Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
200908548/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2008 heeft de Belastingdienst aan [appellante] een tegemoetkoming huurtoeslag voor het jaar 2006 toegekend van €1.827, alsmede een bedrag van €498 van [appellante] teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908548/1/H2.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 juni 2009 in zaak nr. 09/17 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2008 heeft de Belastingdienst aan [appellante] een tegemoetkoming huurtoeslag voor het jaar 2006 toegekend van €1.827, alsmede een bedrag van €498 van [appellante] teruggevorderd.

Bij besluit van 1 december 2008 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2009, verzonden op 17 juni 2009, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 10 juli 2009, en, na doorzending, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 december 2009.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, worden, indien voorschotten zijn verleend, deze verrekend met de tegemoetkoming.

Ingevolge het derde lid kan de in het tweede lid bedoelde verrekening leiden tot een terug te vorderen bedrag.

2.2. De Belastingdienst heeft op aanvraag van [appellante] een voorschot huurtoeslag over 2006 verleend van €1.826. Bij besluit van 30 mei 2007 heeft de Belastingdienst dit voorschot herzien en vastgesteld op €2.325, waarbij, naar de Belastingdienst nadien ook is gebleken, is uitgegaan van onjuiste gegevens. Bij besluit van 25 juli 2008 heeft de Belastingdienst definitief aan [appellante] een tegemoetkoming van €1.827 toegekend en is een bedrag van €498, dat ten onrechte aan voorschot is betaald, van [appellante] teruggevorderd.

2.3. [appellante] betwist niet dat zij voor het jaar 2006 recht had op €1.827 aan huurtoeslag en dat haar €498 teveel is uitbetaald. Zij betoogt evenwel dat het teveel betaalde bedrag niet op basis van het publiekrecht kan worden teruggevorderd en dat de rechtbank heeft miskend dat dit bedrag uitsluitend teruggevorderd kan worden in een privaatrechtelijke procedure, aangezien het een onverschuldigde betaling betreft. Zij verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad van 21 augustus 1996 (LJN AA1702) en een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 december 2007 (LJN BC0656).

2.3.1. [appellante] heeft een aanvraag huurtoeslag 2006 ingediend en daarop is haar een voorschot is verleend. De Belastingdienst zag vervolgens ambtshalve, achteraf bezien ten onrechte, aanleiding om het voorschot te herzien. Dat deze herziening heeft geleid tot een onjuist voorschot, doet niet af aan de bevoegdheid tot herziening daarvan, als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Awir. De Belastingdienst was voorts bevoegd bij de toekenning van de tegemoetkoming van het juiste bedrag uit te gaan en krachtens artikel 24, tweede lid, van de Awir tot een verrekening over te gaan. Dat de verrekening van het onjuiste voorschot het gevolg is geweest van de foutieve herziening door de Belastingdienst, maakt dat niet anders. Het standpunt van [appellante] dat artikel 16 van de Awir niet ziet op herziening van een voorschot vanwege een door de Belastingdienst gemaakte fout, kan niet worden gevolgd.

Nu ingevolge artikel 24, derde lid, de verrekening kan leiden tot een terug te vorderen bedrag, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Belastingdienst van het reeds betaalde voorschot het ten onrechte betaalde deel kon terugvorderen. De door [appellante] aangehaalde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat, anders dan in de zaak van [appellante], geen aanvraag om huurtoeslag ten grondslag lag aan de in die uitspraken in geding zijnde besluiten.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt tenslotte dat de rechtbank buiten het omvang van het geschil is getreden door te overwegen dat aan verlening van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op huurtoeslag bestaat, terwijl zij geen beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft uit de aangevoerde beroepsgronden, waarin [appellante] heeft erkend dat haar een te hoog voorschot was toegekend, mogen afleiden dat zij daarmee een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen. De rechtbank heeft in dat verband mogen overwegen dat het verleende voorschot en de herziening daarvan geen definitief karakter heeft, zodat [appellante] daaraan geen aanspraak kan ontlenen. Anders dan [appellante] betoogt, is de rechtbank hiermee niet buiten het geschil getreden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

47-658.