Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2656

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
201000643/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 12 oktober 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [bedrijf] boetes opgelegd van totaal € 312.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000643/1/V6.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1] als rechtsopvolger van [bedrijf], gevestigd te [plaats],

2. de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 8 december 2009 in zaak nr. 07/3755 in het geding tussen:

[bedrijf]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 12 oktober 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [bedrijf] boetes opgelegd van totaal € 312.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door [bedrijf] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [bedrijf] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2010, en de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2010, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 16 februari 2010. De minister heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 17 februari 2010. Deze brieven zijn aangehecht.

[appellante sub 1] en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2010, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. W.D. Kootstra, advocaat te Amsterdam, en mr. D.P.L. Poelman, werkzaam bij [appellante sub 1], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Muiswinkel, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 256) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge het tweede lid is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. De onderscheiden op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (hierna: de inspecteurs) opgemaakte boeterapporten van 13 maart 2006, aangevuld bij rapport van 7 juli 2006 (hierna: de boeterapporten), houden in dat 39 vreemdelingen (hierna: de vreemdelingen) voor [appellante sub 1], werkzaamheden hebben verricht als bezorger van dagbladen, zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. De boeterapporten houden voorts in dat de naamloze vennootschap N.V. Holdingmaatschappij De Telegraaf (hierna: de Telegraaf) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Financieele Dagblad B.V. (hierna: het FD) aan [appellante sub 1] de opdracht hebben gegeven om de dagbladen te verspreiden en [appellante sub 1] hiervoor gebruik heeft gemaakt van een netwerk van lokale distributeurs die vervolgens de vreemdelingen hebben ingeschakeld.

Ten aanzien van de bevoegdheid tot boeteoplegging

2.3. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij als feitelijk werknemer van de vreemdelingen kon worden aangemerkt en verantwoordelijk was voor het beschikken over tewerkstellingsvergunningen voor de vreemdelingen. [appellante sub 1] voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat - samengevat weergegeven - er geen enkele basis is om haar op grond van de Wav als werkgever aan te merken, nu zij de huis-aan-huis bezorging van dagbladen, door [appellante sub 1] aangeduid als fijndistributie, volledig heeft uitbesteed aan een groot aantal lokale distributeurs in het land en nimmer zelf bezorgactiviteiten heeft verricht. De lokale distributeurs, die niet in dienst zijn van [appellante sub 1], maar werken op basis van overeenkomsten van opdracht, sturen de bezorgers aan. De activiteiten van [appellante sub 1] bestaan uitsluitend uit het transport van de dagbladen van de drukkerij naar een aantal overslagpunten in het land, van waaruit deze naar de lokale distributeurs worden vervoerd. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de fijndistributie van dagbladen is aan te merken als een bedrijfseigen activiteit van [appellante sub 1], waarbij de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste opvatting over wat onder bedrijfseigen activiteiten moet worden verstaan, aldus [appellante sub 1].

2.3.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) volgt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 5, blz. 2).

2.3.2. De stelling van [appellante sub 1] dat zij zich slechts bezighoudt met het transport van de dagbladen van de drukkerij naar een aantal overslagpunten in het land, vindt geen steun in de stukken.

In de bij de boeterapporten gevoegde verklaring van de bestuurder van [appellante sub 1], [bestuurder], staat dat [appellante sub 1] opdracht heeft gekregen van de Telegraaf en het FD om de dagbladen te verspreiden. De lokale distributeurs zijn verantwoordelijk voor het bezorgen van de dagbladen. [appellante sub 1] heeft rayonmanagers in dienst die de lokale distributeurs adviseren, begeleiden en in overleg met de lokale distributeurs grenzen van de wijk vaststellen en de vergoedingen voor de bezorgers bepalen. Ten slotte volgt uit de verklaring dat [appellante sub 1] waar nodig de panden voor de lokale distributeurs huurt. Uit de bij de boeterapporten gevoegde verklaringen van de lokale distributeurs volgt dat zij zich beschouwen als werknemers van [appellante sub 1], dat [appellante sub 1] de betaling van de bezorgers regelt, dat [appellante sub 1] de sociale premies en belastingen voor de bezorgers inhoudt en afdraagt, dat [appellante sub 1] de administratie van de lokale distributeurs controleert en dat de lokale distributeurs verantwoording moeten afleggen aan de rayonmanagers.

Onder deze omstandigheden hebben de vreemdelingen de bezorging van de dagbladen mede ten dienste van [appellante sub 1] verricht. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante sub 1] werkgever in de zin van de Wav is van de vreemdelingen en dat de minister bevoegd was [appellante sub 1] een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van die wet. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de fijndistributie van dagbladen behoort tot de bedrijfseigen activiteiten van [appellante sub 1] en daarbij is uitgegaan van een onjuiste opvatting over wat onder dergelijke activiteiten moet worden verstaan, kan onbesproken blijven, aangezien dit betoog in het licht van het vorenstaande niet kan leiden tot het ermee beoogde doel.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante sub 1] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het werkgeversbegrip in de Wav onvoldoende is begrensd, waardoor het voor de burger niet duidelijk is welke gedragingen tot boeteoplegging leiden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 maart 2010 in zaak nr. 200903394/1/V6), is hetgeen al dan niet is verboden in de artikelen 1 en 2 van de Wav voldoende afgebakend. Van strijd met het zogeheten lex certa-beginsel is dan ook geen sprake.

Ten aanzien van de evenredigheid

2.5. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van [appellante sub 1], nu zij middels een vademecum aan de lokale distributeurs richtlijnen en instructies heeft gegeven over de controle van vreemdelingendocumenten. De minister voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de verklaringen van de lokale distributeurs blijkt dat zij voorafgaand aan de controles nimmer instructies hebben ontvangen van [appellante sub 1]. Bovendien volgt uit de verklaring van [bestuurder] dat [appellante sub 1] de verantwoordelijkheid voor het controleren van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen volledig bij de lokale distributeurs heeft gelegd, terwijl [appellante sub 1] hier ook een eigen verantwoordelijkheid heeft, aldus de minister.

Voorts heeft de rechtbank volgens de minister ten onrechte overwogen dat ten aanzien van 22 vreemdelingen niet valt uit te sluiten dat controle van de identiteitsbewijzen heeft plaatsgevonden, waardoor een verdere matiging van de voor de tewerkstelling van deze vreemdelingen opgelegde boetes is aangewezen.

2.5.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr. 200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr. 200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr. 200900632/1/V6) vloeit het volgende voort.

De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen. Gelet op de aard van het te nemen besluit zal de minister bij de besluitvorming in het concrete geval echter ook het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht dienen te nemen. Dit betekent dat de minister zich bij het vaststellen van de hoogte van een boete moet afvragen of de uit de boetenormbedragen voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot de omstandigheden van het geval behoren in ieder geval de aard en de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het toepassen van het boetenormbedrag niet evenredig is, is matiging van dit bedrag passend en geboden.

Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), dat op het opleggen van boete als waarom het hier gaat van toepassing is, brengt met zich dat de rechter zonder terughoudendheid dient te toetsen of de door de minister in het concrete geval opgelegde boete in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.

Indien de rechter van oordeel is dat dit niet het geval is en hij op die grond het besluit vernietigt, neemt hij bij het zelf bepalen van de hoogte van de boete de boetenormbedragen eveneens als uitgangspunt.

2.5.2. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 12 maart 2008 heeft overwogen, wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.5.3. Volgens de verklaring van [bestuurder] heeft [appellante sub 1] een vademecum waarin uitgebreid staat wat de lokale distributeurs dienen te controleren. Iedere distributeur zou het vademecum moeten hebben ontvangen. De lokale distributeurs zijn echter niet verplicht het vademecum te volgen, als zij niets doen is dit hun eigen verantwoordelijkheid. Uit de verklaringen van de lokale distributeurs volgt dat zij het vademecum eerst zeer kort voorafgaand of pas na de controle van de inspecteurs hebben ontvangen. Een aantal lokale distributeurs heeft niet verklaard het vademecum dan wel andere instructies van [appellante sub 1] te hebben ontvangen. Voorts volgt uit de verklaringen van de lokale distributeurs dat niet stelselmatig de identiteitsdocumenten van nieuwe bezorgers werden gecontroleerd. Ten slotte volgt uit de verklaringen van de lokale distributeurs dat kopieën van de identiteitsbewijzen van de vreemdelingen niet werden doorgestuurd naar [appellante sub 1].

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr. 200701639/1; www.raadvanstate.nl) is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Zoals de minister terecht betoogt, volgt uit de verklaringen van [bestuurder] en de lokale bezorgers dat [appellante sub 1] de verantwoordelijkheid voor het controleren van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen volledig bij de lokale distributeurs heeft gelegd. Door [appellante sub 1] zijn geen maatregelen getroffen om de overtredingen te voorkomen, noch heeft zij contractueel bedongen dat de bezorging van de dagbladen dient te geschieden in overeenstemming met de Wav. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het vademecum hiertoe onvoldoende, nu de lokale distributeurs hebben verklaard dit eerst vlak voorafgaand aan ofwel na de controle door de inspecteurs te hebben ontvangen en zij bovendien volgens de verklaring van [bestuurder] niet verplicht waren te handelen conform dit vademecum. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van [appellante sub 1]. Dat niet valt uit te sluiten dat de lokale distributeurs voorafgaand aan de werkzaamheden de identiteitsbewijzen van 22 vreemdelingen hebben gecontroleerd, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheid, wat hier verder ook van zij, laat immers onverlet dat [appellante sub 1] de lokale distributeurs hiertoe niet heeft verplicht en zij ook anderszins op geen enkele wijze heeft voldaan aan haar eigen verantwoordelijkheid om na te gaan of bij de bezorging van de dagbladen de Wav wordt nageleefd. Voor dit oordeel is temeer grond nu uit de verklaringen van twee lokale distributeurs volgt dat zij, ondanks de mededeling van de inspecteurs dat de vreemdelingen niet waren gerechtigd de werkzaamheden te verrichten, van [appellante sub 1] de opdracht hebben gekregen hen door te laten gaan met de bezorging van de dagbladen totdat voor vervanging is gezorgd.

Dat de minister in een besluit op bezwaar van 10 november 2008 in een andere zaak zelf tot matiging van de opgelegde boete is overgegaan omdat niet kon worden uitgesloten dat de desbetreffende distributeur enige controle op de identiteit van de vreemdeling heeft uitgevoerd, leidt ten slotte in de onderhavige zaak niet tot het oordeel dat de boete dient te worden gematigd. Uit het desbetreffende besluit op bezwaar volgt dat de opdrachtgever verregaande maatregelen had getroffen om ervoor te zorgen dat de distributeur het identiteitsdocument van de vreemdeling op echtheid controleerde, zodat van gelijkheid met de onderhavige zaak geen sprake is.

Het betoog slaagt.

2.6. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een situatie waarbij de verwijtbaarheid bij [appellante sub 1] volledig ontbreekt. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellante sub 1] niet onderkend dat de hoogte van de opgelegde boete in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. [appellante sub 1] voert hiertoe aan dat zij de vreemdelingen niet direct de opdracht heeft gegeven de dagbladen te bezorgen waardoor haar overtreding minder ernstig is dan die van de lokale distributeurs. Bovendien betroffen de werkzaamheden van de vreemdelingen incidentele werkzaamheden en heeft zij hiervan geen financieel of ander voordeel genoten, aldus [appellante sub 1].

2.6.1. Gelet op hetgeen in 2.5.3. is overwogen, wordt [appellante sub 1] niet gevolgd in haar betoog dat van verwijtbaarheid aan haar zijde geen sprake is. Dat [appellante sub 1] een andere plaats in de keten heeft dan de lokale distributeurs en de vreemdelingen niet direct de opdracht heeft gegeven de dagbladen te bezorgen, maakt de overtredingen op zich niet minder ernstig. Nu, zoals in 2.3.2 is overwogen, [appellante sub 1] de betaling van de bezorgers regelt, de sociale premies en belastingen voor de bezorgers inhoudt en afdraagt, de administratie van de lokale distributeurs controleert en de lokale distributeurs verantwoording moeten afleggen aan de rayonmanagers van [appellante sub 1], bestaat bovendien geen grond voor het oordeel dat [appellante sub 1] een minder groot aandeel in de tewerkstelling van de vreemdelingen heeft gehad dan de lokale distributeurs. De stelling dat de vreemdelingen slechts incidentele werkzaamheden hebben verricht, vindt voorts geen steun in de verklaringen van de lokale distributeurs. In de door de vreemdelingen afgelegde verklaringen staat bovendien dat de meeste van hen reeds een aantal maanden en een aantal zelfs al meerdere jaren kranten voor [appellante sub 1] bezorgden. Dat [appellante sub 1] van de overtreding geen financieel voordeel heeft genoten, vormt ten slotte, wat daarvan ook zij, geen omstandigheid die tot matiging van de opgelegde boete noopt, reeds omdat deze omstandigheid geen afbreuk doet aan de ernst en de verwijtbaarheid van de overtredingen en de met de Wav beoogde doelstellingen.

Het betoog faalt.

2.7. [appellante sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister bij het opleggen van de boetes niet onzorgvuldig heeft gehandeld. [appellante sub 1] betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister bij het opleggen van de boetes heeft gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door de lokale distributeurs niet en [appellante sub 1] wel een boete op te leggen, haar niet direct na de eerste controle op de hoogte te stellen van de overtredingen zodat [appellante sub 1] maatregelen kon nemen ter voorkoming van verdere overtredingen en niet aan te geven welke inspanningen van [appellante sub 1] werden verlangd.

2.7.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het aan de minister om te bepalen op welke wijze de doelstellingen van de Wav worden behaald. Voorts is het aan de minister om te bepalen aan wie een boete wordt opgelegd. Dat aan de lokale distributeurs geen boete is opgelegd, betekent niet dat het opleggen van een boete aan [appellante sub 1] in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft [appellante sub 1] een eigen verantwoordelijkheid om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Wav. Bovendien heeft de minister ter zitting bij de Afdeling verklaard dat hij de lokale distributeurs voor de toepassing van de Wav heeft beschouwd als werknemers van [appellante sub 1] en zij derhalve om die reden niet apart zijn beboet. Dat de minister [appellante sub 1] niet direct op de hoogte heeft gesteld van de overtredingen van de Wav en niet heeft aangegeven welke inspanningen van [appellante sub 1] werden verlangd ter voorkoming van de overtredingen, leidt evenmin tot het oordeel dat de minister bij het opleggen van de boetes onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit de stukken blijkt dat de minister al vanaf 2001 met de Nederlandse dagbladpers in gesprek is geweest over illegale tewerkstelling en uit de verklaring van [bestuurder] volgt dat voorafgaand aan de contoles op 15 maart 2005 er een gesprek is geweest met de inspecteurs. Anders dan [appellante sub 1] betoogt, is derhalve geen sprake van de situatie waarbij zij niet in staat was maatregelen te treffen ter voorkoming van overtreding van de Wav. Bovendien is [appellante sub 1] zelf verantwoordelijk voor de naleving van de Wav, waaraan het al dan niet nalaten van de minister informatie omtrent de overtredingen te verschaffen niet afdoet.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van de redelijke termijn

2.8. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de redelijke termijn is aangevangen op de dag van het gehoor van [bestuurder] op 24 oktober 2005. De minister voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [appellante sub 1] eerst aan de onderscheiden boetekennisgevingen van 7 augustus 2006 in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat een boete zou worden opgelegd.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200900175/1/V6) wordt in de regel eerst met de in artikel 19 van de Wav bedoelde kennisgeving van de boete jegens de beboete een handeling verricht waaraan deze de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. In de grote meerderheid van de gevallen zal derhalve de dag waarop deze kennisgeving wordt gedaan, gelden als het tijdstip waarop de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM een aanvang neemt. Zoals ook tot uitdrukking is gebracht in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav (Kamerstukken II 2003/04, 23 523, nr. 3, blz. 14) valt evenwel niet uit te sluiten dat in een concreet geval sprake is van specifieke omstandigheden waarbij, in afwijking van voormeld uitgangspunt, reeds voordat de boetekennisgeving wordt gedaan, jegens de beboete een concrete handeling wordt verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd.

Aangezien [appellante sub 1] eerst aan de onderscheiden boetekennisgevingen van 7 augustus 2006 in dit geval in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat haar een boete zou worden opgelegd, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM op dat moment aangevangen.

Het betoog slaagt.

2.8.2. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het totale boetebedrag met slechts € 5000 heeft gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Voorts betoogt [appellante sub 1] dat de rechtbank de Staat had dienen te veroordelen tot het vergoeden van de door haar geleden schade als gevolg van de schending van artikel 6 van het EVRM.

2.8.3. De rechtbank heeft op 8 december 2009 uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM met meer dan zes maanden overschreden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 7 april 2010, in zaak nr. 200905616/1/V6, ligt bij een zodanige overschrijding een vermindering van de onderscheiden, opgelegde boetes met 10%, met een maximum van € 2.500,00, in de rede. Naast deze vermindering is voor schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn geen plaats.

Het betoog slaagt voor wat betreft de vermindering van de boetes en faalt voor het overige.

Ten aanzien van de hoger beroepen van [appellante sub 1] en de minister

2.9. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2007 alsnog gegrond verklaren. Aan [appellante sub 1] zijn bij onderscheiden besluiten van 12 oktober 2006 boetes opgelegd van € 56.000,00, € 96.000,00, € 88.000,00, € 32.000,00, € 8.000,00, € 8.000,00 en € 24.000,00. Gelet op hetgeen in 2.8.3 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om in het belang van een effectieve rechtsbescherming en uit oogpunt van finale geschillenbeslechting met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, onder herroeping van de besluiten van 12 oktober 2006, de bedragen van deze boetes vast te stellen op respectievelijk € 53.500,00, € 93.500,00, € 85.500,00, € 29.500,00, € 7.200,00, € 7.200,00 en € 21.600,00, totaal € 298.000,00 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 31 augustus 2007.

2.10. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2009 in zaak nr. 07/3755;

III. verklaart het in die zaak bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 31 augustus 2007, kenmerk AI/JZ/2006/87555-87826-87827-87830-87833-87836-87838/BOB;

V. herroept de besluiten van 12 oktober 2006, met kenmerken 070601211/03, 070601155/03, 070601189/03, 070601192/03, 070601199/03, 070601185/03 en 070601186/04;

VI. bepaalt dat het totaalbedrag van de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 1] B.V. opgelegde boetes wordt vastgesteld op € 298.000,00 (zegge: tweehonderdachtennegentigduizend euro);

VII. bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 827,55 (zegge: achthonderdzevenentwintig euro en vijfenvijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 732,00 (zegge: zevenhonderdtweeëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Schaaf

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

523.