Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN3141

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
201003985/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2010, kenmerk CAS200900021612/ DOC201000024729, heeft het college aan De Neulen B.V. een vergunning onder voorschriften verleend op grond van de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor de wijziging van de bestaande varkensfokkerij gelegen aan de Neulensteeg 2 te Ospel.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 16
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/754
OGR-Updates.nl 10-116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003985/2/R2.

Datum uitspraak: 26 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment (hierna: MOB), gevestigd te Nijmegen,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2010, kenmerk CAS200900021612/ DOC201000024729, heeft het college aan De Neulen B.V. een vergunning onder voorschriften verleend op grond van de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor de wijziging van de bestaande varkensfokkerij gelegen aan de Neulensteeg 2 te Ospel.

Tegen dit besluit heeft MOB bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2010. Bij eerstgenoemde brief heeft MOB de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juli 2010, waar MOB, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, werkzaam bij Wösten Juridisch Advies, en het college, vertegenwoordigd door G.H.J.M. in de Braek en A.M.A.G. Maessen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord De Neulen B.V., vertegenwoordigd door M.H.E. van der Velden en J.A.M. Stultiens, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vergunning is aangevraagd voor het exploiteren van een varkensfokkerij nabij de drie Natura 2000-gebieden Groote Peel, Sarsven en de Banen en Weerter- en Budelerbergen en Ringselven. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend op grond van de artikelen 16 en 19d van de Nbw 1998, omdat de ammoniakdepositie in de gebieden ondanks de uitbreiding van de varkensfokkerij niet toeneemt en uit de passende beoordeling naar voren is gekomen dat geen negatieve effecten op de gebieden zijn te verwachten.

2.3. De Neulen B.V. heeft ter zitting betoogd dat het bestreden besluit door de inwerkingtreding van artikel 19kd van de Nbw 1998 per 31 maart 2010 van rechtswege is komen te vervallen en dat MOB derhalve niet-ontvankelijk is in haar beroep en dat het verzoek om die reden dient te worden afgewezen.

De voorzitter gaat er, gelet op de redactie van voornoemd artikel, vooralsnog van uit dat ingevolge dat artikel nog altijd sprake is van een vergunningplicht voor de varkensfokkerij, ook al hoeven in bepaalde gevallen bij de verlening van een vergunning de gevolgen die een handeling kan hebben door het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, niet te worden betrokken. Gelet hierop gaat de voorzitter er vooralsnog vanuit dat de Afdeling het beroep van MOB ontvankelijk zal achten.

2.4. Met het verzoek om voorlopige voorziening beoogt MOB de realisatie van de uitbreiding van de varkensfokkerij en de daarmee samenhangende ammoniakdepositie te voorkomen.

2.4.1. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf inmiddels een stal is gerealiseerd en een tweede stal op korte termijn zal worden gerealiseerd. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.5. MOB betoogt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een depositietoename in dit geval aanvaardbaar is. MOB kan zich niet verenigen met het uitgangspunt van salderen. Zij voert daartoe primair aan dat de Nbw 1998 niet voorziet in de mogelijkheid van salderen. Subsidiair betoogt MOB dat ten onrechte is gesaldeerd met ammoniakemissies van bedrijven die geen relatie hebben met de uitbreiding van de varkensfokkerij. Bovendien lenen vergunde rechten zich volgens MOB niet voor salderen. Ook heeft zij bezwaren tegen de bij de saldering gebruikte wijze van berekening van de stikstofdepositie. Volgens MOB bestaat een aanmerkelijk verschil in de uitkomsten indien gerekend wordt met het oude berekeningsmodel enerzijds en het AAgro-Stacksmodel anderzijds. Voorts is het MOB onduidelijk hoe de uitkomsten van het AAgro-Stacksmodel zich verhouden tot het verspreidingsmodel Operationeel Prioritaire Stoffen (hierna: OPS-model). MOB betoogt verder dat de passende beoordeling niet deugdelijk is, omdat hieruit geen zekerheid kan worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de drie Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Tot slot voert MOB aan dat de vergunning ten onrechte voor onbepaalde tijd is verleend.

2.5.1. De vergunningaanvraag is beoordeeld aan de hand van het stand-still beleid. Op grond van dit beleid mag de ammoniakdepositie op een beschermd natuurgebied door uitbreiding van een veehouderij niet toenemen, tenzij sprake is van volledige saldering.

2.5.2. De uitbreiding van de varkensfokkerij leidt tot een toename van ammoniakemissie van 3.766,9 kg NH3 naar 9.882,4 kg NH3 per jaar. Deze toename is volgens het college alleen toegestaan na volledige saldering en een passende beoordeling per Natura 2000-gebied. Ter zitting heeft het college gesteld dat bij de saldering het uitgangspunt is gehanteerd dat de ammoniakdepositie nergens in de beschermde natuurgebieden mag toenemen, waarbij wordt uitgegaan van de vergunde situatie zoals die bestond op het moment van de aanwijzing van de beschermde natuurgebieden. Uit de stukken is gebleken dat ten behoeve van de saldering ammoniakrechten zijn gekocht van vier bedrijven en dat de milieuvergunningen van deze bedrijven zijn ingetrokken. Het college stelt zich op het standpunt dat deze salderingsmethode naar de letter en het doel van de Nbw 1998 niet is uitgesloten. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of bij de vergunningverlening saldering met ammoniakrechten van andere bedrijven is toegestaan. De voorzitter is mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van oordeel dat beantwoording van de voorliggende rechtsvraag nader onderzoek vereist waarvoor de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent. Daarom zal de voorzitter de vraag of het verzoek moet worden toegewezen beoordelen aan de hand van een belangenafweging. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bedrijfsbelang van De Neulen B.V. bij de uitbreiding is gebaat. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat thans bouwwerkzaamheden ten behoeve van de uitbreiding worden uitgevoerd. Tegenover het bedrijfsbelang staat het belang dat is gemoeid met behoud van de natuurlijke kenmerken van de drie Natura 2000-gebieden. In dit verband is van betekenis dat de uitbreiding van de varkensfokkerij tot een aanzienlijke toename van de ammoniakemissie leidt. Tevens neemt de voorzitter in aanmerking dat volgens de passende beoordeling de achtergrondconcentraties in de huidige situatie reeds een te hoge belasting vormen voor de drie Natura 2000-gebieden. Gelet op het belang van MOB dat voor de behandeling van het beroep in de hoofdzaak geen onomkeerbare situatie ontstaat als gevolg van de nog uit te voeren bouwwerkzaamheden voor de stallen en het in gebruik nemen daarvan, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. De overige gronden van het verzoek behoeven gelet op het vorenstaande geen bespreking meer.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 11 maart 2010, kenmerk CAS200900021612/DOC201000024729;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Sloten w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2010

12-586.