Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
201000046/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning voor het plaatsen van een blokhut op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000046/1/H1.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Grootegast,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 26 november 2009 in zaak nrs. 09/1032 en 09/920 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Grootegast.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning voor het plaatsen van een blokhut op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verlenen.

Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2009, verzonden op 30 november 2009, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2010, waar [appellant], in persoon, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. G.H. Poort-Van Drempt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte uitspraak heeft gedaan in het bodemgeschil. Hij voert aan dat er tijdens de procedure bij de rechtbank onvoldoende gelegenheid is geweest om verweer te voeren nu bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening de indruk is gewekt dat de uitspraak in de hoofdzaak niet tezamen met de uitspraak op het verzoek zou worden gedaan.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de voorzieningenrechter, indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat nader onderzoek redelijkerwijze niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Nu de voorzieningenrechter partijen in de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid heeft gewezen en partijen zich daarop derhalve hebben kunnen voorbereiden, bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter van die bevoegdheid geen gebruik mocht maken.

Het betoog faalt.

2.2. Gelet op het verhandelde ter zitting, moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] in hoger beroep eveneens beoogt te betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college in redelijkheid vrijstelling niet heeft kunnen weigeren.

2.2.1. Niet in geschil is dat het bouwplan, dat voorziet in het oprichten van de blokhut van 93,5 m2 op het perceel, in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Grootegast Buitengebied 1e fase" op het perceel rustende bestemming "Agrarische bedrijfsbebouwing", nu [appellant] voornemens is de blokhut te gebruiken ten behoeve van zijn handelsonderneming.

Vaststaat dat met realisering van het bouwplan de totale oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel ongeveer 475 m2 bedraagt, terwijl volgens de beleidsnota "Vrijkomende agrarische bebouwing", die de toepasselijke beleidsregels bevat en waaraan het college het bouwplan heeft getoetst, niet meer dan 130 m2 aan bijgebouwen kan worden opgericht. De omstandigheid dat aan [appellant] in 2004 een bouwvergunning is verleend voor een aanbouw met ongeveer dezelfde afmetingen aan zijn woning, brengt niet met zich dat het college thans niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor een bijgebouw ten behoeve van de handelsonderneming van [appellant]. Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

 

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

414-669.