Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
201000685/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2009 heeft de minister een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000685/1/V6.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 9 december 2009 in zaak nr. 09/5001 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2009 heeft de minister een verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 5 juni 2009 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brieven van 11 februari 2010 en 28 mei 2010 heeft [appellante] nadere stukken ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2010, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. P. Scholtes, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 10 juni 2008 op een juiste en zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en de minister dit advies aan zijn standpunt dat [appellante] niet in aanmerking komt voor ontheffing van de naturalisatietoets ten grondslag heeft mogen leggen. [appellante] voert hiertoe aan, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het door het BMA aangevraagde neuropsychologisch onderzoek dat is verricht door drs. M.S.P. Vermeulen, klinisch psycholoog en neuropsycholoog, niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het Medisch Advies Inburgeringsexamen van 4 augustus 2008 (hierna: het MAI) de conclusies van dit onderzoek weerlegt.

2.1.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, alsmede van de Nederlandse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, voor zover thans van belang, beschikt een verzoeker over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN, indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de Nederlandse samenleving kan functioneren.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt vastgesteld aan de hand van een door de minister op te stellen naturalisatietoets, of een verzoeker beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 4, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, is de verzoeker die kan aantonen door een belemmering niet in staat te zijn een of meer van de toetsonderdelen, genoemd in artikel 2, derde lid, en het toetsonderdeel staatsinrichting en maatschappij af te leggen, ontheven van de verplichting om het desbetreffende toetsonderdeel af te leggen.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding), zoals deze gold ten tijde van belang, is de verzoeker, indien hij een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering heeft, ontheven van de naturalisatietoets of een of meer onderdelen daarvan. Betrokkene dient zelf door middel van een of meer verklaringen aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke ontheffing. Betrokkene dient de belemmering aan te tonen door middel van het overleggen van een of meer verklaringen van een arts of een deskundige. In beginsel is een verklaring van de eigen huisarts voldoende. Echter, dit geldt niet in een geval waarin sprake is van een psychische stoornis, zoals bijvoorbeeld duurzame ernstige depressies, trauma’s en/of concentratiestoornissen. Beoordeling daarvan dient te geschieden door een deskundige op het gebied van psychische ziektebeelden. In die gevallen dient de verklaring afkomstig te zijn van een psychiater of een psycholoog. Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure de gegrondheid van het beroep op ontheffing van de naturalisatietoets nader worden onderzocht door het BMA van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, aldus de Handleiding.

2.1.2. [appellante] heeft bij haar verzoek om naturalisatie een beroep gedaan op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een geestelijke belemmering, ter staving waarvan zij een verklaring, conform de modelverklaring 2.27, heeft overgelegd, gedateerd 26 februari 2007. In deze verklaring staat dat [appellante] last heeft van psychische klachten, depressiviteit en concentratieproblemen die eraan in de weg staan dat zij het gevraagde niveau van alle onderdelen van de naturalisatietoets kan halen binnen de gestelde termijn van vijf jaren.

De minister heeft het BMA om advies gevraagd, waarna het BMA bij [appellante] neuropsychologisch onderzoek heeft laten verrichten. Volgens dit onderzoek van 14 maart 2008 zijn er geen aanwijzingen dat [appellante] over afwijkende verstandelijke vermogens beschikt. De cognitieve vaardigheden kunnen niet onderbouwd in kaart worden gebracht vanwege fors onderpresteren. Vanuit het onderzoek zijn er geen aanwijzingen dat [appellante] niet in staat zou zijn om Nederlands te leren. In het advies van het BMA van 10 juni 2008, waaraan het onderzoek ten grondslag is gelegd, staat dat [appellante] enige concentratie- en inprentingsproblemen heeft die het leervermogen negatief beïnvloeden, maar dat deze niet dusdanig ernstig zijn dat zij niet in staat zou zijn om Nederlands te leren.

Bij brieven van 12 augustus 2008, 1 september 2008 en 22 september 2008 heeft [appellante] de uitkomsten van het advies van het BMA betwist, waarbij zij het MAI heeft overgelegd. In het MAI staat dat [appellante] op medische gronden niet in staat wordt geacht binnen een termijn van vijf jaren het inburgeringsexamen te halen.

2.1.3. Anders dan [appellante] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het neuropsychologisch onderzoek niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens het rapport dat naar aanleiding van het onderzoek is opgesteld is [appellante] door de onderzoeker gezien en onderzocht en is de verklaring die is opgesteld door de behandelend psycholoog hierbij betrokken. Dat in het MAI een andere conclusie staat omtrent het leervermogen van [appellante] betekent niet dat het neuropsychologisch onderzoek niet zorgvuldig tot stand is gekomen.

Dat het MAI niet is opgesteld met het oog op de naturalisatietoets, maar met het oog op het inburgeringsexamen, dat van toepassing is op naturalisatieverzoeken ingediend na 1 april 2007, betekent niet dat hieraan geen waarde kan worden toegekend, nu [appellante] met de inhoud van het MAI de uitkomst van het advies van het BMA en het daaraan ten grondslag liggende neuropsychologisch onderzoek kan bestrijden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet het MAI in de onderhavige zaak evenwel geen afbreuk aan de uitkomst van het advies van het BMA en het neuropsychologisch onderzoek. Uit het MAI blijkt dat bij het opstellen hiervan het advies van het BMA en het neuropsychologisch onderzoek niet zijn betrokken. Aldus wordt in het MAI hierop niet gereageerd. Bovendien is het MAI gebaseerd op één bezoek van [appellante], waarbij haar echtgenoot het woord heeft gevoerd, en is [appellante] hierbij niet onderzocht.

De klacht faalt.

2.2. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen gewicht kan worden toegekend aan het door [appellante] bij brief van 1 september 2008 overgelegde Sociaal Medisch Advies van 13 december 2007. [appellante] voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij na dit advies is vrijgesteld van het inburgeringstraject, waarin zij na een jaar onderwijs nog geen enkele vordering had gemaakt, hetgeen wordt gestaafd door de door haar in hoger beroep overgelegde verklaring van het Regionaal Opleidingen Centrum Mondriaan.

2.2.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het Sociaal Medisch Advies opgesteld in het kader van een onderzoek naar de geschiktheid van [appellante] tot het verrichten van arbeid en niet in het kader van haar beroep op ontheffing van de naturalisatietoets. Bovendien dateert dit advies van voor de datum van het neuropsychologisch onderzoek en het advies van het BMA. Reeds hierom kan het Sociaal Medisch Advies niet afdoen aan de conclusie van het advies van het BMA en het daaraan ten grondslag liggende neuropsychologisch onderzoek. Uit de omstandigheid dat [appellante] geen vorderingen heeft gemaakt in het inburgeringstracject, kan ten slotte niet worden afgeleid dat zij niet in staat moet worden geacht Nederlands te leren.

De klacht faalt.

2.3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister bij zijn vraagstelling aan het BMA een onjuist criterium heeft gehanteerd, aangezien door de minister slechts is gevraagd of [appellante] wegens haar belemmering blijvend niet in staat kan worden geacht eenvoudig Nederlands te leren schrijven, lezen, spreken en verstaan, waarbij geen termijn van vijf jaren is genoemd en niet is vermeld dat kennis van het Nederlands op niveau 2 is vereist. Voorts is bij het neuropsychologisch onderzoek eveneens uitgegaan van een onjuiste vraagstelling, aldus [appellante].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 juli 2009 in zaak nr. 200807417/1/V6), kan de vraagstelling naar het vermogen van de desbetreffende vreemdeling eenvoudig Nederlands te leren schrijven, lezen, spreken en verstaan, gelet op de inhoud van de naturalisatietoets, niet als onjuist worden aangemerkt. Voorts volgt uit de inhoud van het advies van 10 juni 2008 dat het de arts van het BMA duidelijk was in welk kader het advies werd gevraagd, nu dit, blijkens de aanhef, ziet op het beroep van [appellante] op volledige ontheffing van de naturalisatietoets op medische gronden. Hierbij mag ervan worden uitgegaan dat deze arts op de hoogte was van de onderzoekscriteria die bij dit beroep golden. Voorts was het de onderzoeker die het neuropsychologisch onderzoek heeft verricht eveneens duidelijk in welk kader hij door het BMA is ingeschakeld, aangezien op het voorblad van het rapport is vermeld dat het onderzoek is aangevraagd ter beoordeling van het leervermogen in het kader van de naturalisatie. De onderzoeker heeft bovendien uitsluitend het leervermogen van [appellante] onderzocht, waarna het BMA heeft beoordeeld of [appellante] heeft aangetoond wegens een geestelijke belemmering niet in staat te zijn de naturalisatietoets af te leggen aan de hand van de vereisten die hiervoor gelden.

Het betoog faalt.

2.4. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellante] betoogd dat zij wegens analfabetisme de naturalisatietoets niet kan afleggen. Dit betoog heeft zij niet aan haar beroep op ontheffing van de naturalisatietoets ten grondslag gelegd. Ingevolge de Handleiding, zoals deze gold ten tijde van belang, dient een betrokkene die verzoekt om ontheffing van de naturalisatietoets wegens ongeletterdheid aan te tonen dat hij zich extra heeft ingespannen het vereiste taalniveau van onderdelen van de naturalisatietoets te bereiken, maar daarin niet is geslaagd. Betrokkene is ontheven van de toets, indien hij een verklaring overlegt van een ter zake deskundige, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet meer in staat geacht kan worden het gewenste lees- en schrijfvaardigheidniveau te bereiken, aldus de Handleiding. Nu [appellante] uitsluitend een beroep heeft gedaan op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een geestelijke belemmering, kan het betoog, wat daar verder ook van zij, niet slagen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

523.