Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
200909271/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2008, voor zover thans van belang, heeft het college zijn beslissing van 3 juni 2008 tot het onmiddellijk toepassen van bestuursdwang door het ontmantelen van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Tilburg (hierna: het pand) op schrift gesteld en aan [appellant] kenbaar gemaakt. Daarbij heeft het college besloten dat de kosten voor toepassing van bestuursdwang op hem worden verhaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/301 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909271/1/H3.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 oktober 2009 in zaak nr. 09/753 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2008, voor zover thans van belang, heeft het college zijn beslissing van 3 juni 2008 tot het onmiddellijk toepassen van bestuursdwang door het ontmantelen van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Tilburg (hierna: het pand) op schrift gesteld en aan [appellant] kenbaar gemaakt. Daarbij heeft het college besloten dat de kosten voor toepassing van bestuursdwang op hem worden verhaald.

Bij besluit van 30 december 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2009, verzonden op 27 oktober 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D.A.C. Janssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.D.A. Dellevoet, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Ingevolge artikel 6:4, eerste lid, geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c en d, voor zover thans van belang, wordt het bezwaarschrift ondertekend en bevat het ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden van het bezwaar.

2.2. Bij besluit van 30 december 2008 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig bij het college is ingediend en niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Uit een op 28 juli 2008 aan GGN Gerechtsdeurwaarders (hierna: GGN) gerichte brief blijkt niet dat [appellant] heeft bedoeld bezwaar te maken tegen het besluit van 26 juni 2008, aldus het college.

2.3. In een brief van 28 juli 2008 aan GGN heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat de gemeente Tilburg ten onrechte de kosten voor de toepassing van bestuursdwang op hem verhaalt, omdat hij als eigenaar niet op de hoogte was van de illegale activiteiten die door de huurder in het pand werden verricht. Hij heeft daarin verder gesteld dat hij de huurovereenkomst direct heeft opgezegd, nadat hij daarvan op de hoogte was geraakt. GGN heeft deze brief aan het college doorgezonden.

Naar aanleiding van deze doorgezonden brief heeft het college bij brief van 1 augustus 2008 [appellant] gewezen op het feit dat als hij het niet eens is met het besluit van 26 juni 2008 hij daartegen bij het college en niet bij GGN bezwaar dient te maken.

Bij brief van 12 augustus 2008, bij het college binnengekomen op 18 augustus 2008, heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 juni 2008.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aan GGN gerichte brief van 28 juli 2008 op goede gronden niet als bezwaarschrift heeft aangemerkt. Dat hij daarmee wel bezwaar heeft gemaakt volgt volgens hem uit de inhoud van die brief, waarin hij betoogt dat de gemeente Tilburg ten onrechte de kosten op hem verhaalt, en het feit dat in de brief bij onderwerp staat: Gemeente Tilburg versus [appellant]. Verder vormt de omstandigheid dat GGN de brief aan het college heeft doorgezonden een indicatie dat GGN deze brief als bezwaarschrift heeft aangemerkt, aldus [appellant]. Ten slotte kan uit de brief van 1 augustus 2008 worden afgeleid dat het het college duidelijk was dat hij zich niet kon verenigen met besluit van 26 juni 2008. Het college kon derhalve weten dat het zijn bedoeling was met de brief van 28 juli 2008 bezwaar te maken.

Verder betoogt [appellant] ten aanzien van het bezwaarschrift dat op 18 augustus 2008 bij het college is binnengekomen, dat de rechtbank, gelet op de omstandigheid dat mede door toedoen van het college hem eerst na het verstrijken van de bezwaartermijn duidelijk is geworden welke procedure hij diende te volgen, ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

2.4.1. Het betoog slaagt. In het besluit van 26 juni 2008 staat onder punt drie onder meer vermeld dat de met de bestuursdwang gepaard gaande kosten op [appellant] zullen worden verhaald. In de brief van 28 juli 2008 heeft [appellant] onder meer gesteld dat hij als verhuurder van het pand geheel te goeder trouw heeft gehandeld en dat het daarom onterecht is dat de gemeente Tilburg de kosten van de toepassing van bestuursdwang op hem verhaalt. Hieruit valt geen andere conclusie te trekken dan dat, hoewel [appellant] het besluit van 26 juni 2008 niet expliciet in de brief van 28 juli 2008 heeft genoemd, hij zich niet met het daarin aangezegde kostenverhaal kan verenigen. Het college heeft de brief van 28 juli 2008 ten onrechte niet als bezwaarschrift aangemerkt.

2.4.2. Niet in geschil is dat het besluit van 26 juni 2008 diezelfde dag op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Awb eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 7 augustus 2008.

GGN heeft het ingediende bezwaarschrift op 30 juli 2008 ontvangen en aan het college doorgezonden. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingediend. Gelet daarop heeft het college [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4.3. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd geen bespreking.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 30 december 2008 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 oktober 2009 in zaak nr. 09/753;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 30 december 2008;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan M. [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

307-591.