Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
201000102/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2008 heeft het college een aanvraag van [appellant] voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000102/1/H3.

Datum uitspraak: 28 juli 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2009 in zaak nr. 08/5323 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2008 heeft het college een aanvraag van [appellant] voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 november 2009, verzonden op 24 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 8 juli 2010 ter zitting aan de orde gesteld. Aldaar is geen van de partijen verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: Regeling) kunnen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt een gehandicaptenparkeerkaart niet afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt - ingeval de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven door het gemeentelijk gezag, bedoeld in artikel 49 van het BABW - het geneeskundig onderzoek verricht door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: GGD) dan wel - bij externe advisering - door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige.

2.2. Aan het besluit van 21 april 2008 tot afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart heeft het college een rapport van 14 april 2008 van een arts van de GGD (hierna: rapport I) ten grondslag gelegd. In rapport I heeft de arts geconcludeerd dat de loopafstand die [appellant] zelfstandig kan overbruggen tussen de 250 en 500 meter bedraagt en dat [appellant] niet continu afhankelijk is van begeleiding. Naar aanleiding van het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 21 april 2008 heeft een verzekeringsarts van de GGD op 8 juli 2008 een uitgebreide medische controle uitgevoerd. Op grond van dit onderzoek en van aanvullende medische gegevens van de huisarts en specialisten is de verzekeringsarts in een nader medisch rapport (hierna: rapport II) tot de conclusie gekomen dat hij geen aanleiding ziet om rapport I te herzien.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de conclusies in rapport I en rapport II onvoldoende heeft weerlegd, omdat de verklaringen van zijn huisarts onvoldoende zijn gemotiveerd. [appellant] voert aan dat zijn huisarts op 9 februari 2009 schriftelijk heeft verklaard dat [appellant] niet verder dan 50 meter kan lopen en op 6 oktober 2009 heeft verklaard dat [appellant] bovendien erg afhankelijk is van begeleiding. Volgens [appellant] kan daarbij niet worden gezegd dat de huisarts zijn standpunt dat hij niet verder kan lopen dan 50 meter niet heeft gemotiveerd, gelet op een eerdere brief van de huisarts van 15 augustus 2008, met daarbij gevoegd specialistenbrieven, gericht aan de arts van de GGD die de uitgebreide medische controle heeft uitgevoerd. Voorts vloeit de conclusie van de huisarts in zijn brief van 6 oktober 2009 volgens [appellant] voort uit diens kennis en ervaring en uit de omstandigheid dat de huisarts hem al geruime tijd onder behandeling heeft en hem goed kent.

 

2.3.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 januari 2010 in zaaknummer 200904478/1/H3) mag het bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de brief van de huisarts van 15 augustus 2008 en diens verklaringen van 9 februari 2009 en 6 oktober 2009 geen aanknopingspunten bieden om aan de rapporten van de GGD artsen te twijfelen. Bij de brief van 15 augustus 2008 zijn weliswaar specialistenbrieven gevoegd, maar ook uit het geheel in samenhang beziend kan geen gemotiveerd standpunt van de huisarts worden afgeleid. Voorts bevatten de verklaringen van de huisarts van 9 februari en 6 oktober 2009 weliswaar de door [appellant] bedoelde standpunten maar deze zijn evenmin nader gemotiveerd. Voorts blijkt hieruit niet waarom de rapporten van de GGD artsen ondeugdelijk zouden zijn.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

312-671.