Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BN2630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
201000441/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2008 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000441/1/V6.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 17 december 2009 in zaak nr. 09/700 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2008 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 23 februari 2009 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.S. Yap, advocaat te Bergen op Zoom, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister in redelijkheid geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), aangezien [appellant] zelf de keuze heeft gemaakt om deel te nemen aan de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (hierna: de Regeling) en het verblijfsgat dat als gevolg hiervan is ontstaan voor zijn rekening en risico dient te komen. [appellant] voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn deelname aan de Regeling geen keuze, maar een noodzaak was, nu het onzeker was of hij voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in aanmerking zou komen. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat er in de Regeling geen rekening mee is gehouden dat deelname hieraan kan leiden tot een verblijfsgat, hetgeen gevolgen kan hebben in een naturalisatieprocedure. Ten slotte voert [appellant] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij sinds 21 september 1999 zijn hoofdverblijf in Nederland heeft, hem op 1 juni 2001 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, hij volledig is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving en hij voldoet aan alle voorwaarden voor naturalisatie.

2.1.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de RWN wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge artikel 10, voor zover thans van belang, kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in voormeld artikellid.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN zo te worden gelezen dat als vereiste geldt dat de verzoeker vijf jaar onafgebroken in het Koninkrijk is toegelaten. Van toelating in Nederland is sprake indien verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker dient dit rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan te tonen. Voorts houdt dit in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de genoemde termijn. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen.

Voorts staat in de Handleiding in de toelichting op artikel 10 van de RWN dat in uitzonderlijke gevallen er belangen kunnen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie. Voorts staat in de Handleiding dat van artikel 10 slechts terughoudend gebruik dient te worden gemaakt. Uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Volgens de Handleiding zijn, ondermeer, het in Nederland zijn toegelaten als vluchteling en het volledig ingeburgerd zijn in de Nederlandse samenleving geen bijzondere omstandigheden.

2.1.2. Bij besluit van 21 november 2001 is [appellant] een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, met een geldigheidsduur van 1 juni 2001 tot 1 juni 2004. Op 16 april 2004 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen. Op 24 oktober 2006 heeft [appellant] een zienswijze ingediend, ter zake van het voornemen tot afwijzing van voormelde aanvraag. Op 5 november 2007 heeft [appellant] een verklaring ondertekend dat hij ter verkrijging van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling alle lopende procedures geheel, vrijwillig intrekt, waarna hem per 15 juni 2007 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. Niet langer in geschil is dat [appellant] in de periode van 1 juni 2004 tot 15 juni 2007 geen geldige vergunning voor verblijf in Nederland had en hij derhalve onmiddellijk voorafgaande aan zijn aanvraag om naturalisatie op 3 juni 2008 niet voldeed aan het vereiste van vijf jaren toelating in Nederland.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. Dat [appellant] heeft deelgenomen aan de Regeling, op grond waarvan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend die niet aansluit op zijn eerdere verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, vormt geen zeer bijzondere omstandigheid. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft [appellant] zelf de keuze gemaakt om deel te nemen aan de Regeling. Het stond [appellant] vrij om de procedure ter verkrijging van de door hem aangevraagde verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd door te zetten in plaats van deel te nemen aan de Regeling. Dat de asielprocedure mogelijk niet zou hebben geleid tot vergunningverlening, maakt niet dat deelname aan de Regeling niet de eigen keuze van [appellant] was. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verblijfsgat dat als gevolg hiervan is ontstaan voor eigen rekening en risico van [appellant] dient te komen en dat geen aanleiding bestaat tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 van de RWN.

Voor zover [appellant] betoogt dat hij vanwege de door hem in de asielprocedure aangevoerde gronden niet naar zijn land van herkomst kan terugkeren, geldt dat het besluit om het naturalisatieverzoek af te wijzen geen invloed heeft op zijn verblijfsrecht hier te lande, zodat ook hierin geen grond voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 van de RWN is gelegen.

De omstandigheid dat volgens [appellant] bij de totstandkoming van de Regeling niet is voorzien dat deelname hieraan kan leiden tot een verblijfsgat, is evenmin een bijzondere omstandigheid in het kader van artikel 10 van de RWN.

Dat [appellant] reeds lange tijd in Nederland verblijft, hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend en hij volledig is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving zijn voorts, gezien het beleid zoals weergegeven in 2.1.1, evenmin zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister gebruik had moeten maken van de hardheidsclausule van artikel 10 van de RWN. De stelling van [appellant] dat hij, afgezien van het vereiste van vijf jaren toelating in Nederland, aan alle voorwaarden voor naturalisatie voldoet, waarvan de juistheid thans in het midden kan worden gelaten, doet aan het voorgaande niet af.

Het betoog faalt.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010

523.