13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het perceel ligt in een gebied dat in het huidige provinciale beleid is aangewezen als een doorgroeigebied voor de glastuinbouw en dat ter plaatse geen nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven is toegelaten.

2.13.2. Het plandeel dat ziet op het perceel van [appellanten sub 2] aan de [locatie 1] maakt onderdeel uit van het gebied ten zuiden van de Provincialeweg met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" waarvan de goedkeuring op grond van hetgeen is overwogen onder 2.12.14 reeds voor vernietiging in aanmerking komt. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om inhoudelijk op voormelde beroepsgrond van [appellanten sub 2] in te gaan.

2.13.3. In de Beleidsnota Glastuinbouw staat dat nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf in een doorgroeigebied op beperkte schaal mogelijk is indien sprake is van daadwerkelijke sanering van een bedrijf dat ten behoeve van een aanmerkelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit verplaatst dient te worden.

2.13.4. Het perceel aan de [locatie 1] is in het bestemmingsplan "Buitengebied (1e herziening)", dat is vastgesteld op 19 oktober 1993, bestemd voor "Agrarisch gebied". Gelet op artikel 11, onder A, eerste lid, van de voorschriften van dit plan mocht het perceel worden gebruikt voor land- en tuinbouw. Gelet op artikel 11, lid B, onder d en i, van de voorschriften was de bouw van kassen toegestaan. Toen [appellanten sub 2] in 1997 het perceel aan de [locatie 1] kochten, was dit bestemmingsplan van kracht, zodat de vestiging van een glastuinbouwbedrijf ter plaatse was toegelaten. [appellanten sub 2] zijn niet eerder overgegaan tot aankoop van het perceel dan nadat zij hieromtrent overleg hebben gevoerd met een lid van het college van burgemeester en wethouders. [appellanten sub 2] hebben na de aankoop van het perceel verschillende investeringen gedaan ten behoeve van de vestiging van een glastuinbouwbedrijf.

In het bestemmingsplan, dat is vastgesteld op 14 juli 2004, was niet voorzien in een glastuinbouwbedrijf op het perceel aan de [locatie 1]. [appellanten sub 2] hebben hiertegen zienswijzen en bedenkingen ingediend. In zijn besluit van 22 februari 2005 heeft het college deze bedenkingen onder verwijzing naar het provinciale beleid gegrond verklaard met de kennelijke bedoeling de raad aan te sporen om in de herziening te voorzien in een glastuinbouwbedrijf ter plaatse.

Ten tijde van het bestreden besluit waren de plannen voor de aanleg van de N629 tussen Dongen en Oosterhout reeds bekend. Ter zitting is gebleken dat het definitieve tracé van deze weg nog niet vast ligt, maar dat wel duidelijk is dat het perceel van [appellanten sub 2] aan de Ekelstraat in elk geval nodig zal zijn voor de aanleg, zodat een verplaatsing van het bedrijf op termijn noodzakelijk zal zijn. Een zodanige verplaatsing is, anders dan het college stelt, in overeenstemming met het in het Beleidsnota Glastuinbouw verwoorde beleid met betrekking tot doorgroeigebieden.

Gelet op deze omstandigheden heeft het college naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid kunnen instemmen met een herziening waarin niet is voorzien in de mogelijkheid om een glastuinbouwbedrijf op het perceel aan de [locatie 1] op te richten.

2.13.5. Hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geeft gelet op het voorgaande aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre gegrond.

Perceel [locatie 2]

2.14. [appellanten sub 12] betogen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met een herziening waarin niet is voorzien in de vestiging van een glastuinbouwbedrijf op het ongenummerde perceel aan de [locatie 2] dat eigendom is van [appellant sub 12 B]. In dit verband wijzen zij erop dat voorheen planologisch wel de mogelijkheid bestond om ter plaatse een glastuinbouwbedrijf te vestigen en dat al een bouwvergunning is verleend voor de oprichting van een kas. Volgens hen heeft deze kas niet slechts een ondersteunend karakter. Verder kunnen [appellanten sub 12] zich er niet mee verenigen dat geen bedrijfswoning op het perceel mag worden opgericht.

2.14.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het perceel ligt in een als doorgroeigebied voor de glastuinbouw aangewezen gebied waar geen nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven is toegelaten. Verder volgt het de raad in zijn standpunt dat [appellanten sub 12] ten tijde van de bouwvergunningaanvraag voornemens was een vollegrondstuinbouwbedrijf op te richten en dat de kas op dit moment slechts een teeltondersteunend karakter heeft. Nu op het perceel nog geen bedrijf aanwezig is, staat volgens het college voorts nog niet vast dat het oprichten van een bedrijfswoning ter plaatse in dit stadium noodzakelijk is.

2.14.2. Het plandeel dat ziet op het ongenummerde perceel aan de [locatie 2] maakt onderdeel uit van het gebied ten zuiden van de Provincialeweg met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" waarvan de goedkeuring op grond van hetgeen is overwogen onder 2.12.14 reeds voor vernietiging in aanmerking komt. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om inhoudelijk op voormelde beroepsgrond van [appellanten sub 12] in te gaan.

2.14.3. Voor zover [appellanten sub 12] betogen dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de in de bedenkingen aangevoerde stelling dat de vergunde kas niet slechts een ondersteunende functie heeft, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat bedoelde stelling niet bij de overwegingen is betrokken, nu het college in het bestreden besluit expliciet heeft overwogen dat uit de stukken blijkt dat de kas een ondersteunende functie heeft.

2.14.4. Vaststaat dat op het desbetreffende perceel een kas is opgericht met een rechtens onaantastbare bouwvergunning. Deze bouwvergunning is verleend op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied (1e herziening)", dat is vastgesteld op 19 oktober 1993. Met betrekking tot de vraag of de herziening had moeten voorzien in een glastuinbouwbedrijf op het desbetreffende perceel is het van belang voor wat voor soort bedrijf de bouwvergunning voor de kas is aangevraagd en verleend. De door [appellanten sub 12] overgelegde bouwvergunning biedt in dit verband geen uitsluitsel en de verhouding tussen de oppervlakte van de kas en de oppervlakte van de rest van het perceel waar het college op heeft gewezen, is in dit verband niet van belang. Of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellanten sub 12] een bouwvergunning heeft aangevraagd ten behoeve van een vollegrondstuinbouwbedrijf is gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling onzeker. Daarbij neemt de Afdeling de inhoud van de door [appellanten sub 12] overgelegde stukken, waaronder een bedrijfsadvies glastuinbouw van DLV Adviesgroep NV van 7 maart 2001 en een in het kader van de procedure over de bouwvergunning opgesteld rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 19 mei 2004 in aanmerking. Het college heeft de raad dan ook niet zonder nader onderzoek in bedoeld standpunt kunnen volgen.

In het bestemmingsplan, dat is vastgesteld op 14 juli 2004, was niet voorzien in een glastuinbouwbedrijf op het desbetreffende perceel. [appellanten sub 12] hebben hiertegen zienswijzen en bedenkingen ingediend. In zijn besluit van 22 februari 2005 heeft het college deze bedenkingen onder verwijzing naar het provinciale beleid gegrond verklaard met de kennelijke bedoeling de raad aan te sporen om in de herziening te voorzien in een glastuinbouwbedrijf ter plaatse. Deze omstandigheid heeft het college niet bij de besluitvorming betrokken.

2.14.5. Wat betreft de door [appellanten sub 12] gewenste bedrijfswoning overweegt de Afdeling dat het college heeft onderzocht of een bedrijfswoning noodzakelijk was ten tijde van het bestreden besluit. Het college heeft echter onvoldoende onderzocht of in een mogelijke aanzet tot een reëel agrarisch bedrijf - daargelaten wat voor soort agrarisch bedrijf het betreft - aanleiding had moeten worden gezien om een bedrijfswoning op het perceel mogelijk te maken.

2.14.6. Gelet op het hiervoor overwogene bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op het ongenummerde perceel aan de [locatie 2], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid in de zin van artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 12] is in zoverre gegrond.

Artikel 15, vierde lid, aanhef en onder e, van de voorschriften van de herziening

Goothoogte kassen

2.15. [appellanten sub 1], [appellanten sub 3], [appellant sub 10], [appellant sub 8], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging en [appellante sub 9] betogen dat een maximale goothoogte van 6 meter ontoereikend is. Volgens hen is de noodzakelijke goothoogte voor kassen 7 of 8 meter gelet op de ontwikkelingen in de glastuinbouw.

2.15.1. [appellanten sub 11] betogen dat de bouw van kassen met een goothoogte van 6 meter zal leiden tot een ernstige aantasting van het halfopen karakter van het gebied ten zuiden van de Provincialeweg.

2.15.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de in de herziening opgenomen maximale goothoogte voldoende rekening houdt met de technische ontwikkelingen in de glastuinbouw.

2.15.3. Ingevolge artikel 15, vierde lid, aanhef en onder e, van de voorschriften, voor zover thans van belang, mag de goothoogte van nieuw te bouwen kassen ten hoogste 6 meter bedragen. In de herziening is geen mogelijkheid tot vrijstelling van deze maximale hoogte opgenomen.

2.15.4. De mogelijkheid om kassen met een goothoogte van maximaal 6 meter op te richten leidt naar het oordeel van de Afdeling niet tot een zodanige aantasting van het halfopen karakter van het gebied dat het college hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten kennen. Hetgeen [appellanten sub 11] met betrekking tot bedoeld artikelonderdeel hebben aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herziening in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 11] is in zoverre ongegrond.

2.15.5. Ter zitting is gebleken dat een goothoogte van 6 meter voor kassen toereikend is voor de meeste vormen van glastuinbouwteelt, maar dat voor sommige vormen van glastuinbouwteelt vanwege ontwikkelingen in de glastuinbouw een hogere goothoogte noodzakelijk kan zijn. De herziening maakt desondanks op geen enkele wijze een hogere goothoogte voor kassen mogelijk. De Afdeling is van oordeel dat het college zich bij gebreke van een mogelijkheid tot vrijstelling van de maximale goothoogte niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de zinsnede "de goothoogte van de kassen mag ten hoogste 6 m bedragen" in artikel 15, vierde lid, aanhef en onder e, van de voorschriften, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door dit planvoorschrift goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 3], [appellant sub 10], [appellant sub 8], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging en [appellante sub 9] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet daarbij aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring aan bedoelde zinsnede te onthouden. Om te voorkomen dat kassen met een ongelimiteerde hoogte kunnen worden gebouwd, ziet de Afdeling voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening houdt in dat de zinsnede "de goothoogte van de kassen mag ten hoogste 6 m bedragen" in artikel 15, vierde lid, aanhef en onder e, van de voorschriften moet worden geacht te zijn goedgekeurd tot de inwerkingtreding van een nieuw vast te stellen plan.

Artikel 20, negentiende lid, onder b, van de voorschriften van de herziening

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

2.16. ZLTO Oosterhout betoogt dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ingevolge artikel 20, negentiende lid, onder b, van de voorschriften ten onrechte alleen ter plaatse van het bouwvlak zijn toegestaan, terwijl deze voorzieningen juist zijn bedoeld voor de veldpercelen.

2.16.1. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de in artikel 20, negentiende lid, onder b, van de voorschriften opgenomen regeling niet in overeenstemming is met het provinciale beleid dat gold ten tijde van het bestreden besluit. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op artikel 20, negentiende lid, onder b, van de voorschriften, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van ZLTO Oosterhout is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. Nu ook de raad zich wat betreft dit artikelonderdeel ter zitting op een ander standpunt heeft gesteld dan in het vaststellingsbesluit, ziet de Afdeling aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan artikel 20, negentiende lid, onder b, van de voorschriften. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening houdt in dat artikel 20, negentiende lid, onder b, van de voorschriften moet worden geacht te zijn goedgekeurd tot de inwerkingtreding van een nieuw vast te stellen plan.

Overige beroepsgronden [appellanten sub 11] met betrekking tot de herziening

Perceel [locatie 3]

2.17. Voor zover het beroep van [appellanten sub 11] zich richt tegen het bouwvlak binnen het plandeel met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" dat ziet op het perceel aan de [locatie 3], overweegt de Afdeling dat de bestemmingsregeling voor dit perceel, die op de detailplankaart 48 bij het bestemmingsplan is weergegeven, in zoverre inmiddels rechtens onaantastbaar is en geen deel uitmaakt van de herziening. Gelet hierop kan de bestemmingsregeling in zoverre voor het perceel [locatie 3] in deze procedure niet aan de orde komen.

Definitie ondersteunende kassen

2.18. [appellanten sub 11] betogen dat in de herziening ten onrechte geen definitie is opgenomen van het begrip ondersteunende kas. Volgens hen leidt dit tot onduidelijkheid over de mogelijkheden met betrekking tot de oprichting van kassen. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat in artikel 1, vijfenvijftigste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan een definitie van het begrip kas is opgenomen en dat in artikel 15, vierde lid, aanhef en onder e, van de voorschriften van de herziening staat dat de kassen ondersteunend moeten zijn aan een bestaand agrarisch bedrijf. Voorts zijn in dit artikelonderdeel en in artikel 20, achttiende lid, onder f en g, van de voorschriften van de herziening de voorwaarden opgenomen waaronder de oprichting van een ondersteunende kas is dan wel kan worden toegestaan. Gelet hierop leidt het ontbreken van een definitie van het begrip ondersteunende kas naar het oordeel van de Afdeling niet tot onduidelijkheden.

Afscherming kassen in verband met assimilatiebelichting

2.19. [appellanten sub 11] betogen dat ter voorkoming van lichthinder bepalingen in de herziening hadden moeten worden opgenomen met betrekking tot assimilatiebelichting en erfbeplanting voor bestaande en nieuw te bouwen kassen ter plaatse van de voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" bestemde gronden.

2.19.1. Het college stelt zich, in navolging van de raad, op het standpunt dat voor kassen bij bestaande glastuinbouwbedrijven het Besluit glastuinbouw geldt. Volgens het college is het niet noodzakelijk om naast de voorschriften die hierin zijn opgenomen, voorschriften met betrekking tot assimilatiebelichting en erfbeplanting in de herziening op te nemen.

2.19.2. Artikel 1.5.1 van de algemene voorschriften van bijlage II van het Besluit glastuinbouw, welke voorschriften gelden voor reguliere glastuinbouwbedrijven, bepaalt dat de gevel van een permanente opstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is afgeschermd op een zodanige wijze dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel, met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.

Ingevolge artikel 1.5.4 van deze algemene voorschriften, voor zover thans van belang, geldt artikel 1.5.1. vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang.

2.19.3. Krachtens artikel 1.5.1. van de algemene voorschriften van bijlage II van het Besluit glastuinbouw dienen reguliere glastuinbouwbedrijven, zoals de glastuinbouwbedrijven die zijn gevestigd in het gebied ten zuiden van de Provincialeweg, de lichtuitstraling van hun nieuw te bouwen en bestaande kassen te reduceren als voorgeschreven. [appellanten sub 11] hebben niet aannemelijk gemaakt dat ondanks deze verplichting onevenredige lichthinder ten gevolge van de assimilatiebelichting in kassen optreedt. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet noodzakelijk is om naast de in het Besluit glastuinbouw opgenomen voorschriften, voorschriften ter voorkoming van lichthinder in de herziening op te nemen.

Goot- en nokhoogte bedrijfsgebouwen

2.20. Voor zover het beroep van [appellanten sub 11] zich richt tegen artikel 15, vierde lid, aanhef en onder f, van de voorschriften van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat dit artikelonderdeel inmiddels rechtens onaantastbaar is en geen deel uitmaakt van de herziening. Gelet hierop kan artikel 15, vierde lid, aanhef en onder f, van de voorschriften in deze procedure niet aan de orde komen.

Bouwvoorschriften burgerwoningen

2.21. [appellanten sub 11] betogen dat de bouwvoorschriften voor burgerwoningen in de herziening te beperkt zijn. Zij achten het onbegrijpelijk dat voor een bedrijfswoning in de herziening ruimere bouwmogelijkheden zijn opgenomen dan voor een burgerwoning.

2.21.1. Het college acht de beperkingen aan de omvang van burgerwoningen gerechtvaardigd, nu het niet aan het buitengebied gebonden bebouwing betreft.

2.21.2. Ingevolge artikel 15, vierde lid, onder g, van de voorschriften, voor zover thans van belang, mag de inhoud van een bedrijfswoning ter plaatse van de voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" bestemde gronden, met inbegrip van aangebouwde bijgebouwen, ten hoogste 750 m3 bedragen. Ingevolge artikelonderdeel h mag de goothoogte van de bedrijfswoning ten hoogste 4,5 meter bedragen en de nokhoogte ten hoogste 9 meter.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, onder e, van de voorschriften van het bestemmingsplan mag de goothoogte van een hoofdgebouw ter plaatse van voor "Woondoeleinden" bestemde gronden niet meer dan 4,5 meter bedragen, tenzij het een bestaand hoofdgebouw betreft dat hoger is dan 4,5 meter. De maximale goothoogte bedraagt in het laatstgenoemde geval 6 meter. Ingevolge artikelonderdeel f van de herziening, voor zover thans van belang, mag de inhoud van een woning, met inbegrip van aangebouwde bijgebouwen, maximaal 600 m3 bedragen. Ingevolge artikelonderdeel g van de herziening mogen bestaande woningen die groter zijn dan 600 m3 niet worden uitgebreid.

2.21.3. Voor zover het beroep van [appellanten sub 11] zich richt tegen artikel 17, vierde lid, onder e, van de voorschriften van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat dit artikelonderdeel inmiddels rechtens onaantastbaar is en geen deel uitmaakt van de herziening. Gelet hierop kan artikel 17, vierde lid, onder e, van de voorschriften in deze procedure niet aan de orde komen.

2.21.4. In de Paraplunota is vermeld dat het wonen zoveel mogelijk in kernen moet worden geconcentreerd. Om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen, wordt spreiding van de woonbebouwing tegengegaan. Voor bestaande burgerwoningen in het buitengebied kan de gemeente ontwikkelingsruimte bieden, mits de bestaande beeldbepalende kwaliteiten in de omgeving niet geschaad worden. Daarbij moet volgens de Paraplunota onder andere als uitgangspunt worden gehanteerd dat woningen mogen worden vergoot tot een maximale inhoudsmaat van 600 m3. Over bedrijfswoningen is in de Paraplunota aangegeven dat deze alleen aanvaardbaar zijn indien deze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van aan het buitengebied gebonden bedrijven.

2.21.5. De in artikel 17 van de voorschriften voorgeschreven maximum inhoud van burgerwoningen is in overeenstemming met het in de Paraplunota verwoorde streven om verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan en het daarin opgenomen uitgangspunt dat woningen mogen worden vergroot tot een maximale inhoudsmaat van 600 m3. Het college heeft in hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om van deze provinciale beleidslijnen af te wijken en goedkeuring te onthouden aan artikel 17, vierde lid, onder f en g, van de voorschriften. Anders dan bedoelde bedrijfswoningen hebben burgerwoningen geen relatie met het buitengebied en zijn deze woningen niet noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering.

2.21.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herziening wat betreft de bouwmogelijkheden voor burgerwoningen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 11] is in zoverre ongegrond.

Oostelijke plangrens langs het perceel [locatie 4]

Onbesproken bedenkingen

2.22. [appellanten sub 7] betogen dat de door hen ingediende bedenkingen met betrekking tot de oostelijke plangrens langs hun perceel aan de [locatie 4] ten onrechte niet zijn besproken in het bestreden besluit.

2.22.1. De Afdeling stelt vast dat [appellanten sub 7] bij brief van 25 augustus 2008, ingekomen bij de provincie op 26 augustus 2008, bedenkingen hebben ingediend, onder meer met betrekking tot de oostelijke plangrens langs het perceel van [appellanten sub 7] aan de [locatie 4]. Deze bedenkingen zijn niet besproken in het besluit omtrent goedkeuring. Het onbesproken laten van bedoeld onderdeel van de bedenkingen geeft aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de oostelijke plangrens langs het perceel van [appellanten sub 7] aan de [locatie 4], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 7] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.22.2. Gelet op het voorgaande behoeft de beroepsgrond van [appellanten sub 7] met betrekking tot de oostelijke plangrens langs het perceel aan de [locatie 4] inhoudelijk geen bespreking meer.

Blauw omlijnd plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" dat ziet op de gronden ten noorden van het perceel [locatie 4]

Uitbreidingsmogelijkheden recreatiecentrum

2.23. Het college heeft goedkeuring onthouden aan het blauw omlijnde plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" dat ziet op de gronden ten noorden van het bestaande recreatiecentrum aan de [locatie 4] in Oosterhout. Het college stelt zich in dit verband op het standpunt dat de ter plaatse mogelijk gemaakte uitbreiding van het recreatiecentrum in de GHS ligt en dat onvoldoende is onderzocht of de uitbreiding in deze omgeving inpasbaar is en of er alternatieven bestaan. Daarbij dient volgens het college in aanmerking te worden genomen dat langs de ten noorden van deze gronden gelegen rijksweg A27 een verzorgingsplaats moet worden gerealiseerd.

2.23.1. [appellanten sub 7], exploitanten van het recreatiecentrum De Hannebroeck, en de raad betogen dat uitvoerig onderzoek is gedaan naar de noodzaak en de inpasbaarheid van de uitbreiding van het recreatiecentrum. [appellanten sub 7] verwijzen in dit verband naar de door hen overgelegde onderzoeken. Voorts voeren [appellanten sub 7] en de raad aan dat het nog onzeker is of langs de rijksweg A27 een verzorgingsplaats zal worden gerealiseerd.

2.23.2. De gronden waarop [appellanten sub 7] een uitbreiding van hun recreatiecentrum wensen te realiseren, liggen in een gebied dat in de Interimstructuurvisie grotendeels is aangewezen als GHS-natuur. In de Interimstructuurvisie staat dat de concrete begrenzing van de zonering en de daarbij behorende planologische afweging moet plaatsvinden op gemeentelijk niveau door vastlegging in het bestemmingsplan. Nu de gronden ten noorden van het bestaande recreatiecentrum aan de [locatie 4] op plankaart 2 "Ontwikkelingen" van het bestemmingsplan als "GHS-natuur" zijn aangeduid, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze gronden in de GHS-natuur liggen.

2.23.3. In de Paraplunota staat dat bestaande verblijfsrecreatiebedrijven in de GHS, als dat nodig is voor een kwaliteitsverbetering, in beperkte mate kunnen uitbreiden als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden betreffen onder meer de voorwaarde dat de uitbreiding onderdeel is van een kwaliteitsverbetering die op de langere termijn noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf, de voorwaarde dat de mogelijkheden om tot kwaliteitsverbetering te komen zonder uitbreiding zijn uitgeput en de voorwaarde dat alternatieve locaties voor een uitbreiding buiten de GHS ontbreken.

2.23.4. In opdracht van [appellanten sub 7] heeft Van den Bijtel Ecologisch Onderzoek in september 2007 het "Verkennend ecologisch onderzoek Recreatiecentrum De Hannebroeck gemeente Oosterhout" opgesteld en heeft Van Nuland en Partners op 16 september 2007 "het bedrijfsplan voor recreatiecentrum De Hannebroeck te Oosterhout" opgesteld. In deze onderzoeken is uitvoerig ingegaan op onder meer de inpasbaarheid van de uitbreiding van het recreatiecentrum, de noodzakelijkheid van de uitbreiding en de wijze waarop de uitbreiding vorm zal worden gegeven. Gelet hierop acht de Afdeling de motivering van het college dat onvoldoende is onderzocht of de uitbreiding in de omgeving inpasbaar is en of er alternatieven bestaan, niet overtuigend. Dit klemt te meer omdat het college heeft aangegeven in beginsel geen bezwaren te hebben tegen de uitbreiding van het recreatiecentrum. De mogelijke aanleg van een verzorgingsplaats langs de rijksweg A27 kan weliswaar in de weg staan aan realisering van een gedeelte van de uitbreiding, maar dit is geen reden om goedkeuring te onthouden aan het gehele plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" dat ziet op de gronden ten noorden van het bestaande recreatiecentrum.

Daar komt nog bij dat [appellanten sub 7] terecht hebben aangevoerd dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door hen bij brief van 25 augustus 2008 ingediende bedenkingen met betrekking tot het zogenoemde BRO-rapport en het op de plankaart over de gronden ten noorden van het bestaande recreatiecentrum ingetekende pad.

Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan dit blauw omlijnde plandeel, niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellanten sub 7] en de raad zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Opdracht aan het bestuursorgaan

2.24. Wat betreft de vernietigde onderdelen van het besluit omtrent goedkeuring van de herziening zal de Afdeling in het belang van partijen een termijn stellen waarbinnen het college een nieuw besluit omtrent goedkeuring dient te nemen en, voor zover zelfvoorziend goedkeuring aan deze onderdelen wordt onthouden, een termijn waarbinnen de raad een besluit tot vaststelling dient te nemen.

Proceskostenveroordelingen

2.25. Ten aanzien van de raad, [appellante sub 9] en [appellant sub 10] is niet van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen gebleken.

Ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], ZLTO Oosterhout, de Glastuinbouwvereniging, [appellant sub 8], [appellanten sub 7], [appellanten sub 11] en [appellanten sub 12], dient het college op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellanten sub 2] en [appellante sub 3] en anderen niet-ontvankelijk voor zover deze zijn gericht tegen de motivering van de onthouding van goedkeuring aan onderdelen van artikel 20, drieëntwintigste lid, onder e, van de voorschriften van de herziening;

II. verklaart de beroepen van de raad van de gemeente Oosterhout en [appellante sub 7] en anderen geheel en de beroepen van [appellanten sub 11], [appellante sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellante sub 3] en anderen, de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Oosterhout, de vereniging Glastuinbouwvereniging Oosteind, [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 12 A] en [appellant sub 12 B] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 23 februari 2009, kenmerk 1432606, voorzover daarbij:

a. goedkeuring is onthouden aan de zinsnede "tot een maximale netto glasopstand van 3 hectaren" artikel 20, twaalfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan wat betreft het met groene lijnen aangegeven gedeelte van de plankaart 1 (hoofd- en medebestemmingen noord), ten zuiden van Oosteind;

b. goedkeuring is verleend aan het groen omlijnde plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" dat ziet op het gebied ten zuiden van de Provincialeweg in Oosterhout;

c. goedkeuring is verleend aan de zinsnede "de goothoogte van de kassen mag ten hoogste 6 m bedragen" in artikel 15, vierde lid, aanhef en onder e, van de voorschriften van de herziening;

d. goedkeuring is verleend aan artikel 20, negentiende lid, onder b, van de voorschriften van de herziening;

e. goedkeuring is verleend aan de oostelijke plangrens langs het perceel van [appellante sub 7] aan de [locatie 4] in Oosterhout, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

f. goedkeuring is onthouden aan het blauw omlijnde plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" dat ziet op de gronden ten noorden van het perceel aan de [locatie 4] van [appellante sub 7] in Oosterhout;

IV. onthoudt goedkeuring aan de plandelen genoemd onder III.b, III.c en III.d;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het de onder IV genoemde plandelen betreft;

VI. draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om binnen zes maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen opnieuw te beslissen over de onder III.e en III.f bedoelde onderdelen van het plan;

VII. draagt de raad van de gemeente Oosterhout op om binnen een jaar na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot de vaststelling van het bestemmingsplan voor de onderdelen van het plan, genoemd onder III.b, III.c en III.d, te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

VIII. treft de voorlopige voorziening dat de zinsnede "de goothoogte van de kassen mag ten hoogste 6 m bedragen" in artikel 15, vierde lid, aanhef en onder e, van de voorschriften van de herziening moet worden geacht te zijn goedgekeurd; deze voorlopige voorziening vervalt met de inwerkingtreding van een nieuw vast te stellen plan;

IX. treft de voorlopige voorziening dat artikel 20, negentiende lid, onder b, van de voorschriften van de herziening moet worden geacht te zijn goedgekeurd; deze voorlopige voorziening vervalt met de inwerkingtreding van een nieuw vast te stellen plan;

X. verklaart de beroepen van [appellanten sub 11], [appellante sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellante sub 3] en anderen, de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Oosterhout, de vereniging Glastuinbouwvereniging Oosteind, [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 12 A] en [appellant sub 12 B] voor het overige ongegrond;

XI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 697,29 (zegge: zeshonderdzevenennegentig euro en negenentwintig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 3] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 697,29 (zegge: zeshonderdzevenennegentig euro en negenentwintig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 697,29 (zegge: zeshonderdzevenennegentig euro en negenentwintig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 697,29 (zegge: zeshonderdzevenennegentig euro en negenentwintig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Oosterhout, in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de vereniging Glastuinbouwvereniging Oosteind in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 11] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante sub 7] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 12 A] en [appellant sub 12 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 11], € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 3] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de raad van de gemeente Oosterhout, € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 10], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 8], € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Oosterhout, € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de vereniging Glastuinbouwvereniging Oosteind, € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 7] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 9] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 12 A] en [appellant sub 12 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010

177-589.

<HR>

plankaart