Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
200909371/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing en een lichte bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van de woning aan de achterzijde en het bebouwen van de overkapping op het perceel [locatie] te Oudewater (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/671
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909371/1/H1.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oudewater,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 5 november 2009 in zaak nrs. 09/2467 en 09/2468 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oudewater.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] ontheffing en een lichte bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van de woning aan de achterzijde en het bebouwen van de overkapping op het perceel [locatie] te Oudewater (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college dit besluit ingetrokken en de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning opnieuw geweigerd.

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 23 juni 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten.

Bij uitspraak van 5 november 2009, verzonden op 10 november 2009, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.G.A. de Boer, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.P.W. van den Berg en P.R. Schoemaker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het dichtbouwen van een aan de woning gerealiseerde buitenruimte door het plaatsen van twee muren en het vernieuwen van het dak waarbij het bestaande dak zal worden aangesloten op een reeds bestaande muur.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende "Bestemmingsplan Kern Oudewater" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden van het perceel de bestemming "Erven".

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften, mogen op de voor "Erven" aangewezen gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. bijgebouwen en aan- en uitbouwen;

b. overkappingen;

c. andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 4, derde lid, onder a., mag het gezamenlijke grondoppervlak van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 40% van de bij het hoofdgebouw behorende gronden met de bestemming Tuinen en Erven bedragen, met een maximum van 50 m².

Ingevolge artikel 4, derde lid, onder c., mag de in lid a. genoemde 50 m² worden vermeerderd met 10% van de oppervlakte dat het erf groter is dan 100 m², tot ten hoogste 75 m².

Ingevolge artikel 33, vijfde lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, mogen bouwwerken, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat van rechtswege een bouwvergunning is verleend, nu het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en er niet tijdig is besloten op de aanvraag. [appellant] voert daartoe aan dat op de bestemming "Erven" aanbouwen zijn toegestaan en dat het maximaal toegestane bebouwde oppervlak niet wordt overschreden, nu de aanbouw niet leidt tot een uitbreiding van het bebouwde oppervlak met aan- en uitbouwen en bijgebouwen, omdat volgens hem de aanbouw feitelijk al onderdeel uitmaakte van de woning zoals die in 1995 is vergund.

2.3.1. Dit betoog faalt. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de woning met een aanbouw. Het college heeft terecht overwogen dat met deze uitbreiding het maximaal toegestane bebouwde oppervlak aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen op het perceel van 75 m² verder wordt overschreden. Anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, dient de bestaande schuur op de bestemming "Erven" te worden meegerekend bij het bebouwde oppervlak nu deze, zo is ook door [appellant] ter zitting bevestigd, ten tijde van het besluit op bezwaar op het perceel aanwezig was. De omstandigheid dat, zoals [appellant] stelt, er ter plaatse van het in het bouwplan voorziene bouwwerk reeds met bouwvergunning een buitenruimte aan de woning aanwezig was, is - nog daargelaten of deze als aanbouw kan worden gekwalificeerd - niet relevant, nu het hier gaat om de beoordeling van een nieuw bouwplan, dat getoetst dient te worden aan het huidige bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat om deze reden niet van rechtswege bouwvergunning is verleend.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat voor het bouwplan van rechtswege een lichte bouwvergunning is verleend, nu het bouwplan valt onder de overgangsbepaling in artikel 33, vijfde lid, van de planvoorschriften. Hij voert hiertoe aan dat in 1995 bouwvergunning is verleend voor de bouw van de woning als geheel en derhalve ook voor de toen reeds als aanbouw aanwezige buitenruimte. Het bouwplan wijzigt volgens [appellant] de oppervlakte noch het gebruik van de bedoelde aanbouw, zodat het overgangsrecht volgens hem van toepassing is.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200705823/1) kan een relevante wijziging in het beoogde gebruik tot gevolg hebben dat een grotere afwijking van het bestemmingsplan ontstaat. De door [appellant] beoogde aanbouw strekt tot een voor het bouwovergangsrecht relevante wijziging van het gebruik. De aanbouw zal, anders dan de in 1995 vergunde buitenruimte, worden gebruikt als wasruimte en kan daarnaast gedurende het hele jaar door worden gebruikt. Het bouwplan leidt tot een intensivering van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik en heeft derhalve een grotere afwijking van het bestemmingsplan dan de bestaande afwijking tot gevolg. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat, mocht het betoog dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan niet worden gevolgd, het college in redelijkheid vrijstelling had kunnen en moeten verlenen voor het bouwplan. Volgens [appellant] is de voorzieningenrechter ten onrechte niet ingegaan op het betoog dat het college voor de weigering geen ruimtelijke argumenten naar voren heeft gebracht. Daarnaast stelt [appellant] dat indien de belangen deugdelijk waren afgewogen, vrijstelling had moeten worden verleend. Ook had het college kunnen anticiperen op de verruimde bouwmogelijkheden die de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) zal bieden.

2.5.1. De beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen dan wel te weigeren, heeft kunnen komen.

2.5.2. Anders dan [appellant] stelt, is de voorzieningenrechter ingegaan op het betoog dat het college voor de weigering van de vrijstelling geen ruimtelijke argumenten naar voren heeft gebracht. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen weigeren, nu het bouwplan leidt tot een verdere toename van de bebouwde oppervlakte met aan- en uitbouwen en bijgebouwen op het perceel, terwijl die oppervlakte de maximaal toegestane oppervlakte zonder het bouwplan al ruimschoots overschrijdt. Ter zitting heeft het college in dit kader uiteengezet dat in artikel 4, derde lid, en artikel 29, eerste lid, van het recent vastgestelde bestemmingsplan reeds de mogelijkheid is opgenomen om op grote percelen meer grondoppervlak aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen neer te zetten en het niet bereid is deze mogelijkheden nog verder uit te breiden. Voor zover is betoogd dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verruimde bouwmogelijkheden van de Wabo wordt overwogen dat ten tijde van het besluit op bezwaar deze wet niet in werking was getreden en omtrent de inhoud daarvan ook nog geen zekerheid bestond, zodat het college daarmee geen rekening hoefde te houden.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

414-640.