Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
200907130/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft de raad geweigerd aan [appellante] een definitieve toevoeging voor rechtsbijstand te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907130/1/H2.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 augustus 2009 in zaak nr. 09/1516 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand Arnhem (hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft de raad geweigerd aan [appellante] een definitieve toevoeging voor rechtsbijstand te verlenen.

Bij besluit van 24 februari 2009 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2009, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij het Centraal kantoor van de raad te Utrecht, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel IV, eerste lid, van de wet van 22 december 2005 tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand houdende aanpassing van het inkomens- en vermogensbegrip aan het fiscale inkomens- en vermogensbegrip is het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing op aanvragen om een toevoeging, die door de raad zijn ontvangen voor inwerkingtreding van deze wet.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), zoals deze wet destijds gold en voor zover hier van belang, verleent de raad een voorwaardelijke toevoeging, indien de aanvraag om verlening betrekking heeft op een aanmerkelijk financieel belang.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, verleent de raad geen definitieve toevoeging indien op het moment van beëindiging van de zaak waarvoor een voorwaardelijke toevoeging is verleend, blijkt dat de financiële draagkracht van de aanvrager zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt. Onder de toegenomen financiële draagkracht wordt mede verstaan de toename van de liquide middelen van de rechtzoekende.

Ingevolge artikel 34, tweede lid wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste € 7.300 indien hij alleenstaand is, dan wel van ten minste € 10.500 in overige gevallen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand wordt voor de vaststelling van het vermogen van de rechtzoekende uitgegaan van de toestand zoals deze is op het tijdstip van de aanvraag om verlening van rechtsbijstand wordt ingediend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: het Bdr) worden voor de vaststelling van het vermogen als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemingsvermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van de raad, voor zover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, worden voor de vaststelling van het vermogen als schulden in aanmerking genomen: schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende.

Ter nadere invulling van zijn in onder meer artikel 31 van de Wrb neergelegde bevoegdheid heeft de raad beleidsregels vastgesteld die zijn neergelegd in het Handboek Toevoegen, uitgave mei 2004 (hierna: het Handboek).

Volgens paragraaf 2.31.1 van het Handboek, voor zover thans van belang, is voorwaarde voor toepassing van de voorwaardelijke toevoeging dat het financiële belang, vermeerderd met het inkomen respectievelijk het vermogen van aanvrager ten tijde van de aanvraag om rechtsbijstand, de maximum inkomens- respectievelijk vermogensnorm overschrijdt.

2.2. De raad heeft bij besluit van 6 juni 2005 aan [appellante] een voorwaardelijke toevoeging verleend ter zake van een boedelscheidingsprocedure. De raad heeft geweigerd aan [appellante] een definitieve toevoeging te verlenen, omdat zij na beëindiging van de procedure waarvoor die toevoeging is verleend, beschikte over een vermogen dat meer bedroeg dan € 10.500.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de advocaatkosten voor een eerdere alimentatieprocedure niet in mindering moeten worden gebracht op haar vermogen. Zij voert daartoe aan dat zij ruim € 8.000 aan advocaatkosten voor een eerdere alimentatiezaak uit haar eigen vermogen heeft betaald en dat dit bedrag bij de berekening van de draagkracht op het moment van beëindiging van de rechtsbijstand in mindering moet worden gebracht op het door de raad in aanmerking genomen saldo van haar plusrekening op het moment van de aanvraag om de toevoeging.

2.3.1. Het betoog slaagt. De raad heeft bij de toepassing van artikel 31, tweede lid, van de Wrb de toename van de financiële draagkracht vastgesteld door, in overeenstemming met het door de raad ter zake vastgestelde beleid, bij het saldo van de plusrekening van [appellante] op het moment van de aanvraag van de toevoeging op te tellen de vermogensbestanddelen die ten tijde van de beëindiging van de zaak op grond van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de boedelscheidingsprocedure aan [appellante] zijn toebedeeld. Uit de tekst van artikel 31, tweede lid, van de Wrb volgt evenwel niet dat onder de toename van de financiële draagkracht uitsluitend de vermogenstoename als gevolg van de procedure waarvoor een toevoeging is aangevraagd dient te worden verstaan. Het beleid van de raad op dit punt is derhalve niet in overeenstemming met artikel 31, tweede lid, van de Wrb. Die bepaling noopt ertoe dat op het moment van de beëindiging van de zaak het vermogen van de aanvrager opnieuw moet worden vastgesteld. Anders dan de raad kennelijk van mening is, kan artikel 8, eerste lid, van het Bdr, ingevolge welke bepaling het vermogen wordt vastgesteld aan de hand van de toestand zoals deze is ten tijde van de indiening van de aanvraag om toevoeging en waaraan ten tijde van het verlenen van de voorwaardelijke toevoeging ook toepassing is gegeven, bij de beëindiging van de rechtsbijstand in dit geval geen/niet wederom toepassing vinden. In de nota van toelichting bij artikel 8 van het Bdr (blz. 12, Stb. 1994, 33) valt dat ook niet te lezen. De raad had dan ook niet het saldo van de plusrekening van [appellante] ten tijde van de aanvraag om toevoeging maar dat saldo ten tijde van de beëindiging van de zaak, waarvan inmiddels de door [appellante] betaalde advocaatkosten, waarop zij in haar betoog doelt, waren betaald, dienen vast te stellen.

De aldus gegeven uitleg strookt met hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen in haar - aangehechte - uitspraak van 29 januari 2001 in zaak no. 200003291/1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de raad op goede gronden het saldo van de plusrekening van [appellante] op het moment van de aanvraag in aanmerking heeft genomen en heeft daarmee miskend dat artikel 31, tweede lid, van de Wrb door de raad onjuist is toegepast.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar vernietigen. De raad dient alsnog een inhoudelijke beslissing te nemen op het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2008.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 augustus 2009 in zaak nr. 09/1516;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad voor rechtsbijstand Arnhem van 24 februari 2009, kenmerk 2CK9247/BC81876;

V. gelast dat de raad voor rechtsbijstand Arnhem aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 151,00 (zegge: honderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

47-658.